<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2010:BO2630</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-27T09:09:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BO2630</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2010-10-20</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">09-4166 ZW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2010:BO2630">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2010:BO2630</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T07:09:33</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2010-11-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2010:BO2630 Centrale Raad van Beroep , 20-10-2010 / 09-4166 ZW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2010:BO2630:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Weigering terug te komen van de besluiten van 5 februari 1992, inzake weigering ziekengeld en 6 oktober 1997, inzake weiegring AAW/WAO. Geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. De bestuursrechter kan bij zijn beoordeling of het bestuursorgaan van zijn bevoegdheid in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken slechts acht kan slaan op feiten en omstandigheden die uiterlijk in de bezwaarfase naar voren zijn gebracht (LJN BN0933).</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2010:BO2630:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>09/4166 ZW</para>
    <para />
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para />
    <para>Enkelvoudige kamer</para>
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para>op het hoger beroep van:</para>
    <para />
    <para>[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),</para>
    <para />
    <para>tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 12 juni 2009, 08/117 (hierna: aangevallen uitspraak),</para>
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>appellant</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).</para>
    <para />
    <para>Datum uitspraak: 20 oktober 2010</para>
    <para> </para>
    <para>I. PROCESVERLOOP</para>
    <para />
    <para>Appellant heeft hoger beroep ingesteld.</para>
    <para />
    <para>Het Uwv heeft een verweerschrift met twee bijlagen ingediend.</para>
    <para />
    <para>Bij brief van 11 mei 2010, met bijlagen, heeft appellant zijn standpunt verder toegelicht.</para>
    <para />
    <para>Desgevraagd heeft het Uwv bij brief van 9 juli 2010 nadere informatie verschaft.</para>
    <para />
    <para>Bij brief van 26 augustus 2010, met bijlagen, heeft appellant de Raad nadere informatie toegestuurd.</para>
    <para />
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 september 2010. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen. </para>
    <para />
    <para>II. OVERWEGINGEN</para>
    <para />
    <para>1.1. Appellant heeft zich op 27 augustus 1991 als werkloos lasser ziek gemeld met klachten van psychische aard (overspannenheid). Bij besluit van 5 februari 1992 heeft het Uwv geweigerd om appellant na 10 januari 1992 verder ziekengeld ingevolge de Ziektewet (ZW) toe te kennen, omdat hij niet meer ongeschikt werd geacht tot het verrichten van zijn werk. De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak van 18 februari 1993, 1992/466, het tegen voormeld besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. De Raad heeft bij uitspraak van 27 december 1996 het tegen evenvermelde uitspraak van de rechtbank ingestelde hoger beroep ongegrond verklaard.</para>
    <para />
    <para>1.2. Op 13 november 1995 heeft appellant zich, wederom vanuit een werkloosheidssituatie, arbeidsongeschikt gemeld wegens huid- en oogklachten, alsmede psychische klachten. Bij besluit van 6 oktober 1997 heeft het Uwv appellant met ingang van 11 november 1996 in aanmerking gebracht voor uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In het bijzonder als gevolg van de bij appellant vastgestelde problemen op het psychiatrische vlak, is hij volledig buiten staat geacht tot het verrichten van loonvormende arbeid. Bij besluit van 7 april 1998 is het door appellant ingediende bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank Dordrecht heeft bij uitspraak van 7 mei 1999, 98/285, het tegen het besluit van 7 april 1998 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het Uwv een nieuw besluit dient te nemen. Het Uwv heeft bij besluit van 8 september 1999, wederom met ingang van 11 november 1996, aan appellant een volledige WAO-uitkering toegekend. De door appellant tegen dit besluit in gang gezette bezwaarprocedure is na een brief van 14 december 1999 van de toenmalige raadsman van appellant beëindigd. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.3. Bij besluit van 10 december 2001 heeft de rechtsvoorganger van het Uwv naar aanleiding van het verzoek van appellant van 5 juli 2001 meegedeeld dat er geen redenen zijn om terug te komen op het eerder ingenomen standpunt met de betrekking tot diens arbeidsongeschiktheid vanaf 10 januari 1992. Bij besluit van 1 juli 2002 is het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank Dordrecht heeft bij uitspraak van </para>
      <para>18 juli 2003, 02/611, het besluit van 1 juli 2002 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen in stand blijven. De Raad heeft bij uitspraak van 2 augustus 2005 (LJN AU0614) deze uitspraak van de rechtbank Dordrecht bevestigd, voor zover daarbij is bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 1 juli 2002 in stand blijven.De Raad heeft in die uitspraak het volgende overwogen: ‘Van de zijde van appellant is in het bijzonder naar voren gebracht dat psychiater Koerselman, die - als hiervoor vermeld - destijds als deskundige aan de Raad heeft gerapporteerd in de ZW-procedure inzake het besluit van 5 februari 1992, niet op de hoogte was van alle relevante gegevens met betrekking tot zijn ziektegeschiedenis, zoals die onder meer blijken uit diverse van behandelend artsen afkomstige rapporten en verklaringen uit onder meer de jaren 1987 en 1988, en dat genoemde deskundige als gevolg daarvan tot een onjuist oordeel is gekomen inzake de vraag of zijn arbeidsongeschiktheid op en na 10 januari 1992 nog heeft voortgeduurd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad stelt vast dat de stukken waarnaar appellant verwijst, zoals ook van de zijde van gedaagde is aangegeven, destijds reeds bekend waren. De enkele omstandigheid - waar appellant herhaaldelijk op heeft doen wijzen - dat zijn toenmalige advocaat verzuimd heeft om die stukken in de toen lopende procedure in te brengen, maakt niet dat die stukken in het kader van het thans voorliggende verzoek om terug te komen van het besluit van 8 september 1999 zouden kunnen worden aangemerkt als nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Ook anderszins is aan de Raad niet kunnen blijken van feiten of omstandigheden, betrekking hebbend op het hier aan de orde zijnde tijdvak van 10 januari 1992 tot 11 november 1995, die destijds nog niet bekend waren en uit dien hoofde niet konden worden ingebracht in de toen lopende procedures.’