<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2011:BP7995</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-27T14:48:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BP7995</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2011-03-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">10-3336 WIA-T</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2011:BP7995">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2011:BP7995</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T07:50:41</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2011-03-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2011:BP7995 Centrale Raad van Beroep , 16-03-2011 / 10-3336 WIA-T</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2011:BP7995:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Tussenuitspraak. Onvoldoende arbeidskundige grondslag bestreden besluit. Het Uwv dient de selectie van voor appellant geschikte functies te heroverwegen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is gesteld en te bezien welke consequenties dit heeft voor de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant op de datum in geding.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2011:BP7995:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>10/3336 WIA-T</para>
    <para />
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para />
    <para>Enkelvoudige kamer</para>
    <para />
    <para>T U S S E N U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para>op het hoger beroep van:</para>
    <para />
    <para>[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),</para>
    <para />
    <para>tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 4 mei 2010, 09/2205 (hierna: aangevallen uitspraak),</para>
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>appellant</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).</para>
    <para />
    <para>Datum uitspraak: 16 maart 2011</para>
    <para> </para>
    <para>I. PROCESVERLOOP</para>
    <para />
    <para>Namens appellant heeft mr. J.M.M. Brouwer, advocaat te Den Haag, hoger beroep ingesteld.</para>
    <para />
    <para>Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <para>Bij brief van 10 december 2010 heeft voormelde gemachtigde nadere stukken in het geding gebracht, waarop het Uwv bij brief van 22 december 2010 heeft gereageerd.</para>
    <para />
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 februari 2011. Namens appellant, die niet aanwezig was, heeft voormelde gemachtigde het woord gevoerd. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. W. de Rooij-Bal.</para>
    <para />
    <para>II. OVERWEGINGEN </para>
    <para />
    <para>1. Appellant, voorheen werkzaam als orderpikker, heeft zich op 17 juli 2006 ziek gemeld in verband met linkerknieklachten (later ook rechterschouderklachten). Bij besluit van 3 juli 2008 heeft het Uwv hem medegedeeld, dat voor hem na afloop van de wettelijke wachttijd per 22 juli 2008 geen recht op uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan, omdat de mate van diens arbeidsongeschiktheid moet worden gesteld op minder dan 35%. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat uit medisch en arbeidskundig onderzoek is gebleken, dat appellant weliswaar beperkingen ondervindt in verband met lichamelijke klachten – welke beperkingen zijn vastgelegd in een Functionele mogelijkhedenlijst (FML) –, maar dat hij met daaraan aangepaste arbeid een zodanig inkomen kan verdienen dat een verlies aan verdiencapaciteit van minder dan 35% resteert. Het namens appellant tegen het besluit van 3 juli 2008 gemaakte bezwaar is door het Uwv bij besluit van 18 februari 2009  (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard. </para>
    <para />
    <para>2. In het namens appellant ingestelde beroep tegen het bestreden besluit is met name aangevoerd, dat hij meer beperkingen ondervindt dan door het Uwv is aangenomen en dat hij deswege de geselecteerde functies niet kan uitoefenen.</para>
    <para />
    <para>3.1. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.1. In het namens appellant ingestelde hoger beroep is het eerder aangevoerde herhaald en is er met name op gewezen dat in de FML onder het item afwisseling van houding is opgenomen, dat afwisseling qua zitten, lopen en staan geïndiceerd is, terwijl de geduide functies geen of onvoldoende gelegenheid bieden tot vertreding. </para>
