<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7776</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-29T14:44:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BQ7776</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2011-05-19</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">10-2948 AW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_ambtenarenrecht">Bestuursrecht; Ambtenarenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7776">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7776</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T08:20:18</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2011-06-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7776 Centrale Raad van Beroep , 19-05-2011 / 10-2948 AW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7776:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Herziening en terugvordering BWOO-uitkering in verband met werkzaamheden als zelfstandige. Eerdere uitspraak van de Raad juist uitgevoerd. Rapport nationale ombudsman niet relevant. Het door appellant opgegeven aantal uren is niet geloofwaardig. Terecht is de minister uitgegaan van bij het aan de Belastingdienst opgegeven (minimum) aantal uren dat benodigd is voor het in aanmerking komen van zelfstandigenaftrek. Schending inlichtingenverplichting.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7776:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>10/2948 AW</para>
    <para />
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para />
    <para>Meervoudige kamer</para>
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para>op het hoger beroep van:</para>
    <para />
    <para>[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),</para>
    <para />
    <para>tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 27 april 2010, 09/352 (hierna: aangevallen uitspraak),</para>
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>appellant</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: minister)</para>
    <para />
    <para>Datum uitspraak: 19 mei 2011</para>
    <para> </para>
    <para>I. PROCESVERLOOP</para>
    <para />
    <para>Appellant heeft hoger beroep ingesteld.</para>
    <para />
    <para>De minister heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 april 2011. Appellant is in persoon verschenen. De minister heeft zich, zoals tevoren bericht, niet laten vertegenwoordigen.</para>
    <para />
    <para>II. OVERWEGINGEN</para>
    <para />
    <para>1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak alsmede naar de tussen partijen gewezen uitspraak van de Raad van 28 februari 2007 (05/5091 AW, LJN BA0560). De Raad volstaat met het volgende. </para>
    <para />
    <para>1.1. Appellant ontving een uitkering op grond van het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel (BWOO) op basis van een arbeidsurenverlies van 38. Vanaf 1 juli 1995 is appellant als zelfstandig ondernemer werkzaam onder de naam [naam onderneming] Deze onderneming is gespecialiseerd in het organiseren van kuurreizen en kuurvakanties, onder andere naar Tsjechië. Aanvankelijk besteedde appellant hieraan gemiddeld 4 uur per week, dit had geen gevolgen voor (de omvang van) zijn BWOO-uitkering. Medio 1998 is appellant met de re-integratieconsulent A. Bakker overeengekomen dat hij vanaf 1 juni 1998 opgeeft gemiddeld 9,5 uur per week werkzaam te zijn in zijn bedrijf en dat dit aantal uren in mindering wordt gebracht op zijn BWOO-uitkering. De in dit kader gemaakte afspraken zijn neergelegd in een aan appellant gerichte brief van 2 juni 1998.      </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.2. Naar aanleiding van een opgave van de Belastingdienst waaruit bleek dat appellant zelfstandigenaftrek heeft genoten, is een onderzoek gestart door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), de instantie die destijds namens de minister het BWOO uitvoerde. Bij besluit van 30 juli 2003, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van </para>
      <para>19 februari 2004, heeft de minister de uitkering van appellant per 1 november 1998 beëindigd. Hieraan lag ten grondslag dat uit voornoemd onderzoek naar voren was gekomen dat appellant vanaf 1 november 1998 tot 30 juli 2003 meer dan de opgegeven 9,5 uur per week in zijn onderneming werkzaam is geweest en wel in een zodanige omvang dat hij niet meer werkloos was te achten. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1.3. Bij zijn uitspraak van 28 februari 2007 heeft de Raad het besluit op bezwaar van 19 februari 2004 vernietigd en bepaald dat de minister opnieuw dient te beslissen op het bezwaarschrift van appellant. Naar het oordeel van de Raad had appellant het aantal uren dat hij op basis van de afspraak kon werken voor [naam onderneming], in elk geval voor het relevante (deel van het) jaar 1998, niet overschreden. Dat appellant aan de Belastingdienst een zodanig (groter) aantal gewerkte uren heeft opgegeven dat hij voor zelfstandigen-aftrek in aanmerking is gekomen, deed aan dat oordeel niet af. Ten overvloede overwoog de Raad nog dat op basis van de beschikbare gedingstukken niet kon worden uitgesloten dat moest worden gesproken van een stilzwijgend voortzetten van de gemaakte afspraak na 1998.</para>
    <para />
