<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2010:BO9578</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-27T11:44:03</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BO9578</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2010-12-24</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">10-1578 WIA</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2010:BO9578">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2010:BO9578</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T07:26:58</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2011-01-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2010:BO9578 Centrale Raad van Beroep , 24-12-2010 / 10-1578 WIA</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2010:BO9578:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Appellant is terecht niet in aanmerking is gebracht voor een IVA-uitkering omdat hij weliswaar volledig maar niet duurzaam arbeidsongeschikt is.  Een verbetering van functionele mogelijkheden ingeval adequate therapie in combinatie met adequaat herstelgedrag wordt mogelijk geacht.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2010:BO9578:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>10/1578 WIA</para>
    <para />
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para />
    <para>Meervoudige kamer</para>
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para>op het hoger beroep van:</para>
    <para />
    <para>[Appellant] wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),</para>
    <para />
    <para>tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 4 februari 2010, 08/4372  (hierna: aangevallen uitspraak),</para>
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>appellant</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).</para>
    <para />
    <para>Datum uitspraak: 24 december 2010</para>
    <para> </para>
    <para>I. PROCESVERLOOP</para>
    <para />
    <para>Namens appellant heeft mr. M.H.G. in de Braekt, werkzaam bij Stichting Achmea Rechtsbijstand, gevestigd te Tilburg, hoger beroep ingesteld. </para>
    <para />
    <para>Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 november 2010. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door L. den Hartog.  </para>
    <para />
    <para>II. OVERWEGINGEN</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Appellant is op 11 mei 2005 in verband met rugklachten uitgevallen voor zijn werkzaamheden als operator boltmachine bij [naam bedrijf] voor 38 uur per week. Na het doorlopen van de wettelijke wachtperiode is vastgesteld dat voor appellant op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) met ingang van </para>
      <para>9 mei 2007 een recht is ontstaan op een WGA-uitkering naar de klasse 80 tot 100%. In bezwaar, beroep en hoger beroep is deze toekenning bevestigd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. In het kader van een professionele herbeoordeling heeft verzekeringsarts N.K.M. van der Plas op 3 juni 2008 een medisch onderzoek verricht. Mede uit de omstandigheid dat appellant in september 2008 met een chirurg zou gaan spreken over een aanvullende of andere behandeling heeft de verzekeringsarts afgeleid dat de functionele mogelijkheden van appellant mogelijk nog zouden toenemen en daarmee (nog) geen sprake was van een eindtoestand. Nadat Van der Plas de beperkingen van appellant had vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) heeft arbeidsdeskundige J.J. Wolthuis in de rapportage van 10 juli 2008 vastgesteld dat aan appellant onvoldoende theoretische arbeidsmogelijkheden konden worden voorgehouden. Aangezien er volgens het Uwv geen sprake was van volledig duurzame arbeidsongeschiktheid is appellant bij besluit van 22 juli 2008 meegedeeld dat geen aanleiding is gezien het eerder vastgestelde recht op WGA-uitkering te wijzigen. </para>
    <para />
    <para>3. In bezwaar heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat gezien het uitblijven van een verbetering van zijn medische situatie, sprake is van duurzame arbeidsbeperkingen en hij mitsdien in aanmerking had moeten worden gebracht voor een uitkering op grond van de Inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA). Bevestiging van dit standpunt ziet appellant in de overweging van de verzekeringsarts, die in zijn rapport van 3 juni 2008 melding maakt van een stabiele situatie, alsmede in de visie van arbeidsdeskundige Wolthuis die blijkens het rapport van 10 juli 2008 geen reële re-integratiemogelijkheden voor appellant ziet. Voorts heeft appellant erop gewezen, dat het Uwv ten onrechte een prognose heeft gegeven van de functionele mogelijkheden op lange termijn. Op grond van de interne richtlijn “Beoordeling van de duurzaamheid van arbeidsbeperkingen” zou volgens appellant beoordeeld moeten worden of een verbetering van de medische situatie verwacht mag worden binnen het eerste jaar na einde wachttijd. Nadat bezwaarverzekeringsarts J.M. Fokke in zijn rapport van 31 oktober 2008 de beoordeling door de verzekeringsarts heeft bevestigd, is het bezwaar bij besluit van 6 november 2008 (verder: bestreden besluit) ongegrond verklaard. </para>
    <para />
    <para>4. In beroep heeft appellant de eerdere gronden herhaald. Voorts heeft appellant een tegenstrijdigheid gezien in het standpunt van de verzekeringsarts waar deze enerzijds spreekt over een stabiele medische situatie en anderzijds verbetering hiervan niet uitgesloten acht. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant een verklaring van D. van Arkel, medisch adviseur bij Lechnerconsult, van 20 maart 2009 overgelegd. Tevens is informatie ingezonden van behandelend anesthesioloog M. Dingens van 26 januari 2009 en van de behandelende neurochirurg D.J. Zeilstra van 20 februari 2009. Uit deze informatie zou blijken dat er onvoldoende aanwijzingen zijn voor een meer dan geringe mate van herstel. Bezwaarverzekeringsarts A. Deitz heeft in zijn rapport van 15 mei 2009 het ingenomen standpunt gehandhaafd. Op 25 mei 2009 heeft bezwaarverzekeringsarts G.J.A. van Kasteren-van Delden nog op informatie van de anesthesioloog K.C.P. Vissers van 20 maart 2009 en een brief van Van Arkel van 8 april 2009 gereageerd. Ook een brief van Vissers van 3 maart 2009 is voor bezwaarverzekeringsarts Deitz blijkens het rapport van 23 november 2009 geen reden geweest het ingenomen standpunt te wijzigen. </para>
