<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2010:BO7260</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-27T10:55:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BO7260</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2010-12-08</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">09-886 WAO-T</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2010:BO7260">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2010:BO7260</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T07:21:40</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2010-12-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2010:BO7260 Centrale Raad van Beroep , 08-12-2010 / 09-886 WAO-T</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2010:BO7260:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Tussenuitspraak. De Raad volgt dan ook het oordeel van de deskundige. Genoegzaam is komen vast te staan dat de beperkingen van appellant voor het verrichten van arbeid in de FML van 10 juli 2007 onjuist zijn vastgesteld en dat appellant niet in staat is de hem voorgehouden functies te vervullen. In het bijzonder doet zich niet de situatie voor dat uit de reactie van de deskundige Trompenaars op het andersluidende oordeel van de bezwaarverzekeringsarts blijkt dat de deskundige zijn eigen oordeel niet serieus heeft heroverwogen. De Raad concludeert op basis van de overwegingen 4.1 tot en met 4.4 dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid en daardoor tevens niet deugdelijk is gemotiveerd. Het bestreden besluit dient daarom te worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb. In het voorliggende geval leent de aard van de vastgestelde gebreken zich niet voor een andere wijze van herstel dan door het betrokken bestuursorgaan. De Raad ziet daarom aanleiding met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het Uwv op te dragen de aangeduide gebreken in het bestreden besluit te herstellen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2010:BO7260:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>09/886 WAO-T</para>
    <para />
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para />
    <para>Meervoudige kamer</para>
    <para />
    <para>T U S S E N U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para>op het hoger beroep van:</para>
    <para />
    <para>[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),</para>
    <para />
    <para>tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 22 december 2008, 07/7764 (hierna: aangevallen uitspraak),</para>
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>appellant</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).</para>
    <para />
    <para>Datum uitspraak: 8 december 2010</para>
    <para> </para>
    <para>I. PROCESVERLOOP</para>
    <para />
    <para>Namens appellant is hoger beroep ingesteld.</para>
    <para />
    <para>Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 oktober 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. A.A.M. Broos, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.W.G. Determan.</para>
    <para />
    <para>Het onderzoek is heropend. De enkelvoudige kamer van de Raad heeft besloten de zaak te verwijzen naar een meervoudige kamer van de Raad.</para>
    <para />
    <para>Op verzoek van de Raad hebben psychiater dr. A.J.W.M. Trompenaars en klinisch (neuro)psycholoog dr. drs. L.E.E. Ligthart als deskundigen op 26 maart 2010 een rapport uitgebracht, waarop het Uwv, onder overlegging van een reactie van een bezwaarverzekeringsarts, en een rapport van psychiater mr. drs. J. Groenendijk, commentaar heeft geleverd. Op deze stukken heeft dr. Trompenaars op verzoek van de Raad gereageerd. </para>
    <para />
    <para>Desgevraagd hebben partijen toestemming gegeven de behandeling van het geding ter zitting achterwege te laten. </para>
    <para />
    <para>II. OVERWEGINGEN </para>
    <para />
    <para>1. De Raad verwijst naar de aangevallen uitspraak voor een uiteenzetting van de feiten waarvan hij uitgaat bij zijn oordeelsvorming. Hier wordt volstaan met het volgende.</para>
    <para />
