<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2010:BO3649</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2014-07-16T00:42:37</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BO3649</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2010-10-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">09-6262 WWB</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2011:BR4194" psi:type="http://psi.rechtspraak/cassatie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Cassatie: ECLI:NL:HR:2011:BR4194</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2010:BO3649">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2010:BO3649</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T07:12:24</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2010-11-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2010:BO3649 Centrale Raad van Beroep , 26-10-2010 / 09-6262 WWB</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2010:BO3649:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Herziening en terugvordering bijstandsuitkering. Oplegging maatregel van € 100,--. Gezamenlijke huishouding. Feitelijke woonsituatie. Hoofdverblijf in dezelfde woning. Door appellante ondertekende verklaring is niet onder ontoelaatbare druk afgelegd.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2010:BO3649:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>09/6262 WWB</para>
    <para />
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para />
    <para>Meervoudige kamer</para>
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para>op het hoger beroep van:</para>
    <para />
    <para>[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),</para>
    <para />
    <para>tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 30 september 2009, 08/4145 (hierna: aangevallen uitspraak),</para>
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>appellante</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Steenbergen (hierna: College)</para>
    <para />
    <para>Datum uitspraak: 26 oktober 2010</para>
    <para />
    <para>I. PROCESVERLOOP</para>
    <para />
    <para>Namens appellante heeft mr. J.J.M. Boot, advocaat te Steenbergen, hoger beroep ingesteld.</para>
    <para />
    <para>Het College heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 september 2010. Appellante is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door J. Bijl-Bulva, werkzaam bij de gemeente Steenbergen.</para>
    <para />
    <para>II. OVERWEGINGEN</para>
    <para />
    <para>1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.1. Appellante ontving vanaf 15 februari 2005 bij stand naar de norm voor gehuwden</para>
      <para>ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Van 17 mei 2005 tot 28 augustus 2005</para>
      <para>ontving zij bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder en per 28 augustus 2005</para>
      <para>opnieuw naar de norm voor gehuwden, omdat zij een gezamenlijke huishouding voerde</para>
      <para>met [T.]. Uit de relatie tussen appellante en [T.] is op 30 december 2005 een kind geboren. Op een heronderzoeksformulier van 6 juni 2006 heeft appellante aangegeven dat haar relatie met [T.] op 11 mei 2006 is beëindigd.</para>
      <para>Bij een huisbezoek op 12 juni 2006 is geconstateerd dat [T.] nog steeds in de</para>
      <para>woning van appellante verbleef. Naar aanleiding van een huisbezoek op 21 juni 2006</para>
      <para>heeft het College besloten om de bijstand aan appellante vanaf die datum voort te zetten</para>
      <para>naar de norm voor een alleenstaande ouder.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.2. Omdat twijfels bleven bestaan aan de juistheid van de opgegeven gezinssituatie, heeft</para>
      <para>de Afdeling sociale recherche van de gemeente Bergen op Zoom een onderzoek ingesteld</para>
      <para>naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader is</para>
      <para>dossieronderzoek gedaan, is diverse instanties om inlichtingen verzocht, zijn in de periode </para>
      <para>van 24 oktober 2006 tot en met 13 maart 2007 waarnemingen verricht, is op 29 maart</para>
      <para>2007 een huisbezoek gebracht aan de woning van appellante en zijn appellante en</para>
      <para>[T.] verhoord. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van</para>
      <para>10 april 2007. De onderzoeksresultaten zijn voor het College aanleiding geweest om bij</para>
      <para>besluit van 15 april 2007 de bijstand met ingang van 1 februari 2007 te herzien (lees: in te</para>
      <para>trekken), de over de periode van 1 februari 2007 tot 1 maart 2007 gemaakte kosten van</para>
      <para>bijstand tot een bedrag van € 993,42 van appellante terug te vorderen en een maatregel op</para>
      <para>te leggen van € 100,--. Met ingang van 7 mei 2007 is aan appellante opnieuw bijstand</para>
      <para>toegekend naar de norm voor een alleenstaande ouder.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.3. Bij besluit van 14 juli 2008 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van </para>
      <para>15 april 2007 ongegrond verklaard. De besluitvorming berust op de overweging dat</para>
