<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2010:BO9341</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-27T11:40:25</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BO9341</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2010-12-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">10-137 WUBO</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2010:BO9341">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2010:BO9341</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T07:26:25</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2010-12-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2010:BO9341 Centrale Raad van Beroep , 16-12-2010 / 10-137 WUBO</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2010:BO9341:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Afwijzing aanvraag om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer en om toekenning van een Wubo-uitkering. De verklaringen geven in de loop van de tijd een wisselend beeld, zodat niet voldoende duidelijk is geworden onder welke omstandigheden de vlucht uit het ouderlijk huis heeft plaatsgevonden. Niet gebleken dat appellant zelf bij de vlucht betrokken is geweest. Ongegrondverklaring beroep.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2010:BO9341:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>10/137 WUBO</para>
    <para />
    <para />
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para />
    <para />
    <para>Meervoudige kamer</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>[appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)</para>
    <para />
    <para />
    <para>Datum uitspraak: 16 december 2010</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. PROCESVERLOOP</para>
    <para />
    <para>Appellant heeft beroep ingesteld tegen een besluit van verweerster van 18 november 2009, kenmerk BZ 9220, JZ/T60/2009 (hierna: bestreden besluit). Het bestreden besluit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).</para>
    <para />
    <para>Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 november 2010. Appellant is niet verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.</para>
    <para />
    <para />
    <para>II. OVERWEGINGEN</para>
    <para />
    <para>1.1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.</para>
    <para />
    <para>1.2. Appellant, geboren in 1940 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in augustus 2008 bij verweerster een aanvraag ingediend om erkend te worden als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo en onder meer verzocht om toekenning van een periodieke uitkering.</para>
    <para />
    <para>1.3. Bij besluit van 28 oktober 2008 heeft verweerster de aanvraag van appellant afgewezen op de grond dat niet was komen vast te staan dat hij tijdens de Bersiap-periode gebeurtenissen heeft meegemaakt die onder de werking van de Wubo kunnen worden gebracht. Verweerster heeft in dat besluit het volgende overwogen. Niet is komen vast te staan dat het huis waarin appellant woonde in brand is gestoken in het kader van ongeregeldheden tijdens de Bersiap-periode. Verder is niet komen vast te staan dat de vlucht naar Semarang tijdens de Bersiap-periode vanuit een levensbedreigende situatie dan wel onder levensbedreigende omstandigheden heeft plaatsgevonden. Ten slotte is van het meemaken van een nachtelijke beschieting in Djatingaleh tijdens de Bersiap-periode geen bevestiging gekregen. Tegen het besluit van 28 oktober 2008 heeft appellant geen bezwaar gemaakt.</para>
    <para />
    <para>1.4. In april 2009 heeft appellant verweerster verzocht het besluit van 28 oktober 2008 te herzien. Hij heeft hierbij getuigenverklaringen van zijn broer, zijn zus en van K. [R.] overgelegd. Bij besluit van 8 juli 2009 heeft verweerster de aanvraag van appellant afgewezen. Daartoe heeft verweerster overwogen dat de getuigen de brandstichting van de ouderlijke woning en appellants vlucht naar Semarang bevestigen. Echter, uit de getuigenverklaringen blijkt volgens verweerster onvoldoende dat de woning in het kader van de ongeregeldheden tijdens de Bersiap-periode in brand is gestoken. Ook blijft verweerster van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de vlucht naar Semarang heeft plaatsgevonden vanuit een levensbedreigende situatie of onder levensbedreigende omstandigheden. </para>
    <para />
    <para>1.5. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 8 juli 2009. Hij heeft in bezwaar nieuwe verklaringen overgelegd van zijn broer, zijn zus en K. [R.]. Bovendien heeft appellant een verklaring overgelegd van P.A. [K.]. Bij het bestreden besluit heeft verweerster het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Daartoe heeft verweerster overwogen dat de getuigenverklaringen geen nieuwe inzichten bieden op grond waarvan een ander besluit te rechtvaardigen valt.</para>
    <para />
    <para>2. In zijn beroepschrift heeft appellant weergegeven dat hij zich in de kou voelt staan; hij wordt niet geloofd terwijl het ware feiten zijn. Verder heeft appellant aangegeven met welke klachten hij leeft.</para>