    <para>1.4. Bij besluit van 13 maart 2009, zoals nader aangevuld bij besluit van 30 oktober 2009 heeft de minister het bezwaar van appellant tegen het besluit van 30 juli 2003 gegrond verklaard en dat besluit in zoverre herzien dat de BWOO-uitkering ingaande 1 november 1998 voor 9,5 uur per week wordt beëindigd en ingaande 1 januari 1999 voor 23,56 uur per week. De minister heeft hierbij in aanmerking genomen dat appellant over dat jaar (ook) zelfstandigenaftrek heeft genoten, hetgeen betekent dat hij op jaarbasis ten minste 1225 uur in zijn onderneming heeft gewerkt. Ook de forse toenames van de omzet en de winst over de jaren na 1998 wijzen er volgens de minister op dat appellant beduidend meer heeft gewerkt dan gemiddeld 9,5 uur per week. Daarnaast heeft de minister met toepassing van artikel 21 van het BWOO de over de periode van 1 januari 1999 tot 1 augustus 2003 onverschuldigd betaalde uitkering tot een bedrag van € 66.963,25 bruto van appellant teruggevorderd. Daar reeds een bedrag van € 37.033,03 was terugbetaald, resteerde nog een bedrag van € 29.930,22. </para>
    <para />
    <para>2.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak, met beslissingen over vergoeding van proceskosten en griffierecht, het beroep van appellant tegen het besluit van 13 maart 2009 niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 30 oktober 2009 gegrond verklaard voor zover daarbij is verzuimd in te gaan op de proceskosten-vergoeding in de bezwaarfase. De rechtbank heeft dat besluit in zoverre vernietigd en met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de minister veroordeeld in de door appellant in de bezwaarfase gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,-. Voor het overige is het beroep tegen het besluit van 30 oktober 2009 ongegrond verklaard.</para>
    <para />
    <para>2.2. Het hoger beroep van appellant is gericht tegen de uitspraak van de rechtbank voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 30 oktober 2009 ongegrond is verklaard. Volgens appellant heeft de minister bij dat besluit op onvoldoende wijze uitvoering gegeven aan de uitspraak van de Raad van 28 februari 2007. Ook heeft de rechtbank ten onrechte belang gehecht aan het claimen van zelfstandigenaftrek bij de Belastingdienst. Voorts heeft appellant gewezen op het, door appellant ook relevant voor deze zaak geachte, rapport van de nationale ombudsman (nr. 2010/025) over de zogenoemde ZZP’ers. Bij brief van 16 maart 2011 heeft appellant een besluit van 17 februari 2011 van het Uwv overgelegd, waarbij het verzoek van appellant om zijn zaak aan een herbeoordeling te onderwerpen, is afgewezen.</para>
    <para />
    <para>2.3. De minister heeft zich in het verweerschrift geschaard achter de overwegingen van de rechtbank. Naar het oordeel van de minister heeft het rapport van de nationale ombudsman geen betrekking op de onderhavige zaak, omdat appellant niet behoort tot de doelgroep als bedoeld in de rapportage van de nationale ombudsman.</para>
    <para />
    <para>3. De Raad overweegt naar aanleiding van de standpunten van partijen als volgt.</para>
    <para />
    <para>3.1. De minister heeft terecht opgemerkt dat het rapport van de nationale ombudsman voor deze zaak niet relevant is, omdat dit rapport betrekking heeft op zelfstandigen die van 2004 tot medio 2006 met behoud van een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) een eigen bedrijf zijn gestart en niet goed zijn voorgelicht door het Uwv. Appellant ontving echter geen WW- maar een BWOO-uitkering en is ook al veel eerder dan in 2004 met zijn onderneming gestart. Daarnaast is het Uwv niet meer bevoegd om namens de minister besluiten te nemen met betrekking tot aanspraken op een BWOO-uitkering. Het door appellant ingezonden besluit van het Uwv van 17 februari 2011 waartegen appellant bezwaar heeft gemaakt, is voor de Raad dan ook geen reden de uitspraak in deze zaak aan te houden. </para>
    <para />
    <para>3.2. De Raad verwerpt de grief van appellant dat de minister een onjuiste uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van 28 februari 2007. De Raad heeft zich in die uitspraak slechts uitgesproken over (het in dat geding relevante deel van) het jaar 1998. Nu de minister bij het thans bestreden besluit over de periode van 1 november 1998 tot 1 januari 1999 niet meer dan 9,5 gewerkte uren per week in aanmerking heeft genomen, is dit besluit niet in strijd met de uitspraak van de Raad. De overweging in die uitspraak over een mogelijk stilzwijgende voortzetting van de gemaakte afspraak over de periode vanaf 1 januari 1999 betreft een overweging ten overvloede, die voor partijen niet bindend is. Het stond de minister in beginsel vrij om daarover gemotiveerd een ander, afwijkend, standpunt in te nemen.  </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.3. De minister heeft in het bestreden besluit overwogen dat de in de brief van 2 juni 1998 vastgelegde afspraken bij appellant niet de indruk kunnen hebben gewekt dat deze afspraken ook na 1 december 1998 stilzwijgend zijn voortgezet. De Raad kan de minister hierin volgen. Nog daargelaten dat in die brief expliciet staat vermeld dat het vanzelfsprekend is dat appellant doorgeeft indien hij meer uren dan 9,5 aan zijn bedrijf gaat besteden, heeft de in de brief neergelegde afspraak betrekking op de periode van 1 juni 1998 tot 1 december 1998 en is deze bedoeld om appellant de kans te geven om gedurende zes maanden zijn bedrijf uit te bouwen. In de brief is de volgende alinea opgenomen: “Heeft u in december concrete opdrachten voor uw eigen bedrijf, waardoor dan binnen afzienbare tijd (3-6 maanden) u definitief of langdurig uit de uitkering gaat, dan kunt u doorgaan zoals in de periode 1/6/1998 tot 1/12/1998. Mocht er echter niets concreets aantoonbaar zijn, dan gaan voor u de normale regels gelden voor mensen met een eigen bedrijf. D.w.z.: het aantal uren dat u per week aan uw eigen bedrijf besteedt wordt vastgesteld en voor het restant van de uitkeringsuren moet u daadwerkelijk beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt.”</para>