    <para>1.1. Bij besluit van 9 november 2005 heeft het Uwv de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%, met ingang van 9 januari 2006 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Dit besluit berust op een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 11 april 2006 gegrond verklaard in zoverre dat zijn uitkering pas met ingang van 12 juni 2006 wordt herzien en wel naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Dit besluit is genomen na een verzekeringsgeneeskundig onderzoek, dat is verricht door bezwaarverzekeringsarts F.L. van Duijn – die op 4 april 2006 een zogeheten Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) heeft opgesteld – en een arbeidskundig onderzoek, verricht door bezwaararbeidsdeskundige D.L.A. Politon. Dit besluit op bezwaar is door de rechtbank ’s-Gravenhage bij uitspraak van 22 februari 2007 vernietigd omdat de verzekeringsartsen ten onrechte niet in volle omvang rekening hebben gehouden met de agorafobie van appellant en de daaruit volgens de behandelend psychiater M.B.J. Blom voortvloeiende beperkingen, te weten het niet alleen kunnen reizen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.2. Ter uitvoering van de uitspraak van 22 februari 2007 heeft eerdergenoemde bezwaarverzekeringsarts een expertise laten verrichten door psychiater Groenendijk, die op 6 juli 2007 verslag heeft gedaan van haar bevindingen. Overeenkomstig deze bevindingen heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 3 maart 2006 vastgesteld dat bij appellant sprake is van een matige depressie, partieel in remissie, dat geen sprake is van een sociale fobie of angststoornis, maar dat er wel wat onzekerheid is met name bij drukke en onoverzichtelijke situaties. In de FML van 4 april 2006 is volgens de bezwaarverzekeringsarts voldoende rekening gehouden met de beperkingen van appellant. Op 10 juli 2007 is de FML conform de nieuwe instructies aangepast. Daarin wordt appellant op het aspect ‘vervoer’ niet beperkt geacht, met als toelichting: ‘kan zelfstandig reizen naar en van het werk doch zelfstandig autorijden alleen op bekende rustige trajecten’. Na onderzoek door bezwaararbeidsdeskundige A.G. Diergaarde heeft het Uwv het bezwaar van appellant bij besluit van </para>
      <para>11 september 2007 in zoverre gegrond verklaard dat zijn uitkering pas met ingang van 12 november 2007 wordt herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1.3. Tegen het besluit van 11 september 2007 heeft appellant beroep ingesteld bij de rechtbank. Hangende die beroepsprocedure heeft het Uwv zijn standpunt voor wat betreft de herziening van de uitkering gewijzigd. Het bezwaar van appellant is bij besluit van 30 juni 2008 (hierna: het bestreden besluit) wederom gegrond verklaard met dien verstande dat de uitkering van appellant met ingang van 9 januari 2006, alsmede op en na 12 november 2007, ongewijzigd gebaseerd blijft op de arbeidsongeschiktheidsklasse van 65 tot 80%. </para>
    <para />
    <para>2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 11 september 2007, onder toekenning van proceskosten en onder het geven van een opdracht tot het vergoeden van het betaalde griffierecht, niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van belang. Met toepassing van artikel 6:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 6:19 van die wet heeft de rechtbank het beroep, voor zover gericht tegen het bestreden besluit, ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven.</para>
    <para />
    <para>3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de van de zijde van het Uwv bij hem aangenomen beperkingen voor het verrichten van arbeid onjuist zijn vastgesteld, zoals blijkt uit het bestreden besluit. Zo acht appellant zich wegens zijn angstklachten niet in staat zelfstandig te reizen met het openbaar vervoer. Hij verwijst daartoe naar verschillende medische gedingstukken. </para>
    <para />
    <para>4. De Raad oordeelt als volgt.</para>
    <para />
    <para>4.1. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd en het verhandelde ter zitting van 21 oktober 2009, heeft de Raad dr. Trompenaars verzocht hem van advies te dienen.  </para>
    <para />
