<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2010:BO1794</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-27T09:00:44</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BO1794</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2010-10-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">09-2063 WWB</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2010:BO1794">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2010:BO1794</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T07:07:33</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2010-10-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2010:BO1794 Centrale Raad van Beroep , 26-10-2010 / 09-2063 WWB</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2010:BO1794:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verlaging bijstandsuitkering over de maand april 2007 en vanaf september 2007 voor de duur van twee maanden met 100% van de bijstandsnorm, wegens het weigeren algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden. Terecht is geoordeeld dat appellant heeft nagelaten het hem aangeboden werk te aanvaarden. Niet kan worden gezegd dat met betrekking tot die gedraging elke verwijtbaarheid ontbreekt. Dat betekent dat het College op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB gehouden was de bijstand van appellant in overeenstemming met de Verordening te verlagen. De zwaarte van de maatregel is door appellant niet bestreden.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2010:BO1794:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>09/2063 WWB</para>
    <para />
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para />
    <para>Enkelvoudige kamer</para>
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para>op het hoger beroep van:</para>
    <para />
    <para>[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),</para>
    <para />
    <para>tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 3 maart 2009, 08/74 (hierna: aangevallen uitspraak),</para>
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>appellant</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht (hierna: College)</para>
    <para />
    <para>Datum uitspraak: 26 oktober 2010</para>
    <para> </para>
    <para>I. PROCESVERLOOP</para>
    <para />
    <para>Appellant heeft hoger beroep ingesteld.</para>
    <para />
    <para>Het College heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 september 2010. Appellant is verschenen. Zijn broer [naam broer] trad op als tolk. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door E.J.W. Bruinsma, werkzaam bij de gemeente Utrecht.</para>
    <para />
    <para>II. OVERWEGINGEN</para>
    <para />
    <para>1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.</para>
    <para />
    <para>1.1. Appellant ontvangt een bijstandsuitkering, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden, in aanvulling op de inkomsten uit deeltijdwerk van zijn echtgenote. Bij besluit van 27 maart 2007 is de bijstand van appellant over de maand april 2007 met 100% van de bijstandsnorm verlaagd wegens het weigeren algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden. </para>
    <para />
    <para>1.2. Bij besluit van 16 augustus 2007 heeft het College de bijstand vanaf september 2007 voor de duur van drie maanden met 100% verlaagd op de grond dat appellant heeft geweigerd algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden als medewerker algemene dienst voor 16 uur per week (donderdag en vrijdag) bij [naam bedrijf] (hierna: [naam bedrijf]), met welke arbeid zijn gezinsinkomen boven de bijstandsnorm zou kunnen uitkomen.</para>
    <para> </para>
    <para>1.3. Bij besluit van 16 november 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 16 augustus 2007 in zoverre gegrond verklaard, dat de opgelegde maatregel wordt gematigd tot 100% gedurende twee maanden. </para>
    <para />
    <para>2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 16 november 2007 ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellant geweigerd algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden en heeft het College zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant zijn verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB niet is nagekomen. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat elke verwijtbaarheid ontbreekt, zodat het College gehouden was op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB de uitkering van appellant te verlagen. Omdat sprake is van een tweede verwijtbare gedraging van dezelfde of een hogere categorie binnen twaalf maanden na de eerste als verwijtbaar aangemerkte gedraging, mocht het College naar het oordeel van de rechtbank de uitkering van appellant voor de duur van twee kalendermaanden verlagen met 100% van de bijstandsnorm.</para>
    <para />
