<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2010:BO7266</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-27T10:55:25</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BO7266</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2010-12-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">09-5886 AKW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2010:BO7266">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2010:BO7266</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T07:21:41</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2010-12-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2010:BO7266 Centrale Raad van Beroep , 10-12-2010 / 09-5886 AKW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2010:BO7266:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Ingangsdatum toekenning recht op kinderbijslag. Bijzonder geval. In dit geval rust op appellante niet de verplichting de Svb over verschillende ontwikkelingen met betrekking tot de aanvraag om (of de procedure over) een verblijfsvergunning te informeren, aangezien slechts de definitieve toekenning van die uitkering relevant is voor de eventuele verzekering ingevolge de AKW. Appellante heeft kort na de toekenning van de vergunning tot verblijf eind juli 2008 (opnieuw) een aanvraag om kinderbijslag ingediend.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2010:BO7266:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>09/5886 AKW</para>
    <para />
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para />
    <para>Enkelvoudige kamer</para>
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para>op het hoger beroep van:</para>
    <para />
    <para>[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),</para>
    <para />
    <para>tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 16 september 2009, 08/6139 (hierna: aangevallen uitspraak),</para>
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>appellante</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).</para>
    <para />
    <para>Datum uitspraak: 10 december 2010</para>
    <para> </para>
    <para>I. PROCESVERLOOP</para>
    <para />
    <para>Namens appellante heeft mr. M.S. Yap, advocaat te Bergen op Zoom, hoger beroep ingesteld. </para>
    <para />
    <para>De Svb heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 november 2010. Appellante is met voorafgaand bericht niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K. Verbeek.</para>
    <para />
    <para>II. OVERWEGINGEN</para>
    <para />
    <para>1.1. Appellante is in 1996 vanuit Marokko naar Nederland gekomen. Aan appellante is met ingang van 14 juli 1998 tot 14 juli 2000 een vergunning tot verblijf verleend, met als doel “verblijf bij echtgenoot”. In februari 2000 is het huwelijk tussen appellante en haar echtgenoot feitelijk verbroken. Appellante heeft, blijkens een beschikking van de IND van 26 juni 2008, op 18 april 2000 een vergunning tot verblijf aangevraagd met als doel “klemmende redenen van humanitaire aard”. Op 27 juli 2005 is deze aanvraag definitief afgewezen. Op 26 oktober 2005 heeft appellante een vergunning tot verblijf aangevraagd voor verblijf bij haar minderjarige dochter. Bij de hiervoor genoemde beschikking van de IND is aan appellante met terugwerkende kracht tot 18 juli 2006 de verzochte vergunning tot verblijf verleend.</para>
    <para />
    <para>1.2. De Svb heeft appellante tot en met het derde kwartaal van 2005 kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) toegekend. Bij besluit van 11 oktober 2005 is aan appellante met ingang van het vierde kwartaal van 2005 kinderbijslag geweigerd, omdat appellante op grond van haar verblijfsstatus niet langer verzekerd is voor de AKW. Dat besluit is in rechte komen vast te staan. </para>
    <para />
    <para>1.3. Op 13 december 2005 heeft appellante een bezoek gebracht aan het loket van de Svb. Volgens het daartoe opgestelde rapport klantcontact heeft appellante de Svb in dat gesprek medegedeeld dat zij in procedure was ter verkrijging van een verblijfsvergunning en dat zij hiervan een sticker in haar paspoort heeft. Op 21 december 2005 heeft de Svb inlichtingen ingewonnen bij de gemeentelijke basisadministratie. Hieruit blijkt dat appellante sinds 26 oktober 2005 in procedure was voor een verblijfsvergunning.</para>