      <para>Gesteld noch gebleken is dat er in december 1998 concrete aanwijzingen waren dat appellant binnen afzienbare tijd niet langer een beroep zou hoeven doen op een BWOO-uitkering. Voor appellant gingen derhalve (uiterlijk) vanaf januari 1999 de normale regels gelden, wat inhield dat hij niet langer kon volstaan met het invullen van de maand-formulieren op de wijze zoals hij voorheen in 1998 deed. </para>
      <para>Bovendien is appellant op zijn verzoek bij brief van 9 maart 1999 door de minister geïnformeerd over zijn sollicitatieplicht. Hieruit leidt de Raad af dat het appellant kennelijk ook duidelijk was dat de situatie toen niet meer dezelfde was als in 1998, toen hij niet (extern) behoefde te solliciteren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3.4. Op verzoek van de minister heeft appellant in 2001 een overzicht verstrekt van het aantal uren dat hij per week in de jaren 1998 tot en met 2000 daadwerkelijk aan [naam onderneming] heeft besteed. Volgens die opgave heeft appellant in 1999 en 2000 een zodanig aantal uren gewerkt dat het gemiddelde van 9 uur per week niet is overschreden. Appellant erkende dat hij daarmee niet voldeed aan het criterium voor zelfstandigen-aftrek, reden waarom appellant voornemens was dit bij de Belastingdienst te laten corrigeren. Tot een daadwerkelijke correctie is het echter niet gekomen.</para>
    <para />
    <para>3.5. De Raad is met de minister en de rechtbank van mening dat het door appellant opgegeven aantal uren niet geloofwaardig is. De Raad heeft hierbij in aanmerking genomen dat zowel de omzet als de winst van [naam onderneming] na 1998 aanzienlijk is gestegen, mede als gevolg van een toename van het aantal reizen. Dat er desondanks geen sprake is geweest van een toename van het aantal gewerkte uren, komt de Raad onwaarschijnlijk voor, zeker indien daarbij in ogenschouw wordt genomen dat appellant, zoals uit de verklaringen van appellant en de Belastingdienst kan worden afgeleid, (vaak) mee ging op die reizen. Verder komt het de Raad onaannemelijk voor dat appellants werkzaamheden als reisleider en organisator hem tijdens het verblijf in het buitenland per dag niet meer dan 1 à 1,5 uur kostten, zoals appellant aangeeft. Waar appellant in die periode in beginsel gedurende 24 uur per dag het aanspreekpunt was voor de reizigers, komt het de Raad voor dat het door de Belastingdienst aangehouden aantal uren van 10 per dag van meer realiteitszin getuigt.</para>
    <para />
    <para>3.6. De minister was derhalve niet gehouden het door appellant opgegeven aantal uren te volgen. In plaats daarvan is de minister uitgegaan van bij het aan de Belastingdienst opgegeven (minimum) aantal uren dat benodigd is voor het in aanmerking komen van zelfstandigenaftrek. Appellant heeft de Raad er niet van weten te overtuigen dat dit aantal uren te hoog is ingeschat, dan wel dat de Belastingdienst gewerkte uren in aanmerking heeft genomen, die in het kader van het BWOO niet als gewerkte uren kunnen worden aangemerkt.  </para>
    <para />
    <para>3.7. Uit het vorenstaande volgt dat het besluit om de BWOO-uitkering van appellant met ingang van 1 januari 1999 met 23,56 uur per week te verminderen in verband met het verrichten van werkzaamheden als zelfstandige, standhoudt.</para>
    <para />
    <para>3.8. Nu appellant niet heeft voldaan aan de in artikel 11 van het BWOO neergelegde verplichting om het uitvoeringsorgaan uit eigen beweging onverwijld alle feiten en omstandigheden mee te delen, waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, is hem over die periode ten onrechte een te hoge uitkering verstrekt. Op grond van artikel 21 van het BWOO was de minister bevoegd die te veel betaalde uitkering terug te vorderen. Tegen (de hoogte van) deze terugvordering zijn geen zelfstandige grieven aangevoerd. </para>
    <para />
    <para>4. Het hoger beroep van appellant slaagt niet. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.</para>
    <para />
    <para>5. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. </para>
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep;</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.</para>
    <para />
    <para>Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en R. Kooper en J.L.P.G. van Thiel als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2011.</para>
    <para />
    <para>(get.) K. Zeilemaker.</para>
    <para />
    <para>(get.) I. Mos.</para>
    <para>	</para>
    <para>HD</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>