<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2010:BO0505</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-27T08:28:41</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BO0505</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2010-09-28</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">08-990 WWB</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2010:BO0505">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2010:BO0505</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T07:04:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2010-10-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2010:BO0505 Centrale Raad van Beroep , 28-09-2010 / 08-990 WWB</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2010:BO0505:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Intrekking en terugvordering bijstand. Schending inlichtingenverplichting.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2010:BO0505:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>08/990 WWB</para>
    <para />
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para />
    <para>Meervoudige kamer</para>
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para>op het hoger beroep van:</para>
    <para />
    <para>[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),</para>
    <para />
    <para>tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 28 december 2007, 07/677 (hierna: aangevallen uitspraak),</para>
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>appellante</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>het Dagelijks Bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Aa en Hunze, Assen en Tynaarlo (hierna: Dagelijks Bestuur)</para>
    <para />
    <para>Datum uitspraak: 28 september 2010</para>
    <para> </para>
    <para>I. PROCESVERLOOP</para>
    <para />
    <para>Namens appellante heeft mr. S.M. Klomp, advocaat te Assen, hoger beroep ingesteld.</para>
    <para />
    <para>Het Dagelijks Bestuur heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 augustus 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. H.C. Post, advocaat te Hoogeveen. Het Dagelijks Bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. O.B.S.J. Ketel, werkzaam bij de Intergemeentelijke Sociale Dienst Aa en Hunze, Assen en Tynaarlo.</para>
    <para />
    <para>II. OVERWEGINGEN</para>
    <para />
    <para>1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. </para>
    <para />
    <para>1.1. Appellante is op 26 april 2005 in dienst getreden bij Shoarma-Pizzeria “[pizzeria]” te [vestigingsplaats] (hierna: pizzeria) als oproepkracht. Bij besluit van 19 juli 2005 is haar met ingang van 20 juni 2005 (aanvullende) bijstand toegekend op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. </para>
    <para />
    <para>1.2. Op grond van een vermoeden dat appellante niet alle gegevens verstrekte welke van belang waren voor het vaststellen van het recht op bijstand, heeft de sociale recherche een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader zijn observaties verricht en zijn appellante en een getuige gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 13 februari 2007. </para>
    <para />
    <para>1.3. Deze onderzoeksbevindingen zijn voor het Dagelijks Bestuur aanleiding geweest om bij besluit van 7 maart 2007 de aan appellante verleende bijstand over de periode van 20 juni 2005 tot en met 30 november 2006 in te trekken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 15.216,97 (bruto) van appellante terug te vorderen. </para>
    <para />
    <para>1.4. Bij besluit van 20 juni 2007 heeft het Dagelijks Bestuur het bezwaar van appellante tegen het besluit van 7 maart 2007 ongegrond verklaard. Hierbij heeft het Dagelijks Bestuur zich op het standpunt gesteld dat appellante meer uren per maand in de pizzeria aanwezig is dan zij heeft opgegeven en moet worden geacht dan productieve, op geld waardeerbare arbeid te verrichten. Nu appellante hiervan geen melding heeft gemaakt heeft zij volgens het Dagelijks Bestuur de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden met als gevolg dat het recht op bijstand niet is vast te stellen.</para>
    <para />
    <para>2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 20 juni 2007 ongegrond verklaard.</para>
    <para />
    <para>3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen die uitspraak gekeerd. </para>
    <para />
    <para>4. De Raad overweegt als volgt.</para>
    <para />
    <para>4.1. De Raad stelt in de eerste plaats vast dat appellante het aan het besluit van 20 juni 2007 ten grondslag gelegde standpunt van het College, dat zij in de periode in geding meer uren in de pizzeria aanwezig was dan de uren die zij heeft opgegeven en dat zij tijdens die uren ook wel eens werkzaamheden verrichtte, op zichzelf erkent.</para>