    <para />
    <para>1.4. De Svb heeft het rapport klantcontact aangemerkt als een verzoek om terug te komen van het besluit van 11 oktober 2005. Bij besluit van 21 februari 2006 is het verzoek om herziening afgewezen, op de grond dat er geen sprake was van nieuwe feiten of omstandigheden. Ook dat besluit is in rechte komen vast te staan.</para>
    <para />
    <para>1.5. Appellante heeft een maand na de beschikking van de IND in juli 2008 kinderbijslag aangevraagd. Appellante heeft daarbij gevoegd de beschikking van de IND, waarbij aan haar met ingang van 18 juli 2006 een vergunning tot verblijf is verleend. </para>
    <para />
    <para>1.6. Bij besluit van 28 augustus 2008 heeft de Svb aan appellante kinderbijslag toegekend met ingang van het derde kwartaal van 2007. Daarbij is opgemerkt dat het recht op kinderbijslag met de maximale terugwerkende kracht van één jaar aan appellante is toegekend.</para>
    <para />
    <para>1.7. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar aangetekend wat betreft de ingangsdatum van de toegekende kinderbijslag. Aangevoerd is dat appellante door het verlenen van de verblijfsvergunning alsnog met terugwerkende kracht verzekerd is voor de AKW. Verder is gesteld dat appellante voortdurend in procedure is geweest en zij hierdoor niet eerder een aanvraag om kinderbijslag heeft kunnen indienen. </para>
    <para />
    <para>1.8. Bij besluit op bezwaar van 21 november 2008 (hierna: bestreden besluit) is het bezwaar ongegrond verklaard. Opgemerkt wordt dat toekenning van kinderbijslag met een terugwerkende kracht van meer dan één jaar alleen mogelijk is indien er sprake is van een bijzonder geval én van hardheid. Overwogen is dat appellante haar belangen niet voldoende heeft veiliggesteld. Zij heeft na het besluit van 21 februari 2006 ruim twee jaar gewacht om contact met de Svb op te nemen. Ook had het op haar weg gelegen om destijds aan te geven dat de Svb de aanvraag om kinderbijslag had moeten aanhouden, totdat er op de aanvraag om een verblijfsvergunning was beslist. Er is daarom geen sprake van een bijzonder geval. </para>
    <para />
    <para>2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.</para>
    <para />
    <para>3. Appellante heeft in hoger beroep het in bezwaar naar voren gebracht standpunt herhaald. Aangevoerd is verder dat appellante gedurende de periode dat zij in procedure was meermaals bij de Svb is langs geweest om te informeren naar haar aanspraak op kinderbijslag, maar zij gelet op het ontbreken van een geldige verblijfstitel hierop geen recht had. Tot slot is betoogd dat sprake is van een bijzonder geval, omdat appellante afhankelijk was van de trage besluitvorming van de IND.</para>
    <para />
    <para>4.1. De Raad overweegt het volgende.</para>
    <para />
    <para>4.2. Tussen partijen is in hoger beroep in geschil of de Svb terecht eerst met ingang van het derde kwartaal van 2007 kinderbijslag aan appellante heeft toegekend. </para>
    <para />
    <para>4.3. De Svb heeft bij het bestreden besluit de toekenning van kinderbijslag vanaf het derde kwartaal van 2007 gebaseerd op artikel 14, derde lid, van de AKW. Ingevolge dit artikellid kan het recht op kinderbijslag niet worden vastgesteld over tijdvakken gelegen voor één jaar voorafgaande aan de eerste dag van het kalenderkwartaal waarin de aanvraag om kinderbijslag is ingediend. In de tweede volzin van dat artikel is voorts bepaald dat de Svb in bijzondere gevallen bevoegd is af te wijken van het bepaalde in de eerste volzin. Nu de Svb aan appellante kinderbijslag heeft toegekend over het jaar voorafgaande aan de aanvraag om kinderbijslag, spitst het geschil tussen partijen zich toe op de vraag of de Svb terecht heeft besloten dat er geen sprake is van een bijzonder geval als hiervoor bedoeld.</para>
    <para />
