<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2010:BO0381</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-27T08:24:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BO0381</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2010-09-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">09-1792 AW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_ambtenarenrecht">Bestuursrecht; Ambtenarenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2010:BO0381">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2010:BO0381</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T07:04:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2010-10-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2010:BO0381 Centrale Raad van Beroep , 23-09-2010 / 09-1792 AW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2010:BO0381:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Afwijzing verzoek om reistijd als werktijd aan te merken. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat een redelijke uitleg van de bepalingen met zich brengt dat, nu aan de aard van de functie van appellant inherent is dat de plaats van tewerkstelling niet gelegen is binnen zijn standplaats, het reizen tussen standplaats (dan wel woonplaats) en plaats van tewerkstelling niet kan worden beschouwd als dienstreis en daarmee als diensttijd. De Raad volgt appellant niet in zijn betoog dat de minister gehouden was een (nog) meer begunstigend beleid te voeren dan in de aangepaste Vergoedingsregeling is neergelegd. Hij acht het beleid, waarmee tot op zekere hoogte tegemoet wordt gekomen aan de ongemakken die met landelijke inzetbaarheid samenhangen, niet in strijd met de grenzen van een redelijke beleidsbepaling.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2010:BO0381:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>09/1792 AW</para>
    <para />
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para />
    <para>Enkelvoudige kamer</para>
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para>op het hoger beroep van:</para>
    <para />
    <para>[appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),</para>
    <para />
    <para>tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 18 februari 2009, 08/1474 (hierna: aangevallen uitspraak),</para>
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>appellant</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>de Minister van Justitie (hierna: minister)</para>
    <para />
    <para>Datum uitspraak: 23 september 2010</para>
    <para> </para>
    <para>I. PROCESVERLOOP</para>
    <para />
    <para>Appellant heeft hoger beroep ingesteld.</para>
    <para />
    <para>De minister heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juli 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. N.E.A. Runtuwene, werkzaam bij ABVAKABO FNV. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G. Hehenkamp, werkzaam bij het Expertisecentrum arbeidsjuridisch.</para>
    <para />
    <para>II. OVERWEGINGEN</para>
    <para />
    <para>1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.</para>
    <para />
    <para>1.1. Appellant is sinds 11 september 2000 werkzaam als bewaarder/dienstgeleider bij de Dienst Vervoer en Ondersteuning (DV &amp; O) van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) van het ministerie van Justitie. De naam van deze functie is in 2003 bij de invoering van functiedifferentiatie binnen DJI gewijzigd in senior complexbeveiliger. Appellant verleende in laatstgenoemde functie tijdelijke executieve ondersteuning en hij was landelijk inzetbaar. Bij zijn aanstelling in 2000 is aan appellant geen verhuisplicht opgelegd en als zijn standplaats is aangemerkt: Assen. De plaats van tewerkstelling van appellant was ten tijde hier van belang [plaatsnaam]. </para>
    <para />
    <para>1.2. Bij brief van 20 oktober 2007 heeft appellant de minister verzocht zijn reistijd als werktijd aan te merken.</para>
    <para />
    <para>1.3. Bij besluit van 8 januari 2008 heeft de minister het onder 1.2 genoemde verzoek afgewezen. Aan dit besluit ligt de overweging ten grondslag dat de reizen die appellant aflegt tussen zijn woonplaats en zijn plaats van tewerkstelling niet kunnen worden aangemerkt als dienstreizen, maar als woon-werkverkeer zodat de met die reizen gemoeide reistijd dus niet kan worden aangemerkt als werktijd. </para>
    <para />
    <para>1.4. Bij besluit van 19 mei 2008 (hierna: bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van appellant tegen het besluit van 8 januari 2008 ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat de omstandigheid dat de standplaats van appellant en zijn plaats van tewerkstelling verschillend zijn nauw samenhangt met de aard van de functie van appellant waarbij landelijk tijdelijk executieve ondersteuning wordt geboden. De ongemakken die dit met zich meebrengt worden ondervangen doordat aan appellant een dienstauto ter beschikking is gesteld en hij in de gelegenheid wordt gesteld om in de buurt van zijn plaats van tewerkstelling te overnachten. Een en ander is meer specifiek geregeld in de circulaire van de minister van 27 januari 2004, kenmerk: 5236691/03/DJI (hierna: circulaire). De circulaire voorziet echter niet in de mogelijkheid om reistijd te compenseren, aldus de minister.         </para>
    <para />
    <para>2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.</para>
    <para />
    <para>3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.</para>
    <para />
