<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2011:BQ5957</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-05T16:31:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BQ5957</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2011-05-25</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">10-3034 ZW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537">Algemene wet bestuursrecht</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=6:18">Algemene wet bestuursrecht 6:18</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=6:19">Algemene wet bestuursrecht 6:19</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JB 2011/177</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2011:BQ5957">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2011:BQ5957</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T08:14:43</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2011-05-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2011:BQ5957 Centrale Raad van Beroep , 25-05-2011 / 10-3034 ZW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2011:BQ5957:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Wazo- en ZW-uitkeringen zijn terecht herzien en teruggevorderd. Gefingeerde dienstbetrekking. Het oordeel in de strafzaak staat daaraan niet in de weg, nu daar een andere rechtsvraag aan de orde is.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2011:BQ5957:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>10/3034 ZW</para>
    <para />
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para />
    <para>Meervoudige kamer</para>
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para>op het hoger beroep van:</para>
    <para />
    <para>[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),</para>
    <para />
    <para>tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 april 2010, 08/3314 (hierna: aangevallen uitspraak),</para>
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>appellante </para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).</para>
    <para />
    <para>Datum uitspraak: 25 mei 2011</para>
    <para />
    <para> I. PROCESVERLOOP</para>
    <para />
    <para>Namens appellante heeft mr. N. Türkkol, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.</para>
    <para />
    <para>Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 april 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Türkkol. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.L. Turnhout.</para>
    <para />
    <para>II. OVERWEGINGEN </para>
    <para />
    <para>1.1. Appellante is door het Uwv van 17 juli 2006 tot en met 9 november 2006 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg (Wazo) in verband met zwangerschaps- en bevallingsverlof op basis van een dienstverband bij [naam werkgever]. Van 4 december 2006 tot en met 8 februari 2007 is haar een uitkering toegekend op grond van de Werkloosheidswet (WW). Van 9 februari 2007 tot en met 22 mei 2007 is haar vervolgens een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. </para>
    <para />
    <para>1.2. Op basis van onderzoeksbevindingen in het kader van het project “Schijn bedriegt”, zoals neergelegd in het Rapport Werknemersfraude van 29 november 2007, heeft het Uwv geconcludeerd dat appellante geen werkzaamheden voor [werkgever] heeft verricht en dat sprake was van een gefingeerde dienstbetrekking.</para>
    <para />
    <para>1.3. Bij besluit van 11 juli 2008 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen de herziening en terugvordering van de WW-uitkering over de periode 4 december 2006 tot en met 8 februari 2007 ongegrond verklaard. Appellante heeft in beroep de ontvangst van het besluit van 11 juli 2008 bestreden.</para>
    <para />
    <para>1.4. Bij besluiten van 12 februari 2008 heeft het Uwv de ZW-uitkering over de periode van 17 juli 2006 tot en met 9 november 2006 en van 9 februari 2007 tot en met 22 mei 2007 ingetrokken en heeft het Uwv hetgeen aan ZW-uitkering over die periode is betaald ten bedrage van € 12.606,62 van appellante teruggevorderd.</para>
    <para />
    <para>1.5. Bij besluit van 16 juli 2008 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 12 februari 2008 over de herziening van de ZW-uitkering ongegrond verklaard. Het Uwv heeft bij besluit van 10 september 2008 (hierna: het bestreden besluit) het besluit van 12 februari 2008 gewijzigd omdat de uitkering over de periode 17 juli 2006 tot en met 9 november 2006 geen ZW-uitkering betrof, maar een uitkering op grond van de Wazo.</para>
    <para />
    <para>2. De rechtbank heeft, voor zover hiervan belang het beroep tegen het besluit van 10 september 2008 ongegrond verklaard. Hiertoe heeft zij onder meer overwogen dat voormeld besluit van 11 juli 2008 in rechte onaantastbaar is geworden nu appellante in ieder geval tijdens de beroepsprocedure heeft kennis genomen van dit besluit en daartegen geen rechtsmiddel heeft aangewend en daardoor is komen vast te staan dat er geen sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Tevens heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv terecht het recht op ZW-uitkering van appellante over de periode van 9 februari 2007 tot en met 22 mei 2007 heeft herzien. Voorts heeft appellante naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt, dat zij in de perioden van 17 juli 2006 tot en met 9 november 2006 en 9 februari 2007 tot en met 22 mei 2007 daadwerkelijk arbeid in dienst van [werkgever] heeft verricht en is zij ten onrechte als werknemer voor de sociale verzekeringswetten aangemerkt. </para>