    <para />
    <para>4.2. De Raad vindt voor dit standpunt van het College tevens steun in de door de werkgever van appellante, [naam werkgever], op 23 november 2006 afgelegde verklaring waaruit kan worden afgeleid dat indien appellante in de pizzeria aanwezig was zij ook productieve arbeid verrichtte. Voorts wijst de Raad op de gedurende de periode van 25 april 2006 tot en met 24 september 2006 door de sociale recherche verrichte observaties. Dat deze observaties niet de gehele periode in geding beslaan - zoals appellante meent - is daarbij niet van belang, nu het bij de observaties slechts gaat om aanvullend, ondersteunend bewijs. Dat appellante reeds vanwege medische redenen niet in staat zou zijn om gedurende meer dan de opgegeven uren productieve arbeid te verrichten, is ook met de verklaring van chirurg R.T.M. Wijffels van 4 mei 2006 niet aannemelijk gemaakt.</para>
    <para />
    <para>4.3. Aan de stelling van appellante dat zij, bij afwezigheid van klanten, in de pizzeria verbleef zonder productieve arbeid te verrichten gaat de Raad voorbij. De Raad wijst hierbij op zijn vaste jurisprudentie, die inhoudt dat aanwezigheid tijdens reguliere uren op de eigen werkplek de vooronderstelling rechtvaardigt dat de betrokkene tijdens die aanwezigheid ook daadwerkelijk op geld waardeerbare arbeid verricht. Appellante heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. Aan de door appellante in dit kader overgelegde overzichten van de gewerkte uren en de daaruit ontvangen inkomsten kan de Raad niet het gewicht hechten dat appellante daaraan toegekend wenst te zien, nu deze overzichten slechts de opgegeven uren betreffen en niet op objectieve, verifieerbare gegevens berusten. Dit laatste geldt evenzeer voor de - bovendien niet nader gespecificeerde - verklaring van de werkgever van 4 december 2007, dat appellante ook regelmatig om sociale redenen in de pizzeria verbleef.</para>
    <para />
    <para>4.4. Appellante heeft redelijkerwijs kunnen en moeten begrijpen dat haar aanwezigheid in de pizzeria gedurende meer uren dan zij heeft opgegeven en de door haar tijdens die uren verrichte werkzaamheden van belang waren voor de vaststelling (van de omvang) van haar recht op bijstand. Het feit dat appellante voor het verrichten van die werkzaamheden geen geldelijke vergoeding ontving doet - wat daar overigens ook van zij - niet ter zake, nu het ging om werkzaamheden die op geld waardeerbaar zijn en die reeds daarom aan het Dagelijks Bestuur hadden moeten worden gemeld. Dat het Dagelijks Bestuur, in de persoon van mevrouw G. Gornicka, haar zou hebben geadviseerd slechts melding te maken van de wel opgegeven uren, althans dat zij van de hele situatie op de hoogte zou zijn, heeft appellante niet aannemelijk gemaakt.</para>
    <para />
    <para>4.5. Door van het voorgaande geen melding te maken heeft appellante de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden. De door appellante in hoger beroep alsnog overgelegde financiële gegevens over de belastingjaren 2005, 2006 en 2007 zijn in dat verband evenmin toereikend. Als gevolg van het niet nakomen van de inlichtingenverplichting was derhalve het recht op bijstand ten tijde in geding niet vast te stellen. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.6. Dit betekent dat aan de in artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB gestelde voorwaarden voor intrekking was voldaan. In hetgeen appellant heeft aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat het Dagelijks Bestuur niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot intrekking gebruik heeft kunnen maken.</para>
      <para>Daarmee was ook voldaan aan de in artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB gestelde voorwaarden voor terugvordering. De gebruikmaking van deze bevoegdheid is niet afzonderlijk bestreden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4.7. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.</para>
    <para />
    <para>5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.</para>
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep;</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    <para />
    <para>Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en R. Kooper en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 september 2010.</para>
    <para>					</para>
    <para>(get.) R.H.M. Roelofs.</para>
    <para>					</para>
    <para>(get.) R.L.G. Boot.</para>
    <para />
    <para>HD</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>