<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2010:BO1288</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-27T08:48:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BO1288</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2010-10-20</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">09-5786 ZW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2010:BO1288">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2010:BO1288</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T07:06:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2010-10-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2010:BO1288 Centrale Raad van Beroep , 20-10-2010 / 09-5786 ZW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2010:BO1288:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Beëindiging ziekengeld. Zorgvuldig onderzoek verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts. Appellante heeft hetgeen zij in hoger beroep heeft aangevoerd, onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij op 24 december 2007 meer beperkt zou moeten worden geacht dan door de (bezwaar)verzekeringsarts is vastgesteld.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2010:BO1288:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>09/5786 ZW</para>
    <para />
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para />
    <para>Enkelvoudige kamer</para>
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para>op het hoger beroep van:</para>
    <para />
    <para>[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),</para>
    <para />
    <para>tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 14 september 2009, 08/1561 (hierna: aangevallen uitspraak),</para>
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>appellante</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).</para>
    <para />
    <para>Datum uitspraak: 20 oktober 2010</para>
    <para> </para>
    <para>I. PROCESVERLOOP</para>
    <para />
    <para>Appellante heeft hoger beroep ingesteld.</para>
    <para />
    <para>Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juli 2010. Voor appellante is verschenen P. Tit. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. van Nederveen. </para>
    <para />
    <para>II. OVERWEGINGEN</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.1. Appellante was werkzaam als oproepkracht verzorgende in een verpleeghuis voor 20 uur in de week toen zij zich op </para>
      <para>15 januari 2007 voor dit werk heeft ziek gemeld wegens rugklachten. Naar aanleiding van deze ziekmelding heeft appellante meerdere malen het spreekuur bezocht van de verzekeringsarts K. Bakker, voor het laatst op 17 december 2007. Deze arts is tot de conclusie gekomen dat appellante, ondanks de beperkingen aan de rug, met ingang van 24 december 2007 geschikt kan worden geacht voor haar laatst verrichte werk. Bij besluit van 17 december 2007 heeft het Uwv appellante meegedeeld dat zij dienovereenkomstig met ingang van 24 december 2007 geen recht meer heeft op ziekengeld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1.2. Bij besluit van 11 april 2008 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv, na een herbeoordeling door de bezwaarverzekeringsarts A. de Vries, het bezwaar van appellante tegen het besluit van 17 december 2007 ongegrond verklaard.</para>
    <para />
    <para>2. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>3. In hoger beroep heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de primaire oorzaak van de chronische pijnklachten aan de onderrug. Mede op basis van twee MR-onderzoeken van 26 januari 2007 en </para>
      <para>11 november 2008 is de beslissing genomen tot een operatieve ingreep op 10 juni 2009. Volgens appellante was zij eerst na deze operatieve ingreep en de daarop volgende intensieve revalidatie dusdanig hersteld dat zij per 1 maart 2010 weer in staat was tot het verrichten van haar arbeid. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft zij een brief van de orthopedisch chirurg W.J. van der Ham van 20 oktober 2009 en een arbeidsovereenkomst met de [naam stichting] overgelegd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4.1. De Raad overweegt als volgt.</para>
    <para />
    <para>4.2. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie moet onder “zijn arbeid” worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.3. De verzekeringsarts Bakker heeft appellante op het spreekuur van 22 oktober 2007 lichamelijk onderzocht waarbij zij weinig beperkingen aan de rug heeft kunnen vaststellen. Tevens heeft zij informatie opgevraagd bij de behandelend neuroloog J.G. Kok. In de brief van 14 februari 2007 heeft deze neuroloog het volgende aangegeven: </para>