    <para> </para>
    <para>3. Verweerster heeft gemotiveerd verweer gevoerd.</para>
    <para />
    <para>4. De Raad overweegt het volgende.</para>
    <para> </para>
    <parablock>
      <para>4.1. Appellant heeft aan verweerster gevraagd om van het eerdere afwijzende besluit van 28 oktober 2008 terug te komen. Op grond van artikel 61, derde lid, van de Wubo is verweerster bevoegd om een besluit in het voordeel van de betrokkene te herzien.</para>
      <para>De vraag die in deze situatie moet worden beantwoord, is of appellant feiten en omstandigheden in het geding heeft gebracht die aan verweerster bij het nemen van haar eerdere besluit van 28 oktober 2008 niet bekend waren en dat besluit in een zodanig nieuw licht plaatsen dat verweerster daarin aanleiding had moeten vinden om tot herziening over te gaan. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4.2. De Raad is van oordeel dat niet is gebleken van feiten en omstandigheden waarin verweerster aanleiding had moeten zien het eerdere besluit van 28 oktober 2008 te herzien. De verklaringen die in verschillende fasen zijn ingediend, bieden namelijk niet een voldoende inzichtelijk beeld van de door appellant genoemde gebeurtenissen in de Bersiap-periode. </para>
    <para />
    <para>4.3. Niet is voldoende duidelijk geworden onder welke omstandigheden en door wie het ouderlijk huis in brand is gestoken. De overgelegde verklaringen geven hierover een wisselend beeld. In de bij de aanvraag van april 2009 gevoegde verklaring van de broer lijkt de brandstichting te worden geplaatst in de tijd van de Japanse bezetting. Hij verklaart namelijk dat vader na de brandstichting is weggevlucht, zowel voor de Japanners als voor de Indonesische familie van moeder. In de sociale rapporten van de broer en zus spreken zij niet over een brandstichting. Eerst in de verklaringen die in bezwaar zijn overgelegd, hebben de broer en zus expliciet vermeld dat het huis door permoeda’s in brand is gestoken. De Raad is niet kunnen blijken dat K. [R.] bij een brandstichting aanwezig is geweest.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.4. Ook over de vlucht naar Semarang zijn de verklaringen wisselend. In het sociaal rapport van de broer vermeldt hij dat vader in 1946 was gevlucht naar Semarang en dat hij vandaar heimelijk zijn gezin bezocht. Toen vader zag dat zijn gezin in gevaar was heeft hij hen enige tijd later opgehaald. Dat stemt overeen met het sociaal rapport van de zus. Hetzelfde beeld rijst op uit de bij de aanvraag overgelegde verklaringen van de broer en zus. Uit deze verklaringen blijkt niet van een levensbedreigende situatie van waaruit of levensbedreigende omstandigheden waaronder de vlucht heeft plaatsgevonden. Eerder lijkt op grond van die verklaringen sprake te zijn geweest van een vlucht uit angst voor te verwachten ongeregeldheden, hetgeen niet valt onder de werking van de Wubo.</para>
      <para>Pas voor het eerst in de verklaringen die appellant in bezwaar heeft overgelegd, vertellen de broer en zus over een levensbedreigende situatie en levensbedreigende omstandigheden. Zij verklaren dan dat het ouderlijke huis door permoeda’s werd beschoten en dat de kogels door het huis vlogen, dat het gezin onder beschietingen het huis uit vluchtte, waarna het huis in brand werd gestoken. Ook hiervoor geldt dat de verklaringen in de loop van de tijd een wisselend beeld geven, zodat niet voldoende duidelijk is geworden onder welke omstandigheden de vlucht uit het ouderlijk huis heeft plaatsgevonden. Ook de verklaring van K. [R.] biedt hierin geen inzicht. Niet blijkt namelijk dat hij zelf bij de vlucht betrokken is geweest. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4.5. De verklaring van P.A. [K.] is algemeen van aard en biedt daarom niet de nodige duidelijkheid over de door appellant genoemde gebeurtenissen.</para>
    <para />
    <para>4.6. De Raad acht het voorstelbaar dat het na een zodanig lange periode niet goed mogelijk meer is om een eenduidige weergave te geven van wat is gebeurd. Zeker in de omstandigheid waarin gebeurtenissen plaatsvonden op jeugdige leeftijd. Aan de andere kant moet er sprake zijn van een duidelijker en eenduidiger beeld om gebeurtenissen als bedoeld in de Wubo voldoende aannemelijk te achten.</para>
    <para />
    <para>4.7. Het beroep moet dus ongegrond worden verklaard.</para>
    <para />
    <para>5. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.</para>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep; </para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>Verklaart het beroep ongegrond.</para>
    <para />
    <para>Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en A.J. Schaap als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 december 2010.</para>
    <para />
    <para />
    <para>(get.) A. Beuker-Tilstra.</para>
    <para />
    <para />
    <para>(get.) I. Mos.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>	</para>
    <para>IJ</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>