      <para>5.1. De Raad oordeelt als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5.2. De Raad volgt de stelling van appellant dat hij meer beperkt is dan door het Uwv is aangenomen niet. De verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts van het Uwv hebben appellant onderzocht. Laatstbedoelde arts, die beschikte over informatie van de behandelend orthopedisch chirurg van appellant, J.W.A. Swen, heeft in zijn rapport van 27 januari 2009 vastgesteld, dat er sprake is van voldoende beweeglijkheid aan de schouders, dat de knijpkracht ten aanzien van handen en armen voldoende is, terwijl er inderdaad knieproblemen zijn maar deze niet van dien aard zijn dat kniesparend werk niet mogelijk is. In de FML zijn een op zich niet gering aantal beperkingen opgenomen. De door appellant in het geding gebrachte informatie van de arts Swen voornoemd alsmede andere ingezonden medische gegevens zijn, naar het oordeel van de Raad, niet zodanig dat zij voldoende twijfel wekken aan de medische bevindingen van het Uwv.</para>
    <para />
    <para>5.3. Door de (bezwaar)arbeidsdeskundige zijn uiteindelijk drie functies aan de schatting ten grondslag gelegd, te weten de afbiester – ook wel: productiemedewerker textiel, geen kleding – (272043), de draadweefster (264122) en de elektronicamonteur (267040). Appellant heeft – als aangegeven – gesteld dat deze functies zijn belastbaarheid te boven gaan met name op het punt van afwisselen van houding. De bezwaararbeidsdeskundige J.M.H. Veugelaers heeft in zijn rapporten van 17 februari 2009 en 9 november 2009 de belastende aspecten van de genoemde functies – afgezien van die van afbiester die hierna aan de orde komt – in afdoende mate toegelicht. Hij heeft er onder andere op gewezen, dat daar waar tweehandig reiken voorkomt dit voor de niet beperkte schouder geen probleem hoeft op te leveren, terwijl de toestand van de wel beperkte schouder niet zodanig is dat reiken in het geheel niet mogelijk is (in overleg met de bezwaarverzekeringsarts heeft hij vastgesteld dat de frequentie van het reiken binnen toelaatbare grenzen blijft). Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor het aspect schroefbewegingen (schroefbewegingen zijn aan de linkerzijde niet beperkt en evenmin het hand- en vingergebruik). Ook het aspect afwisseling van houding levert gelet op bedoelde toelichtingen in genoemde functies geen grote problemen op. Dat ligt echter anders ten aanzien van de functie van afbiester. Door het Uwv is niet bestreden dat het hier om voornamelijk zittend werk gaat, waarbij in aanmerking moet worden genomen dat in de FML, als hiervoor aangegeven, afwisseling van statische en dynamische houdingen aangewezen wordt geacht. Blijkens het formulier resultaat functiebeoordeling van beide voorbeeldfuncties van de hier bedoelde functie wordt het zitten “zeer kort” onderbroken door het (staand) pakken van een dekbed of hoes. Uit de arbeidskundige rapporten blijkt dat het hier gaat om onderbrekingen van één, maximaal twee minuten. Weliswaar is door het Uwv gesteld dat een en ander toch voldoende recht doet aan de behoefte aan afwisseling omdat appellant tijdens het zitten de beperkte knie kan ontlasten door het been te strekken, maar de Raad acht dit een te ver gaande relativering van de belasting van de functie in relatie tot de belastbaarheid van appellant, zulks te meer nu het hier een apart te toetsen punt uit de FML betreft. Een zo korte onderbreking als hiervoor aangegeven, kan zonder nadere toelichting niet als reële recuperatie van het (langdurig) zitten worden aangemerkt. Uit het voorgaande volgt dat slechts twee in medisch opzicht geschikte functies aan de schatting ten grondslag liggen, zodat het bestreden besluit op een onvoldoende arbeidskundige grondslag berust.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.4. Uit hetgeen onder 5.1. tot en met 5.3. is overwogen volgt dat het bestreden besluit niet op een deugdelijke arbeidskundige grondslag berust. </para>
      <para>De Raad ziet in verband hiermee aanleiding het Uwv met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet op te dragen de gebreken in het bestreden besluit te herstellen. Het Uwv dient de selectie van voor appellant geschikte functies te heroverwegen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is gesteld en te bezien welke consequenties dit heeft voor de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant op de datum in geding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>Draagt het Uwv op om binnen zes weken na het verzenden van deze tussenuitspraak de gebreken in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.</para>
    <para />
    <para>Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2011.</para>
    <para>						</para>
    <para>(get.) J. Riphagen.</para>
    <para>						</para>
    <para>(get.) M.D.F. de Moor.</para>
    <para />
    <para>TM</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>