      <para>"Patiënte zag ik eerder met linkszijdige lumboradiculaire klachten. Omdat er bij het lichamelijk onderzoek niet veel beperkingen waren vond ik het uitvoeren van een MRI-LWK niet zinvol. Inmiddels heb ik patiënte teruggezien. Ze had veel last van de rug en het been. Ze werkt niet vanwege deze rug- en beenklachten. Thuis ging het ook minder goed (patiënte heeft twee jonge kinderen).</para>
      <para>Mede om deze redenen is een MRI-LWK uitgevoerd. Op het niveau L4-L5 rechts, en niet links, is een kleine paramediane hernia zichtbaar. </para>
      <para>Daar patiënte de klachten in het linkerbeen heeft, heeft deze röntgenbevinding dus geen enkele betekenis. Ook losstaand daarvan is de omvang van de locatie van deze kleine hernia zeer vaak niet gerelateerd aan enige klacht of beperking. </para>
      <para>Een operatieve ingreep is niet geïndiceerd, immers, de klachten zijn links en de kleine afwijking zit rechts in de rug. Ik heb patiënte geadviseerd veel te bewegen en te trachten haar werk weer op te nemen".</para>
      <para>Op grond van deze informatie en de eigen bevindingen heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat – met inachtneming van de belasting in haar werk zoals is aangegeven in de arbeidskundige rapportage van 2 november 2007 – appellante per </para>
      <para>24 december 2007 weer geschikt is te achten voor haar laatst verrichte werk als oproepkracht verzorgende voor 20 uur in de week. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4.4. Vervolgens heeft ook de bezwaarverzekeringsarts De Vries informatie opgevraagd bij de behandelend sector, het dossier bestudeerd en appellante op de hoorzitting van 24 januari 2008 gezien. De Vries is tot de conclusie gekomen dat de door de revalidatiearts vastgestelde axiale hypermobiliteit, zoals is aangegeven in de brief van 13 februari 2008, geen indicatie geeft voor het opleggen van beperkingen. Daarbij heeft de bezwaarverzekeringsarts opgemerkt dat de revalidatiearts appellante juist heeft geadviseerd om ten behoeve van de pijnreductie stabiliserende rugoefeningen te doen, waarvoor zij is verwezen naar de fysiotherapeut. Er bestaan derhalve geen medisch argumenten om af te wijken van het oordeel van de verzekeringsarts, aldus de bezwaarverzekeringsarts De Vries. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.5. De Raad is van oordeel dat appellante met hetgeen zij in hoger beroep heeft aangevoerd, onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij op 24 december 2007 meer beperkt zou moeten worden geacht dan door de (bezwaar)verzekeringsarts is vastgesteld. daartoe overweegt de Raad dat de door appellante in geding gebrachte brief van de orthopedisch chirurg Van der Ham van 20 oktober 2009 onvoldoende aanleiding geeft om aan de op zorgvuldig onderzoek gebaseerde conclusies van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts te twijfelen. De Raad verwijst in dit verband naar de commentaren van 9 april 2009 en 24 november 2009 van de bezwaarverzekeringsarts J. Coehoorn, die erop heeft gewezen dat de discopathie en hypermobiliteit al eerder bekend waren en dat, nu Van der Ham in zijn brief van </para>
      <para>12 januari 2009 heeft aangegeven dat bij klinisch onderzoek geen evidente beperkingen zijn gevonden, de operatie-indicatie overwegend op basis van klachten is gesteld. Daarbij acht de Raad met name van belang dat, zoals onder 4.3 en 4.4 is weergegeven, uit de medische informatie die ziet op de periode rond de datum hier in geding niet zonder meer volgt dat appellante per 24 december 2007 meer beperkt moet worden geacht dan door de (bezwaar)verzekeringsarts is aangegeven. Dat appellante vanaf 1 maart 2010 weer succesvol is teruggekeerd in het arbeidsproces kan naar het oordeel van de Raad aan het vorenstaande niet afdoen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4.6. Hetgeen onder 4.2 tot en met 4.5 is overwogen leidt tot het oordeel dat het Uwv op goede gronden het ziekengeld van appellante met ingang van 24 december 2007 heeft beëindigd. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking. </para>
    <para />
    <para>5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten. </para>
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    <para />
    <para>Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2010. </para>
    <para>						</para>
    <para>(get.) Ch. van Voorst.</para>
    <para>						</para>
    <para>(get.) D.E.P.M. Bary.</para>
    <para />
    <para>CVG</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>