<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2010:BO9349</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T10:16:29</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BO9349</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2010-12-28</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">10-4969 WWB</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=2:3&amp;g=2010-12-28">Algemene wet bestuursrecht 2:3</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0015703&amp;artikel=40&amp;g=2010-12-28">Wet werk en bijstand 40</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 2011/66</rdf:li>
          <rdf:li>JWWB 2011/62</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 2011/36</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2010:BO9349">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2010:BO9349</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T07:26:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2010-12-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2010:BO9349 Centrale Raad van Beroep , 28-12-2010 / 10-4969 WWB</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2010:BO9349:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Geen doorzendplicht naar centrumgemeente voor adreslozen als feitelijke verblijfplaats niet bekend is.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2010:BO9349:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>10/4969 WWB</para>
      <para>10/5103 WWB-VV</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para />
    <para />
    <para>Voorzieningenrechter</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para>als bedoeld in de artikelen 8:84, tweede lid, en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet naar aanleiding van de verzoeken om voorlopige voorziening van:</para>
    <para />
    <para />
    <para>[verzoeker], (hierna: verzoeker),</para>
    <para />
    <para>in verband met het hoger beroep van:</para>
    <para />
    <para>verzoeker</para>
    <para />
    <para>tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage van 22 juli 2010, 10/4152 en 10/4151, (hierna: aangevallen uitspraak),</para>
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>verzoeker</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zoetermeer (hierna: het College)</para>
    <para />
    <para />
    <para>Datum uitspraak: 28 december 2010</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. PROCESVERLOOP</para>
    <para />
    <para>Namens verzoeker heeft mr. K.R. Verkaart, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.</para>
    <para />
    <para>Namens verzoeker heeft mr. K.R. Verkaart eveneens een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.</para>
    <para />
    <para>De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 16 november 2010, waar partijen, zoals vooraf bericht, niet zijn verschenen.</para>
    <para />
    <para />
    <para>II. OVERWEGINGEN</para>
    <para />
    <para>1.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.</para>
    <para />
    <para>1.2. Ingevolge artikel 8:86 van de Awb en artikel 21 van de Beroepswet kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.</para>
    <para />
    <para>1.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak en dat ook overigens geen sprake is van beletselen om tevens onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.</para>
    <para />
    <para>2. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.</para>
    <para />
    <para>2.1. Verzoeker is een meerderjarige vreemdeling van gestelde Chinese nationaliteit. Hij is niet eerder in Nederland toegelaten en heeft op 14 september 2009 een verzoek ingediend om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 onder de beperking “verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken”. Verzoeker stelt in verband met het ontbreken van identiteitsbewijzen en/of reisdocumenten vooralsnog niet naar China terug te kunnen keren, omdat hij daar zonder geldige reispapieren niet wordt toegelaten.</para>
    <para />
    <para>2.2. Mr. Verkaart heeft bij brief van 16 oktober 2009 aan de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Zoetermeer namens verzoeker een aanvraag gedaan om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).</para>
    <para />
    <para>2.3. Bij besluit van 2 december 2009 heeft het College die aanvraag afgewezen.</para>
    <para />
    <para>2.4. Bij besluit van 4 mei 2010 heeft het College de bezwaren tegen het besluit van 2 december 2009 ongegrond verklaard. Dit besluit berust primair op het standpunt van het College dat verzoeker niet zijn woonplaats heeft in de gemeente Zoetermeer en dat van hem ook geen andere woonplaats bekend is.</para>
    <para />
    <para>3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank (hierna: de rechtbank) het beroep tegen het besluit van 4 mei 2010 ongegrond verklaard en het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb afgewezen.</para>
    <para />
    <para>4. Verzoeker heeft zich gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd, voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 4 mei 2010 ongegrond is verklaard.</para>
    <para />
    <para>5. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.</para>
    <para />
    <para>5.1. De voorzieningenrechter stelt eerst vast dat hier ter beoordeling voorligt de periode van 16 oktober 2009, de datum van de aanvraag, tot en met 2 december 2009, de datum waarop het primaire besluit is genomen. Voor de van belang zijnde artikelen van de WWB en de daarop gebaseerde regelingen verwijst hij naar de aangevallen uitspraak.</para>
    <para />
    <para>5.2. Verzoeker heeft zijn hoger beroep beperkt tot het betoog dat het College de uit artikel 2:3, eerste lid, van de Awb voortvloeiende doorzendplicht heeft geschonden. In dit verband heeft verzoeker gewezen op het Besluit WWB 2007. In dat besluit zijn zogenoemde centrumgemeenten aangewezen waar belanghebbenden zonder adres zich voor het verlenen van bijstand kunnen melden. Volgens verzoeker heeft het College verzuimd de aanvraag van verzoeker door te zenden naar één van die centrumgemeenten. De rechtbank heeft dit volgens verzoeker miskend.</para>
    <para />
    <para>5.3. De voorzieningenrechter kan zich echter verenigen met het in de aangevallen uitspraak vervatte oordeel van de rechtbank op dit punt. Hij overweegt daartoe nog het volgende.</para>
    <para />
    <para>5.4. Ingevolge artikel 2:3, eerste lid, van de Awb zendt het bestuursorgaan geschriften tot behandeling waarvan kennelijk een ander bestuursorgaan bevoegd is, onverwijld door naar dat orgaan, onder gelijktijdige mededeling daarvan aan de afzender. Verzoeker heeft gesteld dat hij als een adresloze moet worden aangemerkt. Daarom heeft hij de aanvraag gedaan onder opgave van een postadres te Zoetermeer. Nu verzoeker echter niet zijn feitelijke verblijfplaats aan het College bekend heeft gemaakt, was het College niet in staat te beoordelen welk bestuursorgaan kennelijk bevoegd was de aanvraag van verzoeker in behandeling te nemen. Daarom kon naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet van het College verlangd worden de aanvraag door te zenden. De Raad wijst er nog op dat het College verzoeker niettemin heeft gewezen op de mogelijkheid een aanvraag in te dienen bij één van de centrumgemeenten. Daarom faalt het betoog van verzoeker.</para>
    <para />
    <para>5.5. Het hoger beroep treft geen doel, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.</para>
    <para />
    <para>5.6. Onder deze omstandigheden is geen grond aanwezig voor het treffen van een voorlopige voorziening.</para>
    <para />
    <para>6. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de voorzieningenrechter evenmin aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>in de hoofdzaak:</para>
    <para />
    <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.</para>
    <para />
    <para>op het verzoek om een voorlopige voorziening:</para>
    <para />
    <para>Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af.</para>
    <para />
    <para />
    <para>Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 december 2010.</para>
    <para />
    <para />
    <para>(get.) O.L.H.W.I. Korte.</para>
    <para />
    <para>(get.) N.M. van Gorkum.</para>
    <para />
    <para>IJ</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>