</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.4. Op 26 november 2007 heeft appellant het Uwv (opnieuw) verzocht om continuering van de ZW-uitkering na 10 januari 1992 met aansluitend een WAO-uitkering vanaf </para>
      <para>27 augustus 1992. Bij besluit van 6 december 2007 heeft verweerder dit verzoek afgewezen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1.5. Bij besluit op bezwaar van 14 mei 2008 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard, omdat er geen reden was terug te komen van de besluiten van 5 februari 1992 en 6 oktober 1997. </para>
    <para />
    <para>1.6. Bij brief van 19 mei 2008 heeft appellant aan het Uwv een 25-tal vragen gesteld inzake onder meer eerdere WAO- en ZW-procedures in 1988 en 1992. </para>
    <para />
    <para>2. In de aangevallen uitspraak is het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake was van nieuwe feiten of omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) die het Uwv ertoe hadden moeten nopen om terug te komen van de in rechte vaststaande besluiten van 5 februari 1992 en 6 oktober 1997. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat verweerder niet gehouden is de door appellant in zijn brief van 19 mei 2008 gestelde vragen te beantwoorden.</para>
    <para />
    <para>3. In hoger beroep heeft appellant - kort samengevat - aangevoerd dat het Uwv geen opening van zaken heeft gegeven en de rechterlijke macht verkeerd heeft geïnformeerd. In de rapportage van psychiater J.B. Bakker staat bijvoorbeeld ten onrechte vermeld dat appellant in 1988 onder behandeling is geweest bij het RIAGG, terwijl dit het APZ De Grote Rivieren was. Appellant is van mening dat het Uwv ten onrechte heeft nagelaten informatie op te vragen bij de behandelaars uit het APZ. Appellant heeft de Raad verzocht om het Uwv de vragen te laten beantwoorden die hij heeft gesteld in zijn brief van 19 mei 2008.</para>
    <para />
    <para>4. De Raad overweegt als volgt. </para>
    <para />
    <para>4.1. De Raad stelt vast dat appellant ter zitting heeft aangegeven dat hij met ingang van 11 november 1996 onafgebroken een volledige WAO-uitkering ontvangt en dat het gaat over de periode vóór 11 november 1996. Met bovengenoemd verzoek van 26 november 2007 beoogt appellant dan ook een hernieuwde beoordeling van zijn arbeidsongeschiktheid in de periode 10 januari 1992 tot 11 november 1996. Het verzoek van appellant strekt ertoe dat het Uwv terugkomt van de in rechte onaantastbaar geworden besluiten van 5 februari 1992 en 6 oktober 1997.</para>
    <para />
    <para>4.2. In artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit.</para>
    <para> </para>
    <para>4.3. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat hetgeen appellant heeft aangevoerd ter onderbouwing van zijn standpunt dat het Uwv gehouden was terug te komen van de besluiten van 5 februari 1992 en 6 oktober 1997 geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in vorenbedoelde zin bevat. De Raad stelt vast dat appellant opnieuw naar medische stukken uit onder meer de jaren 1987 en 1988 verwijst. De Raad heeft in zijn bovengenoemde uitspraak van 2 augustus 2005 reeds overwogen dat de stukken inzake de ziektegeschiedenis van appellant uit de jaren 1987 en 1988 bekend waren en ingebracht hadden kunnen worden in de toen lopende procedures. Overigens blijkt uit de brief van 13 oktober 1988 van M.C.E. Kiriazis-van Rooijen, psychiater bij APZ De Grote Rivieren, dat appellant op 20 april 1988 uit dat ziekenhuis is ontslagen. De behandeling bij APZ De Grote Rivieren was op en na 10 januari 1992, de datum waarop het besluit van 5 februari 1992 betrekking heeft, dan ook reeds enkele jaren beëindigd. De Raad is voorts van oordeel dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat de door appellant in zijn brief van 19 mei 2008 gestelde vragen niet relevant zijn voor de te beantwoorden vraag of appellant nieuwe feiten of veranderde omstandigheden heeft aangedragen en dat het Uwv niet gehouden is deze vragen te beantwoorden in het kader van onderhavige beoordeling.</para>
    <para />
    <para>4.4. Het Uwv was dan ook bevoegd om met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb de aanvraag van appellant af te wijzen en voor de motivering van die beslissing te volstaan met te verwijzen naar zijn eerdere besluiten. In hetgeen door appellant is gesteld ziet de Raad geen grond te oordelen dat het Uwv niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Ten slotte merkt de Raad nog op, onder verwijzing naar zijn uitspraak van 9 juli 2010, LJN BN0933, dat de bestuursrechter bij zijn beoordeling of het bestuursorgaan van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken slechts acht kan slaan op feiten en omstandigheden die uiterlijk in de bezwaarfase naar voren zijn gebracht.</para>
    <para />
    <para>4.5. Uit het vorenoverwogene volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.</para>
    <para />
    <para>4.6. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. </para>
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    <para />
    <para>Deze uitspraak is gedaan door A.A.H. Schifferstein, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2010.</para>
    <para>						</para>
    <para>(get.) A.A.H. Schifferstein.</para>
    <para />
    <para>(get.) T.J. van der Torn. </para>
    <para />
    <para>TM</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>