<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7395</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-29T14:36:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BQ7395</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2011-05-24</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">09-2782 WWB</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7395">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7395</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T08:19:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2011-06-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7395 Centrale Raad van Beroep , 24-05-2011 / 09-2782 WWB</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7395:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Herziening en terugvordering bijstandsuitkering. De inkomsten uit studiefinanciering worden terecht op de bijstand van appellant in mindering gebracht voor zover het totale inkomen van appellant en [S.] de gehuwdennorm te boven gaat.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7395:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>09/2782 WWB</para>
    <para />
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para />
    <para>Meervoudige kamer</para>
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para>op het hoger beroep van:</para>
    <para />
    <para>[Appellant] wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),</para>
    <para />
    <para>tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 12 mei 2009, 08/809 (hierna: aangevallen uitspraak),</para>
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>appellant</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Breda (hierna: Commissie)</para>
    <para />
    <para>Datum uitspraak: 24 mei 2011 </para>
    <para> </para>
    <para>I. PROCESVERLOOP</para>
    <para />
    <para>Namens appellant heeft mr. D.M.F. Snelder, advocaat te Breda, hoger beroep ingesteld.</para>
    <para />
    <para>De Commissie heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 april 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Snelder. De Commissie heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen.</para>
    <para />
    <para />
    <para>II. OVERWEGINGEN</para>
    <para />
    <para>1.Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten, omstandigheden en toepasselijke wet- en regelgeving verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.</para>
    <para />
    <para>1.1. Appellant, gehuwd en samenwonend met N. [S.] (hierna: [S.]), ontving sinds 1 september 2006 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder met 20% toeslag. [S.] ontvangt studiefinanciering ingevolge de Wet studiefinanciering 2000 (WSF 2000) voor een uitwonende studerende. De inkomsten uit studiefinanciering worden op de bijstand van appellant in mindering gebracht voor zover het totale inkomen van appellant en [S.] de gehuwdennorm te boven gaat.  </para>
    <para />
    <para>1.2. Bij afzonderlijke besluiten van 4 oktober 2007 heeft de Commissie de bijstand van appellant over de periode van 1 januari 2007 tot en met 30 september 2007 en met ingang van 1 oktober 2007 herzien, de in mindering te brengen inkomsten met ingang van 1 januari 2007 vastgesteld op € 404,41 per maand, alsmede een bedrag van € 51,12 van appellant teruggevorderd wegens te weinig gekorte inkomsten (en dus te veel verleende bijstand) over de periode van 1 januari 2007 tot en met 30 september 2007.</para>
    <para />
    <para>1.3. Bij besluit van 28 januari 2008 heeft de Commissie de bezwaren tegen de besluiten van 4 oktober 2007 ongegrond verklaard.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van </para>
      <para>28 januari 2008 ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. In hoger beroep heeft appellant, samengevat, aangevoerd dat relatering van de gezamenlijke inkomsten aan de gehuwdennorm onjuist is (omdat aan hem bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder is toegekend), dat de inkomsten uit studiefinanciering buiten beschouwing moeten worden gelaten (omdat deze bedoeld zijn voor de kosten verbonden aan de studie van [S.]) en dat de Commissie ten onrechte tot herziening en terugvordering is overgegaan (omdat de gewijzigde normbedragen reeds met ingang van 1 januari 2007 bekend waren).</para>
    <para />
    <para>4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.</para>
    <para />
    <para>4.1. De Raad stelt voorop dat in de WWB, anders dan in artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, van de Algemene bijstandswet, geen uitsluitingsgrond is opgenomen voor degene die onderwijs of een beroepsopleiding volgt als bedoeld in de WSF 2000. Dit betekent dat [S.] voor de toepassing van de WWB niet als niet-rechthebbende partner kan worden gekwalificeerd en dat in beginsel aan appellant en [S.] tezamen bijstand naar de gehuwdennorm toekomt.</para>
    <para />
    <para>4.2. Artikel 33, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB bepaalt dat het inkomen uit studiefinanciering op grond van de WSF 2000 in aanmerking wordt genomen naar het normbedrag voor levensonderhoud waarnaar deze is berekend, met dien verstande dat het normbedrag voor levensonderhoud als bedoeld in artikel 3.2 van die wet wordt gesteld (per 1 januari 2007) op € 529,03 per kalendermaand voor een uitwonende studerende. Zoals de Raad reeds heeft overwogen in zijn uitspraak van 27 maart 2007, LJN BA1880, betreft het hier een bepaling van dwingendrechtelijke aard. Hetgeen appellant heeft aangevoerd ten betoge dat de inkomsten uit studiefinanciering bestemd en aangewend zijn voor de kosten van de studie van [S.] en niet mede voor haar levensonderhoud treft reeds daarom geen doel. Aangezien voorts vaststaat dat [S.] studiefinanciering voor een uitwonende studerende ontving was de Commissie, ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WWB, gehouden per 1 januari 2007 een bedrag van € 529,03 op de gehuwdennorm van appellant en [S.] in mindering te brengen. De Raad stelt vast dat appellant met de door de Commissie gehanteerde wijze van korting van de inkomsten uit studiefinanciëring over de hier aan de orde zijnde tijdvakken zeker niet tekort is gedaan.        </para>
    <para />
    <para>4.3. Gelet op de per 1 januari 2007 gewijzigde normbedragen was de Commissie bevoegd de verleende bijstand naar de toepasselijke bedragen te herzien en de teveel verstrekte bijstand van appellant terug te vorderen. In hetgeen is aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat de Commissie bij de uitoefening van de bevoegdheden, als bedoeld in artikel 54, derde lid, aanhef en onder b, en artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, niet in redelijkheid van de bevoegdheid tot herziening en terugvordering gebruik heeft kunnen maken. </para>
    <para />
    <para>4.4. Hetgeen onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen brengt mee dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.</para>
    <para />
    <para>5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.  </para>
    <para> </para>
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep;</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    <para />
    <para>Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en R.H.M. Roelofs en J.F. Bandringa als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 mei 2011.</para>
    <para />
    <para>(get.) C. van Viegen.</para>
    <para />
    <para>(get.) R.L.G. Boot.</para>
    <para />
    <para>HD</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>