    <para>4.2. Trompenaars en Ligthart hebben in hun rapport van 26 maart 2010, in antwoord op vragen van de Raad, meegedeeld dat bij appellant op de datum in geding, 12 november 2007, sprake was van een forse dysthyme stoornis. De deskundigen kunnen zich niet verenigen met de door de bezwaarverzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid van appellant, als neergelegd in de FML van 10 juli 2007. Op de partijen verdeeld houdende vraag of appellant in staat was auto te rijden, te fietsen of zelfstandig gebruik te maken van het openbaar vervoer, antwoordden de deskundigen dat zij niet in de mogelijkheid geweest zijn om de agorafobie en de angst bij het reizen daadwerkelijk zelf vast te stellen. Wel kunnen de deskundigen zich op basis van het verrichte onderzoek zeker voorstellen dat in het kader van het ernstige gezichtsverlies en de hevige krenking die appellant ervaren heeft en het daaruit voortgekomen dysthyme beeld met de daaraan gekoppelde angstklachten, een als het ware existentiële angst opgetreden is om zich in de openbare ruimte te bewegen en aan het verkeer deel te nemen. Volgens de deskundigen was appellant op 12 november 2007 niet in staat om met het openbaar vervoer te reizen. Voorts concluderen de deskundigen dat appellant op 12 november 2007 medisch gezien niet in staat was om welke functie dan ook te vervullen. De bezwaarverzekeringsarts is, onder verwijzing naar de reactie van psychiater Groenendijk van 26 april 2010 op het deskundigenrapport, van mening dat de FML van 10 juli 2007 gehandhaafd kan blijven.</para>
    <para />
    <para>4.3. Desgevraagd heeft Trompenaars mede namens Ligthart in een brief van 26 mei 2010 een reactie gegeven op de visie van de bezwaarverzekeringsarts en psychiater Groenendijk. Trompenaars ziet geen argumenten om de eerder vastgestelde diagnose en de daaruit voortkomende beperkingen te herzien. Hij wijst erop dat de conclusies zijn gebaseerd op uitgebreid onderzoek, dat meer omvattend is geweest dan alle andere eerder verrichte onderzoeken en er aldus sprake is van een zo maximaal mogelijke objectivering van de klachten van appellant.</para>
    <para />
    <para>4.4. In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken is de Raad niet gebleken. In het bijzonder doet zich niet de situatie voor dat uit de reactie van de deskundige Trompenaars op het andersluidende oordeel van de bezwaarverzekeringsarts blijkt dat de deskundige zijn eigen oordeel niet serieus heeft heroverwogen. Voorts is de Raad van oordeel dat het onderzoek van de deskundige zorgvuldig en volledig is. De Raad volgt dan ook het oordeel van de deskundige. Derhalve is genoegzaam vast komen te staan dat de beperkingen van appellant voor het verrichten van arbeid in de FML van 10 juli 2007 onjuist zijn vastgesteld en dat appellant niet in staat is de hem voorgehouden functies te vervullen.</para>
    <para />
    <para>4.5. De Raad concludeert op basis van de overwegingen 4.1 tot en met 4.4 dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid en daardoor tevens niet deugdelijk is gemotiveerd. Het bestreden besluit dient daarom te worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.6. De Raad dient aansluitend te bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. Daarbij stelt de Raad voorop, dat de bestuursrechter bij een (te verwachten) vernietiging van een besluit op kenbare wijze de mogelijkheden tot definitieve beslechting van het geschil behoort te onderzoeken. Dit houdt in, dat de bestuursrechter eerst dient na te gaan of de rechtsgevolgen van een te vernietigen besluit in stand kunnen worden gelaten dan wel of hijzelf in de zaak kan voorzien. Ligt een van deze mogelijkheden redelijkerwijs niet binnen bereik, dan dient de bestuursrechter na te gaan of een - formele dan wel </para>
      <para>informele - bestuurlijke lus een reële mogelijkheid is. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4.7. In het voorliggende geval leent de aard van de vastgestelde gebreken zich niet voor een andere wijze van herstel dan door het betrokken bestuursorgaan. De Raad ziet daarom aanleiding met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het Uwv op te dragen de in 4.4 aangeduide gebreken in het bestreden besluit te herstellen. </para>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>Draagt het Uwv op binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken in het bestreden besluit te herstellen met in achtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.</para>
    <para />
    <para />
    <para>Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en H. Bolt en C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 december 2010.</para>
    <para>						</para>
    <para>(get.) T. Hoogenboom.</para>
    <para>						</para>
    <para>(get.) M.A. van Amerongen.</para>
    <para />
    <para />
    <para>TM</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>