    <para />
    <para>5. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het standpunt van het Uwv dat geen sprake is van duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid onderschreven en heeft overwogen dat de door appellant in beroep ingebrachte medische informatie geen aanleiding geeft anders te oordelen. </para>
    <para />
    <para>6. In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt dat sprake is van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid op eerder aangevoerde gronden herhaald. </para>
    <para />
    <para>7.1. De Raad oordeelt als volgt.</para>
    <para />
    <para>7.2. Op grond van artikel 47 van de Wet WIA ontstaat recht op een IVA-uitkering voor de verzekerde die ziek wordt indien hij na het doorlopen van de wachttijd volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en op hem geen uitsluitingsgrond van toepassing is. Artikel 4, tweede lid, van de Wet WIA bepaalt dat onder duurzaam wordt verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie, dan wel, aldus het derde lid, een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat. Het Uwv heeft ter zake de interne richtlijn “Beoordeling van de duurzaamheid van arbeidsbeperkingen. Beoordelingskader voor verzekeringsartsen” ontwikkeld waarin is beschreven dat onder duurzaam de situatie wordt verstaan dat verbetering van de belastbaarheid is uitgesloten, dan wel niet of nauwelijks te verwachten is. </para>
    <para />
    <para>7.3. De Raad ziet zich gesteld voor de vraag of de rechtbank op goede gronden tot de conclusie is gekomen dat appellant niet in aanmerking is gebracht voor een IVA-uitkering omdat hij weliswaar volledig maar niet duurzaam arbeidsongeschikt is. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt. </para>
    <para />
    <para>7.4. Het gaat bij deze beoordeling om een inschatting door de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar en daarna. Zoals de Raad eerder heeft overwogen, onder meer in de uitspraak van 1 oktober 2010, LJN BN9226 is het, indien een verzekerde in beroep komt tegen een besluit waarbij op basis van een rapportage van de bezwaarverzekeringsarts is vastgesteld dat geen sprake is van duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid, aan de verzekerde om zijn standpunt dat de prognose van de bezwaarverzekeringsarts niet deugdelijk was voldoende te onderbouwen. Daartoe zal doorgaans medische informatie worden overgelegd. De bestuursrechter zal deze informatie bij zijn beoordeling van de juistheid van het genomen besluit betrekken voor zover deze betrekking heeft op de datum die in geding is. De vraag die voorligt is derhalve of met inachtneming van de overgelegde gegevens met betrekking tot de medische situatie op de datum in geding, de verwachting die de behandelende artsen hadden van een ingezette behandeling dan wel de redenen voor het achterwege laten van een behandeling, het oordeel over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in stand kan blijven. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>7.5. Appellant heeft ter onderbouwing van zijn standpunt diverse medische rapportages in geding gebracht. De Raad is van oordeel dat deze informatie geen reden geeft de beoordeling van de prognose van de functionele mogelijkheden van appellant door de (bezwaar)verzekeringsarts voor onjuist te houden. De Raad tekent daarbij aan dat blijkens de door appellant ingestuurde brief van neurochirurg Zeilstra deze de mening is toegedaan dat de prognose mede afhankelijk is van de manier waarop appellant met zijn klachten om zal gaan. In diens brieven van 13 april 2007 en 14 september 2007 werd een verbeterd beeld gezien. Dit ligt in lijn met de informatie van de anesthesiologen Dingens en Vissers, eveneens door appellant in geding gebracht. Dingens ziet blijkens haar brief van 26 januari 2009 nog behandelmogelijkheden en spreekt over een goede indicatie voor revalidatietherapie. Een verbetering van functionele mogelijkheden ingeval adequate therapie in combinatie met adequaat herstelgedrag wordt mogelijk geacht. Ook anesthesioloog Vissers ziet nog mogelijkheden voor behandeling. In zijn brief van 3 maart 2009 heeft hij de huisarts geadviseerd appellant terug te verwijzen naar de neurochirurg om een onderliggende causaliteit die nog behandelbaar is, uit te sluiten. De Raad is van oordeel dat uit de door appellant overgelegde gegevens niet blijkt dat er geen behandelmogelijkheden meer waren en ziet mitsdien geen aanleiding de conclusie van de bezwaarverzekeringsartsen zoals verwoord in de rapportages van 15 mei 2009 en </para>
      <para>23 november 2009 niet te volgen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>7.6. De Raad is dan ook van oordeel dat de (bezwaar)verzekeringsarts terecht de prognose heeft gegeven dat geen sprake is van duurzame arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van de Wet WIA. Appellant is dan ook terecht niet voor een IVA-, maar voor een ongewijzigde voortzetting van de WGA-uitkering in aanmerking gebracht. Ook overigens heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om de beoordeling van het Uwv inzake de belastbaarheid van appellant niet te volgen. </para>
    <para />
    <para>7.7. Uit het onder 7.2 tot en met 7.6 overwogene volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. </para>
    <para />
    <para>8. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak. </para>
    <para />
    <para>Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en P.J. Stolk als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 december 2010.</para>
    <para>	</para>
    <para>(get.) J.W. Schuttel.</para>
    <para />
    <para>(get.) M.A. van Amerongen.</para>
    <para />
    <para>NK</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>