<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2011:BQ4298</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-29T11:58:01</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BQ4298</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2011-05-04</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">09-6309 ZW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2011:BQ4298">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2011:BQ4298</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T08:10:19</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2011-05-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2011:BQ4298 Centrale Raad van Beroep , 04-05-2011 / 09-6309 ZW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2011:BQ4298:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Ziekmelding vanuit WW-uitkering. Niet meer ongeschikt voor ‘zijn arbeid’. Geen onzorgvuldig medisch onderzoek. De bva heeft heeft afdoende gemotiveerd dat appellant ten tijde in geding weer geschikt is te achten voor de laatstelijk in het kader van de WAO-beoordeling geduide functies.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2011:BQ4298:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>09/6309 ZW</para>
    <para />
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para />
    <para>Enkelvoudige kamer</para>
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para>op het hoger beroep van:</para>
    <para />
    <para>[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),</para>
    <para />
    <para>tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 11 november 2009, 09/1237 (hierna: aangevallen uitspraak),</para>
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>appellant </para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv). </para>
    <para />
    <para>Datum uitspraak: 4 mei 2011</para>
    <para> </para>
    <para>I. PROCESVERLOOP</para>
    <para />
    <para>Namens appellant heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, hoger beroep ingesteld. </para>
    <para> </para>
    <para>Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. </para>
    <para />
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 april 2011. Namens appellant is zijn gemachtigde mr. De Jonge verschenen. Namens het Uwv is verschenen mr. W.M.J. Evers. </para>
    <para />
    <para>II. OVERWEGINGEN</para>
    <para />
    <para>1.1. Appellant ontvangt met ingang van 19 februari 2004 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Op 31 augustus 2008 heeft appellant zich, vanuit de situatie dat hij een WW-uitkering ontving, ziek gemeld wegens hand/pols- en maagklachten en psychische klachten. </para>
    <para />
    <para>1.2. Appellant is op 4 december 2008 gezien op het spreekuur van verzekeringsarts A.S. Manbodh. Deze verzekeringsarts concludeert na weging van de beschikbare medische gegevens en op basis van zijn eigen onderzoek dat appellant geschikt is te achten voor de laatstelijk in het kader van de WAO geduide functies. Op basis hiervan heeft het Uwv bij besluit van 4 december 2008 aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van 5 december 2008 geen recht meer heeft op een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW). Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. </para>
    <para />
    <para>1.3. In de bezwaarfase is onderzoek verricht door bezwaarverzekeringsarts P. van de Merwe. Deze bezwaarverzekeringsarts heeft appellant onderzocht tijdens een spreekuur en heeft de door de huisarts bij brief van 2 februari 2009 verstrekte informatie bij zijn beoordeling betrokken. Na weging van de beschikbare medische gegevens heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapportage van 18 maart 2009 geconcludeerd dat de maagklachten van appellant adequaat behandeld zijn en geen structurele beperkingen voor het verrichten van arbeid opleveren. Aan de pijnklachten van de polsen/handen ligt mogelijk een ontsteking ten grondslag, zo blijkt uit de informatie van de huisarts. Dit is een aandoening die beperkingen geeft voor werk waarbij veelvuldig grote knijpkracht moet worden uitgeoefend. Dit is in de geduide functies niet aan de orde. De door appellant geclaimde psychische klachten zijn niet onderbouwd met medische gegevens. Ook uit de van de huisarts verkregen medische gegevens komt niet naar voren dat er bij appellant sprake is van substantiële psychische klachten. De bezwaarverzekeringsarts kan zich vinden in het oordeel van de verzekeringsarts dat appellant geschikt is te achten voor de in het kader van de WAO geduide functies. Bij besluit van 23 maart 2009 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 4 december 2008 ongegrond verklaard. </para>
    <para />
    <para>2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank - kort samengevat - overwogen dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest en de getrokken conclusie kan dragen dat appellant met ingang van 5 december 2008 geschikt is voor ten minste één van de in het kader van de WAO geduide functies. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat met de door appellant gestelde rug- en nekklachten bij het duiden van de functies in het kader van de WAO rekening is gehouden. Wat betreft de psychische klachten heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapportage van 18 maart 2009 gesteld dat de geduide functies niet mentaal belastend zijn, nu het eenvoudig ongeschoold productiewerk betreft, zonder een zeer grote werkdruk of overmatige stress. Met betrekking tot de door appellant overgelegde rapporten van instituut Psychosofia heeft de rechtbank overwogen dat deze geen argumenten bevatten die leiden tot de conclusie dat het onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts onvolledig, onzorgvuldig of anderszins onjuist is. </para>
    <para />
    <para>3. In hoger beroep is namens appellant onder meer aangevoerd dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig is geweest omdat geen informatie bij de psychiater of psycholoog is opgevraagd. Tevens heeft het Uwv de beperkingen van appellant ten gevolge van de toegenomen nek- en rugklachten en zijn psychische klachten onderschat.</para>
    <para />
    <para>4.1. De Raad overweegt als volgt.</para>
    <para />
    <para>4.2. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtsreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. </para>
    <para />
    <para>4.3. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad dient onder ‘zijn arbeid’ in voormelde zin te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt echter in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na het volbrengen van de voorgeschreven wachttijd, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de WAO. Van ongeschiktheid in de zin van de ZW is geen sprake indien de verzekerde geschikt is voor ten minste één van de functies die zijn geselecteerd bij de schatting in het kader van de WAO.</para>
    <para />
    <para>4.4.1. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het medisch onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsarts onzorgvuldig is geweest, dan wel dat de uitkomst daarvan onjuist zou zijn. Daartoe overweegt de Raad dat bezwaarverzekeringsarts Van de Merwe in zijn rapportage van 18 maart 2009 afdoende heeft gemotiveerd dat appellant ten tijde in geding weer geschikt is te achten voor de laatstelijk in het kader van de WAO-beoordeling geduide functies. Daarbij merkt de Raad op dat er geen verplichting is voor het Uwv om bij de beoordeling in het kader van de ZW opnieuw een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) op te stellen. Met betrekking tot de door appellant geclaimde psychische klachten kan de Raad zich vinden in het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die daartoe hebben geleid. Appellant heeft geen gronden aangevoerd dan wel medische gegevens overgelegd die aanleiding geven om te twijfelen aan dit oordeel. Ten aanzien van de pols/handklachten heeft bezwaarverzekeringsarts Van de Merwe in zijn rapportages van 18 maart 2009 en 23 juli 2009 afdoende gemotiveerd dat appellant, ook met inachtneming van deze klachten, niet ongeschikt is te achten voor de geduide functies van monteur/wikkelaar (sbc-code 267050) en elektronica monteur (sbc-code 267040). </para>
    <para />
    <para>4.4.2. De door appellant in hoger beroep overgelegde rapportage van 17 december 2009 van het Instituut Psychosofia werpt naar het oordeel van de Raad, mede gelet op de reactie van bezwaarverzekeringsarts Van de Merwe van 7 januari 2010, geen ander licht op de medische situatie van appellant op de datum in geding. De Raad verwijst in verband hiermee, evenals de rechtbank heeft gedaan, ten aanzien van de in beroep overgelegde rapportages van het Instituut Psychosofia naar zijn uitspraak van 13 juli 2005 (LJN AT9828). </para>
    <para />
    <para>4.5. Uit de overwegingen 4.2 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. </para>
    <para />
    <para>5. De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. </para>
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    <para />
    <para>Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2011.</para>
    <para>							</para>
    <para>(get.) Ch. van Voorst.</para>
    <para>							</para>
    <para>(get.) R.L. Venneman</para>
    <para />
    <para>NW</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>