    <para />
    <para>3. Appellante heeft het oordeel van de rechtbank in hoger beroep bestreden. Zij heeft daartoe in essentie de in bezwaar en in beroep aangevoerde gronden herhaald en verwezen naar al hetgeen eerder door haar is aangevoerd. Voorts heeft appellante erop gewezen dat zij in de op de veronderstelde fraude gebaseerde strafzaak is vrijgesproken. Hieruit blijkt volgens appellante dat zij wel werkzaam was bij [werkgever].</para>
    <para />
    <para>4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.</para>
    <para />
    <para>4.1. De Raad stelt vast dat het bestreden besluit voor zover daarbij over de periode van 17 juli 2006 tot en met 9 november 2006 een Wazo-uitkering wordt geweigerd en teruggevorderd als een nieuw primair besluit moet worden aangemerkt. In overeenstemming met hetgeen partijen ter zitting van de Raad hebben verklaard, ziet de Raad evenwel - in navolging van de rechtbank - om reden van proceseconomie aanleiding om het bestreden besluit ook op voormeld onderdeel aan te merken als een besluit in de zin van artikel 6:18 van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.2. De Raad stelt voorop, onder verwijzing naar zijn uitspraak van 1 juli 2010, LJN BN0957, dat het bij besluiten tot intrekking en terugvordering van sociale zekerheidsuitkeringen als hier aan de orde gaat om belastende besluiten waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis omtrent de relevante feiten en omstandigheden te vergaren. Die last om informatie te vergaren brengt mee dat het Uwv in het voorliggende geval feiten moet aandragen aan de hand waarvan het aannemelijk is dat er in de relevante periode geen sprake was van een dienstbetrekking van appellant met </para>
      <para>[werkgever].</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4.3. Bij de vaststelling van de feiten die van belang zijn voor de beantwoording van de vraag of sprake is geweest van een dienstbetrekking, komt in beginsel een groot gewicht toe aan processen-verbaal met bevindingen van opsporingsambtenaren en verklaringen van betrokkenen die tegenover bevoegde opsporingsambtenaren zijn afgelegd en ondertekend. Indien op grond van de door het Uwv gepresenteerde feiten aannemelijk is dat de betrokkene ten tijde van belang geen dienstbetrekking in de zin van de sociale verzekeringswetten vervulde, dan ligt het op de weg van betrokkene de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk te maken.</para>
    <para />
    <para>4.4. Op basis van de voorhanden gedingstukken is de Raad, evenals de rechtbank van oordeel dat sprake is van een gefingeerd dienstverband met [werkgever]. Uit het proces-verbaal van verhoor blijkt dat appellante niets wist te vertellen over [werkgever] of waar het bedrijf gevestigd was. Wat betreft de adressen waar zij haar werkzaamheden zou hebben verricht, kon appellante zich slechts herinneren dat dit drie of vier verschillende adressen in Naaldwijk betrof. De namen van de inleners voor wie zij in opdracht van [werkgever] zou hebben gewerkt kon appellante niet geven. Evenmin kon zij zich namen van collega’s herinneren waarmee zij samengewerkt heeft. Appellante heeft verklaard dat zij zich ten gevolge van een zware bevalling niet alles meer over haar arbeidsverleden kon herinneren. De naam van de vrouwelijke collega met wie zij met de auto naar het werk reisde wenste zij niet te noemen. Wat betreft de overgelegde loonstroken geldt dat die niet overeenkomen met de periode van het door appellante gestelde dienstverband. Appellante heeft verklaard dat het dienstverband per 1 december 2006 is geëindigd. Volgens de overgelegde loonstroken heeft appellante ook over december 2006 salaris ontvangen. De directeur van [werkgever] heeft verklaard dat appellante alleen op papier voor [werkgever] heeft gewerkt zodat overuren van het andere personeel onder haar naam weggeboekt konden worden. De van de zijde van appellante ingebrachte getuigenverklaringen in beroep vormen geen aanleiding om de eerder afgelegde verklaringen voor onjuist te houden, nu in beginsel wordt uitgegaan van de juistheid van de eerder ten overstaan van de opsporingsambtenaren afgelegde verklaringen. Dat appellante zich door haar gezondheidstoestand feiten niet kon herinneren, is niet gebleken en kan evenmin tot een ander oordeel leiden.</para>
    <para />
    <para>4.5. Gelet op hetgeen onder 4.4 is overwogen, heeft het Uwv aannemelijk gemaakt dat appellante niet daadwerkelijk vanaf 25 april 2005 tot en met 1 december 2006 werkzaam is geweest in dienst van [werkgever] en over de door haar gestelde gewerkte periode loon heeft ontvangen.</para>
    <para />
    <para>4.6. Het Uwv heeft de Wazo- en de ZW-uitkeringen derhalve terecht herzien en teruggevorderd. Het oordeel in de strafzaak staat daaraan niet in de weg, nu daar een andere rechtsvraag aan de orde is.</para>
    <para />
    <para>4.7. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd, voor zover aangevochten. </para>
    <para />
    <para>5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para>III. BESLISSING </para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.</para>
    <para />
    <para>Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en N.J.E.G. Cremers als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2011.</para>
    <para>							</para>
    <para>(get.) Ch. van Voorst.</para>
    <para>							</para>
    <para>(get.) T.J. van der Torn.</para>
    <para />
    <para>NW</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>