      <para>appellante gedurende de periode van 1 februari 2007 tot 7 mei 2007, zonder daarvan aan het College melding te hebben gemaakt, een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [T.].</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 14 juli</para>
      <para>2008 ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.</para>
    <para />
    <para>4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.1. Tussen partijen is alleen in geschil of de bijstand van appellante terecht is</para>
      <para>ingetrokken op de grond dat zij gedurende de periode van 1 februari 2007 tot 7 mei 2007 een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [T.].</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.2. Aangezien vaststaat dat uit de relatie van appellante en [T.] een kind is geboren</para>
      <para>en zij bovendien tot 21 juni 2006 voor de verlening van bijstand als gehuwden zijn</para>
      <para>aangemerkt, is voor de beantwoording van de vraag of in de in geding zijn de periode</para>
      <para>sprake was van een gezamenlijke huishouding bepalend of appellante en [T.] hun</para>
      <para>hoofdverblijf hadden in dezelfde woning.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.3. Voor de vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, moet naar vaste rechtspraak de</para>
      <para>feitelijke woonsituatie doorslaggevend worden geacht. De motieven van de betrokkenen</para>
      <para>en de aard van hun onderlinge relatie zijn daarbij niet van belang. Aan de mogelijkheid</para>
      <para>dat appellante [T.] uit angst voor hem in haar woning toeliet kan dan ook geen</para>
      <para>doorslaggevende betekenis wordt toegekend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.4. Naar het oordeel van de Raad bieden de onderzoeksresultaten, zoals die blijken uit de</para>
      <para>rapportage van de sociale recherche van 10 april 2007, voldoende grondslag voor de</para>
      <para>conclusie dat [T.] in de in geding zijnde periode zijn hoofdverblijf had in de woning</para>
      <para>van appellante. De Raad heeft hierbij met name in aanmerking genomen de resultaten van</para>
      <para>de verrichte waarnemingen, de bevindingen bij het huisbezoek in de woning van</para>
      <para>appellante op 29 maart 2007 - waarbij onder meer kleding, schoeisel, een computer, een</para>
      <para>bureau, alsmede persoonlijke papieren van [T.] zijn aangetroffen - en de door</para>
      <para>appellante op 29 maart 2007 afgelegde verklaring dat [T.] in oktober/november 2006 weer bij haar is komen douchen en vanaf begin februari 2007 weer in haar woning is komen wonen en daar elke nacht slaapt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.5. De Raad acht het niet aannemelijk dat deze door appellante ondertekende verklaring,</para>
      <para>die steun vindt in de resultaten van de verrichte waarnemingen en de tijdens het</para>
      <para>huisbezoek aangetroffen situatie, onder ontoelaatbare druk is afgelegd, onjuist is of om</para>
      <para>een andere reden buiten beschouwing moeten blijven. De Raad voegt daaraan nog toe dat</para>
      <para>[T.] de verklaring van appellante en de bevindingen bij het huisbezoek heeft onderschreven, en alleen ontkent dat hij in de woning van appellante slaapt en dat sprake zou zijn van samenwonen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.6. De Raad is voorts, met appellante, van mening dat het besluit van 14 juli 2008</para>
      <para>summier is gemotiveerd. Nu daarin wel is verwezen naar de onderzoeksresultaten en</para>
      <para>appellante - in ieder geval in de beroepsfase - de beschikking heeft gekregen over de</para>
      <para>rapportage van 10 april 2007 waarin deze onderzoeksresultaten zijn neergelegd, kan</para>
      <para>evenwel niet worden geconcludeerd dat zij door dit motiveringsgebrek in haar verdediging is geschaad, zodat de Raad hieraan geen consequenties zal verbinden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.7. De vraag of [T.] - die blijkens de verklaring van appellante overigens ten minste</para>
      <para>€ 1.300,-- netto per maand verdiende - al dan niet over voldoende middelen beschikte om</para>
      <para>mede in het levensonderhoud van appellante te voorzien, is hier niet van belang. Vanwege</para>
      <para>het bestaan van een gezamenlijke huishouding was appellante immers niet als zelfstandig</para>
      <para>subject van bijstand aan te merken, zodat de bijstand naar de norm voor een</para>
      <para>alleenstaande ouder terecht op die grond is ingetrokken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.8. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de</para>
      <para>aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.</para>
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep;</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    <para />
    <para>Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.N.A. Bootsma en H.D. Stout als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2010.</para>
    <para>							</para>
    <para>(get.) A.B.J. van der Ham.</para>
    <para>							</para>
    <para>(get.) J.M. Tason Avila.</para>
    <para />
    <para>Tegen deze uitspraak kunnen partijen en binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>RB</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>