<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2011:BQ8166</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-29T15:06:16</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BQ8166</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2011-05-31</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">10-3559 WWB</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2011:BQ8166">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2011:BQ8166</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T08:21:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2011-06-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2011:BQ8166 Centrale Raad van Beroep , 31-05-2011 / 10-3559 WWB</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2011:BQ8166:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verlaging bijstandsuitkering voor de duur van een maand met 100%. Niet in geschil is dat appellant op 30 juli 2009 en op 31 augustus 2009 heeft volhard in zijn weigering om deel te nemen aan het aan hem door het College aangeboden re-integratietraject Sprinkplank, dat is gericht op arbeidsinschakeling. De Raad ziet geen grond voor het oordeel dat appellant vanwege zijn pogingen om als zelfstandige werkzaamheden te verrichten en vanwege zijn parttime schilderswerkzaamheden niet verplicht was gebruik te maken van het door het College aangeboden traject. Deze omstandigheden ontsloegen appellant niet van de op hem rustende arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB en van de verplichting om aan het aan hem aangeboden traject deel te nemen. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat het College daarom op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB gehouden was de bijstand van appellant overeenkomstig de Maatregelenverordening te verlagen. De Raad kan appellant niet volgen in zijn betoog dat beide maatregelen in strijd met artikel 6, eerste lid, van de Maatregelenverordening met terugwerkende kracht zijn opgelegd. De ingangsdatum van de met ingang van 1 september 2009 opgelegde maatregel ligt na 31 augustus 2009, de datum waarop dat besluit bekend is gemaakt. Hiermee is voldaan aan artikel 6, eerste lid, van de Maatregelenverordening. Nu appellant het standpunt van het College dat de bijstand over de maand augustus 2009 op 27 augustus 2009 nog niet was uitbetaald, niet heeft betwist, is voor de met ingang van 1 augustus 2009 opgelegde maatregel voldaan aan artikel 6, tweede lid, van de Maatregelenverordening.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2011:BQ8166:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>10/3559 WWB </para>
    <para />
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para />
    <para>Meervoudige kamer</para>
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para>op het hoger beroep van:</para>
    <para />
    <para>[Appellant] wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),</para>
    <para />
    <para>tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 4 juni 2010, 10/8 (hierna: aangevallen uitspraak),</para>
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>appellant</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen (hierna: College)</para>
    <para />
    <para>Datum uitspraak: 31 mei 2011</para>
    <para> </para>
    <para>I. PROCESVERLOOP</para>
    <para />
    <para>Namens appellant heeft mr. R. van Asperen, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld. </para>
    <para />
    <para>Het College heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 maart 2011. Voor appellant is verschenen mr. Van Asperen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.A. Jalving en H.J. Roerig, beiden werkzaam bij de gemeente Groningen.  </para>
    <para />
    <para>II. OVERWEGINGEN</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en</para>
      <para>omstandigheden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1.1. Appellant ontvangt sinds 15 augustus 2008 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Ten tijde in geding golden voor appellant alle verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB.</para>
    <para />
    <para>1.2. Bij besluit van 27 augustus 2009 heeft het College de bijstand van appellant met ingang van 1 augustus 2009 voor de duur van een maand met 100% verlaagd.  Bij besluit van 31 augustus 2009 heeft het College de bijstand van appellant met ingang van 1 september 2009 voor de duur van een maand met 100% verlaagd. Het College heeft de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 27 augustus 2009 en 31 augustus 2009 bij besluit van 29 december 2009 ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellant heeft volhard in zijn weigering om deel te nemen aan het traject Sprinkplank en daardoor heeft geweigerd deel te nemen aan een door het College aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Het College heeft daarbij toepassing gegeven aan artikel 18, tweede lid, van de WWB en aan de artikelen 9, vierde lid, 10, eerste lid, aanhef en onder d, en 8, tweede lid, van de Maatregelenverordening Wet werk en bijstand van de gemeente Groningen (hierna: Maatregelenverordening).</para>