    <para>3. In hoger beroep heeft appellant de juistheid van het oordeel van de rechtbank bestreden. Hij betwist dat hij geweigerd heeft werk te accepteren en stelt dat hij niet de kans heeft gehad het werk te accepteren.</para>
    <para />
    <para>4. De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij hij voor de in geding relevante bepalingen van de WWB en de Verordening afstemming bijstand van de gemeente Utrecht (hierna: Verordening) verwijst naar de aangevallen uitspraak. </para>
    <para />
    <para>4.1. Aan de besluitvorming van het College ligt ten grondslag dat appellant heeft geweigerd een werkaanbod te aanvaarden als algemeen medewerker bij [naam bedrijf]. </para>
    <para />
    <para>4.2. Hierover komt uit de gedingstukken naar voren dat de contactpersoon van appellant, R. Haagsma, en de consulent van Nieuwland Re-integratie (hierna: Nieuwland) op 15 augustus 2007 een gesprek hebben gevoerd met appellant met als doel de berichtgeving van Nieuwland te bespreken over het traject dat appellant bij Nieuwland volgt en appellant per 16 augustus 2007 werk bij [naam bedrijf] aan te bieden voor twee dagen per week waardoor zijn gezinsinkomen boven de bijstandsnorm zou uitkomen. </para>
    <para />
    <para>4.3. Het rapport van 16 augustus 2007 van Haagsma bevat een gedetailleerde weergave van de inhoud van dat gesprek. Na de bespreking van de rapportage van Nieuwland heeft de rapporteur appellant het werk bij [naam bedrijf] aangeboden en uitleg gegeven over de aard van het werk, de werktijden en het adres waar hij zich op 16 augustus 2007 kon melden. Ook is aan appellant de aanmelding voor het werk, een voorbeeld van een arbeidscontract en een folder van [naam bedrijf] getoond. Het gaat om werk in de groenvoorziening voor de duur van drie maanden voor twee dagen per week, waarbij rekening is gehouden met het feit dat de echtgenote van appellant van maandag tot en met woensdag werkt, zodat opvang van de zoon van appellant niet nodig was. [naam bedrijf] zou appellant verder begeleiden bij zijn sollicitaties naar ander werk. De Raad stelt op grond van het voorgaande vast dat aan appellant tijdens het gesprek op 15 augustus 2007 een concreet werkaanbod voor algemeen geaccepteerde arbeid is gedaan.</para>
    <para />
    <para>4.4. In het rapport van 16 augustus 2007 is eveneens uitvoerig weergegeven hoe het gesprek met appellant verliep nadat hem het werk bij [naam bedrijf] was aangeboden. Het rapport vermeldt daarover onder meer dat appellant eerst heeft gevraagd waarom hem niet eerder een baan als hier aan de orde is aangeboden. Appellant weigerde vervolgens in te gaan op het aangeboden werk, ook nadat hem de aanmelding voor het werk, het voorbeeldarbeidscontract en de folder van [naam bedrijf] was getoond. Na de mededeling van de rapporteur dat de opstelling van appellant wordt gezien als het weigeren van werk, ontwikkelde het gesprek zich zodanig dat de rapporteur zich genoodzaakt zag het gesprek te beëindigen. </para>
    <para />
    <para>4.5. De Raad ziet in hetgeen appellant heeft aangevoerd onvoldoende grond voor twijfel over de vraag of het gesprek op 15 augustus 2007 in essentie zo is verlopen als in het rapport van 16 augustus 2007 is vermeld. Dat betekent dat de Raad appellant niet volgt in zijn stelling dat het gesprek is afgebroken voordat hij de gelegenheid heeft gehad om aan te geven of hij het werk bij [naam bedrijf] zou aanvaarden. Aan de omstandigheid dat, zoals ook in het rapport is vermeld, het gesprek in een onplezierige sfeer verliep en op initiatief van Haagsma voortijdig is beëindigd, kan niet de gevolgtrekking worden verbonden dat van het niet aanvaarden van de aangeboden arbeid geen sprake geweest kan zijn.</para>
    <para />
    <para>4.6. Gezien het voorgaande is de Raad evenals de rechtbank van oordeel dat appellant heeft nagelaten het hem aangeboden werk bij [naam bedrijf] te aanvaarden. Niet kan worden gezegd dat met betrekking tot die gedraging elke verwijtbaarheid ontbreekt. Dat betekent dat het College op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB gehouden was de bijstand van appellant in overeenstemming met de Verordening te verlagen. De zwaarte van de maatregel is door appellant niet bestreden.</para>
    <para />
    <para>4.7. Het hoger beroep van appellant treft geen doel. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking. </para>
    <para />
    <para>5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.</para>
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep;</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    <para />
    <para>Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van J. Waasdorp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2010.</para>
    <para>							</para>
    <para>(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.</para>
    <para>							</para>
    <para>(get.) J. Waasdorp.</para>
    <para />
    <para>RB</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>