    <para>3.1. Het geschil in hoger beroep spitst zich toe op de beantwoording van de vraag of de minister zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de tijd die is gemoeid met het reizen van appellant tussen zijn woonplaats en zijn plaats van tewerkstelling niet kan worden aangemerkt als werktijd. De Raad, zich beperkend tot dit punt van geschil, overweegt hierover het volgende.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.2.1. Ingevolge artikel 2, aanhef en onder c, van het Reisbesluit binnenland (hierna: Reisbesluit) wordt onder standplaats verstaan de gemeente of het met name bekende afzonderlijk liggend deel van de gemeente, waar de plaats van tewerkstelling van de betrokkene is gelegen.</para>
      <para>Ingevolge artikel 2, aanhef en onder d, van het Reisbesluit wordt onder plaats van tewerkstelling verstaan het gebouw, gebouwencomplex, terrein of vaartuig waar of van waaruit de betrokkene naar het oordeel van het bevoegde gezag gewoonlijk zijn werkzaamheden verricht.</para>
      <para>Ingevolge artikel 2, aanhef en onder e, van het Reisbesluit wordt onder dienstreis verstaan een naar het oordeel van het bevoegde gezag noodzakelijke verplaatsing van een betrokkene tot het verrichten van dienst buiten de plaats van tewerkstelling, alsmede het hiermee verband houdende verblijf buiten deze plaats. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3.2.2. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van het Reisbesluit, voor zover hier van belang, heeft de betrokkene, indien en zodra is te voorzien dat hij tijdelijk, voor een periode van ten minste vier weken, gedurende meer dan de helft van de voor hem gebruikelijke werkdagen zijn werkzaamheden in of vanuit één bepaalde plaats buiten zijn standplaats moet gaan verrichten, in afwijking van het bepaalde in de artikelen 6 tot en met 13 van dit besluit, voor het afleggen van het traject tussen zijn woning en de plaats van de tijdelijke tewerkstelling alsmede voor eventuele pensionkosten die hij vanwege die tijdelijke tewerkstelling maakt, aanspraak op een vergoeding voor reis- en pensionkosten op de voet van de bepalingen van of krachtens het Verplaatsingskostenbesluit 1989 (hierna: Vkb).</para>
    <para />
    <para>3.2.3. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van het Reisbesluit geldt voor de vergoeding van reis- en verblijfkosten dat de plaats van tewerkstelling het beginpunt en het eindpunt is van de dienstreis.</para>
    <para />
    <para>3.2.4. Bij de onder 1.4 genoemde circulaire heeft de minister bekendgemaakt dat per 1 januari 2004 een aangepaste Vergoedingsregeling voor onder meer executieve medewerkers van de DV &amp; O in werking is getreden. Vanwege de specifieke aard van de werkzaamheden van de medewerkers op wie de Vergoedingsregeling van toepassing is wordt in de Vergoedingsregeling op onderdelen (in positieve zin) afgeweken van de algemene regelgeving ten aanzien van verplaatsings- en verblijfsvergoedingen voor rijksambtenaren, aldus de circulaire. </para>
    <para />
    <para>3.3. In het bestreden besluit is verwezen naar het in de circulaire neergelegde beleid. In (hoger) beroep heeft de minister nader toegelicht dat het in de circulaire neergelegde beleid een nadere uitwerking behelst van de hardheidsclausules in zowel het Reisbesluit als het Vkb. Met dit - begunstigend - beleid is beoogd specifieke regels voor landelijk inzetbare medewerkers vast te leggen die voorzien in de vergoeding van reis- en verblijfkosten in verband met het reizen van het huisadres naar de inrichting waar een betrokkene is tewerkgesteld. Volgens de minister is het in de circulaire neergelegde beleid speciaal toegesneden op de specifieke aard van de werkzaamheden van de medewerkers op wie de Vergoedingsregeling van toepassing is. Zo is voor de hoogte van de vergoeding van reiskosten aangesloten bij de vergoeding die bij dienstreizen wordt genoten. De forfaitaire (lagere) vergoeding op basis van het Vkb werd niet redelijk geacht. </para>
    <para />
    <para>3.4. De Raad is in de eerste plaats met de rechtbank van oordeel dat een redelijke uitleg van de onder 3.2.1 en 3.2.2 vermelde bepalingen met zich brengt dat, nu aan de aard van de functie van appellant inherent is dat de plaats van tewerkstelling niet gelegen is binnen zijn standplaats, het reizen tussen standplaats (dan wel woonplaats) en plaats van tewerkstelling niet kan worden beschouwd als dienstreis en daarmee als diensttijd.   </para>
    <para />
    <para>3.5. De Raad volgt appellant voorts niet in zijn betoog dat de minister gehouden was een (nog) meer begunstigend beleid te voeren dan in de aangepaste Vergoedingsregeling is neergelegd. Hij acht het onder 3.3 weergegeven beleid, waarmee tot op zekere hoogte tegemoet wordt gekomen aan de ongemakken die met landelijke inzetbaarheid samenhangen, niet in strijd met de grenzen van een redelijke beleidsbepaling. </para>
    <para />
    <para>3.6. De Raad acht in hetgeen appellant over zijn specifieke situatie heeft aangevoerd geen grond aanwezig voor het oordeel dat de minister niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren om appellant in afwijking van zijn beleid in aanmerking te brengen voor de door appellant gewenste tegemoetkoming.</para>
    <para />
    <para>3.7. Gelet op het vorenstaande kan het hoger beroep niet slagen. De aangevallen uitspraak komt daarom voor bevestiging in aanmerking. </para>
    <para />
    <para>4. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.</para>
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep;</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    <para />
    <para>Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker, in tegenwoordigheid van M. Lammerse als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 september 2010.</para>
    <para>					</para>
    <para>(get.) K. Zeilemaker.</para>
    <para>					</para>
    <para>(get.) M. Lammerse.</para>
    <para />
    <para>HD</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>