    <para />
    <para>2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 29 december 2009 ongegrond verklaard. </para>
    <para />
    <para>3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. </para>
    <para />
    <para>4. De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij hij voor de hier van toepassing zijnde bepalingen van de WWB en de Maatregelenverordening verwijst naar de aangevallen uitspraak.</para>
    <para />
    <para>4.1. Niet in geschil is dat appellant op 30 juli 2009 en op 31 augustus 2009 heeft volhard in zijn weigering om deel te nemen aan het aan hem door het College aangeboden re-integratietraject Sprinkplank, dat is gericht op arbeidsinschakeling. </para>
    <para />
    <para>4.2. De Raad ziet geen grond voor het oordeel dat appellant vanwege zijn pogingen om als zelfstandige werkzaamheden te verrichten en vanwege zijn parttime schilderswerkzaamheden niet verplicht was gebruik te maken van het door het College aangeboden traject. Deze omstandigheden ontsloegen appellant niet van de op hem rustende arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB en van de verplichting om aan het aan hem aangeboden traject deel te nemen. </para>
    <para />
    <para>4.3. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat het College daarom op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB gehouden was de bijstand van appellant overeenkomstig de Maatregelenverordening te verlagen. </para>
    <para />
    <para>4.4. De Raad ziet in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij door ziekte dan wel medische beperkingen niet in staat was aan het traject deel te nemen. De Raad tekent daarbij aan dat appellant zijn stelling dat hij ten tijde hier in geding onder behandeling was bij de GGZ niet met schriftelijke stukken heeft onderbouwd. De Raad ziet voorts geen aanleiding te twijfelen aan hetgeen de verzekeringsarts H. Talman in de brief van 3 juli 2009 heeft aangegeven. Uit deze brief blijkt dat appellant op 2 juli 2009 onvoldoende heeft meegewerkt aan het medisch onderzoek en heeft geweigerd de machtiging aanvraag informatieverstrekking te ondertekenen. </para>
    <para />
    <para>4.5. Niet in geschil is dat de herhaalde weigering om deel te nemen aan het traject Springplank een gedraging is van de vierde categorie als bedoeld in de Maatregelenverordening en dat die verordening een verlaging van 50% voor de duur van één maand voorschrijft en dat in geval van recidive, zoals hier aan de orde, dat percentage kan worden verdubbeld.</para>
    <para />
    <para>4.6. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Maatregelenverordening wordt een maatregel opgelegd met ingang van de eerst volgende kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot het opleggen van een maatregel aan de belanghebbende is bekend gemaakt. Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan in afwijking van het eerste lid de maatregel met terugwerkende kracht worden opgelegd, voor zover de bijstand nog niet is uitbetaald.</para>
    <para />
    <para>4.7. De Raad kan appellant niet volgen in zijn betoog dat beide maatregelen in strijd met artikel 6, eerste lid, van de Maatregelenverordening met terugwerkende kracht zijn opgelegd. De ingangsdatum van de met ingang van 1 september 2009 opgelegde maatregel ligt na 31 augustus 2009, de datum waarop dat besluit bekend is gemaakt. Hiermee is voldaan aan artikel 6, eerste lid, van de Maatregelenverordening. Nu appellant het standpunt van het College dat de bijstand over de maand augustus 2009 op 27 augustus 2009 nog niet was uitbetaald, niet heeft betwist, is voor de met ingang van 1 augustus 2009 opgelegde maatregel voldaan aan artikel 6, tweede lid, van de Maatregelenverordening.</para>
    <para />
    <para>4.8. In hetgeen appellant voorts heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat de ernst van de gedragingen van appellant, de mate waarin appellant de gedragingen kunnen worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeerde het College aanleiding hadden moeten geven om met toepassing van artikel 2, tweede lid, van de Maatregelverordening de opgelegde maatregelen nader af te stemmen en te beperken tot een lager percentage of een kortere duur. De Raad ziet in hetgeen appellant heeft aangevoerd evenmin dringende redenen als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Maatregelenverordening op grond waarvan het College kan afzien van het opleggen van een maatregel.</para>
    <para />
    <para>4.9. Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.</para>
    <para />
    <para>5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. </para>
    <para> </para>
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep;</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak. </para>
    <para />
    <para>Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 mei 2011.</para>
    <para />
    <para>(get.) C. van Viegen.</para>
    <para />
    <para>(get.) N.M. van Gorkum.</para>
    <para />
    <para>HD</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>