    <para>4.4. In gevallen als het onderhavige, geeft de Svb aan het begrip bijzonder geval invulling door een dergelijk geval aan te nemen wanneer een betrokkene zijn aanspraak op kinderbijslag al eerder op enigerlei wijze heeft veiliggesteld. Van ‘veiligstellen’ is volgens de Svb sprake als vóor het tijdstip van toekenning van de verblijfsvergunning een aanvraag is ingediend en betrokkene voldoende moeite heeft gedaan de Svb in het kader van de aanvraag, of van een eventuele bezwaar of beroepsprocedure, te informeren over de mogelijke toekomstige aanspraak op een verblijfsvergunning. Indien er sprake is van een bijzonder geval maakt de Svb alleen gebruik van haar bevoegdheid als het van hardheid zou getuigen, de terugwerkende kracht tot 1 jaar te beperken.</para>
    <para />
    <para>4.5. De Raad stelt vast dat uit het hiervoor genoemde klantrapport van 13 december 2005 blijkt dat appellante kinderbijslag heeft aangevraagd en dat zij de Svb daarbij heeft geïnformeerd dat zij in procedure was ter verkrijging van een verblijfsvergunning. Appellante heeft naar het oordeel van de Raad de Svb door middel van dat klantrapport in voldoende mate geïnformeerd over haar mogelijke aanspraak op een verblijfsvergunning. Verder is niet gebleken dat de Svb naar aanleiding van deze gegevens, anders dan de informatie bij de gemeente, nadere inlichtingen heeft ingewonnen omtrent deze mogelijke aanspraak. De Raad is van oordeel dat in deze situatie van appellante redelijkerwijs niet verlangd kon worden meer te doen jegens de Svb, aangezien nog onduidelijkheid bestond over haar aanspraak op een verblijfsvergunning. De Svb heeft op grond van de toentertijd bekende gegevens destijds weliswaar een juiste beslissing genomen over de aanspraak van appellante op kinderbijslag, maar na de kennisneming van het klantrapport van 13 december 2005 had het de Svb duidelijk kunnen zijn dat het risico bestond dat achteraf zou kunnen blijken dat appellante wel verzekerd was geweest ingevolge de AKW. Anders dan namens de Svb ter zitting is betoogd, is de Raad - onder verwijzing naar CRvB 17 januari 2003, LJN AF4647 - van oordeel dat op appellante in dit geval niet de verplichting rust de Svb over verschillende ontwikkelingen met betrekking tot de aanvraag om (of de procedure over) een verblijfsvergunning te informeren, aangezien slechts de definitieve toekenning van die uitkering relevant is voor de eventuele verzekering ingevolge de AKW. De Raad acht verder relevant dat appellante kort na de toekenning van de vergunning tot verblijf eind juli 2008 (opnieuw) een aanvraag om kinderbijslag heeft ingediend. </para>
    <para />
    <para> 4.6. Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de slotsom dat de Svb ten onrechte heeft aangenomen dat in dit geval geen sprake is van een bijzonder geval. De aangevallen uitspraak en het bestreden besluit kunnen derhalve niet in stand blijven. De Svb zal met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen een nieuw besluit op bezwaar dienen te nemen.</para>
    <para />
    <para>5. De Raad ziet aanleiding de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in bezwaar, op € 644,- voor rechtsbijstand in beroep en op € 322,- voor rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.610,-.</para>
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep;</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak;</para>
      <para>Verklaart het beroep gegrond;</para>
      <para>Vernietigt het besluit op bezwaar van 21 november 2008;</para>
      <para>Bepaalt dat de Svb een nieuw besluit neemt op het bezwaar van appellante met inachtneming van het geen hiervoor is overwogen;</para>
      <para>Veroordeelt de Svb in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.288,- in bezwaar en in beroep, en tot een bedrag van € 322,- in hoger beroep, in totaal € 1.610,- te voldoen aan de griffier van de Raad;</para>
      <para>Bepaalt dat de Svb het door appellante in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 149,- vergoedt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon. De beslissing is, in tegenwoordigheid van </para>
      <para>R.L. Rijnen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 december 2010.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>(get.) H.J. Simon.</para>
    <para />
    <para />
    <para>(get.) R.L. Rijnen.</para>
    <para />
    <para />
    <para>Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH  ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip kring van verzekerden.</para>
    <para />
    <para>EK</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>