<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2010:BO0320</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-05T16:40:08</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BO0320</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2010-10-06</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">09-5983 ZW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 2010/356</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2010:BO0320">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2010:BO0320</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T07:04:01</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2010-10-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2010:BO0320 Centrale Raad van Beroep , 06-10-2010 / 09-5983 ZW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2010:BO0320:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Herziening ZW- en WAZO-uitkering. Terugvordering. Appellante had een gefingeerd dienstverband en heeft nooit persoonlijk arbeid verricht voor, dan wel loon ontvangen van Aanneembedrijf en appellante was om die reden niet verzekerd voor de sociale verzekeringswetten. Het Uwv heeft aannemelijk gemaakt dat appellante niet daadwerkelijk werkzaam is geweest in dienst van het Aanneembedrijf en over de door haar gestelde periode loon heeft ontvangen, voordat zij een ZW-uitkering aanvroeg.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2010:BO0320:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>09/5983 ZW</para>
    <para />
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para />
    <para>Meervoudige kamer</para>
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para>op het hoger beroep van:</para>
    <para />
    <para>[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),</para>
    <para />
    <para>tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 18 september 2009, 08/5165 (hierna: aangevallen uitspraak),</para>
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>appellante</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).</para>
    <para />
    <para>Datum uitspraak: 6 oktober 2010</para>
    <para> </para>
    <para>I. PROCESVERLOOP</para>
    <para />
    <para>Namens appellante heeft mr. I.A. Groenendijk, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.</para>
    <para />
    <para>Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2010. Appellante en haar advocaat zijn niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers. </para>
    <para />
    <para>II. OVERWEGINGEN</para>
    <para />
    <para>1.1. Appellante is door het Uwv van 23 oktober 2006 tot en met 14 januari 2007 en van 8 mei 2007 tot en met 31 december 2007 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) en voorts tussentijds van 15 januari 2007 tot en met 7 mei 2007 voor een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg (WAZO) in verband met ziekte die was ontstaan tijdens een beweerd dienstverband met [naam Agrarisch Aanneembedrijf] te [vestigingsplaats], waarvan [naam eigenaar/directeur] eigenaar/directeur was. </para>
    <para />
    <para>1.2. Op basis van onderzoeksbevindingen in het kader van het project “Schijn bedriegt” heeft het Uwv geconcludeerd dat appellante geen werkzaamheden in dienstverband voor [Aanneembedrijf] heeft verricht. Bij besluiten van 1 februari 2008 en 4 juni 2008 heeft het Uwv achtereenvolgens de ZW- en de WAZO-uitkering ingetrokken en de deswege ten onrechte betaalde uitkeringen tot een totaalbedrag van € 21.903,39 van appellante teruggevorderd. </para>
    <para />
    <para>1.3. Bij besluit van 6 juni 2008 heeft het Uwv de bezwaren van appellante tegen de besluiten betreffende de ZW- en de WAZO-uitkering ongegrond verklaard. Het Uwv heeft daarbij het standpunt gehandhaafd dat appellante een gefingeerd dienstverband had en nooit persoonlijk arbeid heeft verricht voor, dan wel loon ontvangen van [Aanneembedrijf] en dat appellante om die reden niet was verzekerd voor de sociale verzekeringswetten.</para>
    <para />
    <para>2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het besluit van 6 juni 2008 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij met name verwezen naar de gegevens uit het frauderapport van het Uwv van 15 januari 2008, aangevuld op 28 februari 2008, en de daarin opgenomen verklaringen van P.N.J. van Schie, tuinder te [naam gemeente] en eigenaar van het bedrijf waar appellante via [Aanneembedrijf] zou zijn tewerkgesteld vóór haar ziekmelding per 23 oktober 2006. </para>
    <para />
    <para>3. Appellante heeft dit oordeel in hoger beroep bestreden. Zij heeft onder meer aangevoerd dat zij in tegenstelling tot de bewering van [naam eigenaar/directeur] wel persoonlijk arbeid heeft verricht via [Aanneembedrijf]. Zij wijst er op dat zij ter zake een arbeidsovereenkomst heeft getekend, dat deze is verlengd van 11 oktober 2006 tot en met 31 oktober 2006, dat zij alle van de boekhouder van [Aanneembedrijf] ontvangen loonstroken heeft overgelegd en dat [Aanneembedrijf] haar bij de arbo-dienst heeft ziek gemeld. Naar aanleiding van het verhoor dat haar is afgenomen in het kader van het fraude-onderzoek is in hoger beroep aangevoerd dat het feiten betreft die al enige jaren geleden hebben plaatsgevonden en dat appellante een psychiatrisch patiënt is die onder zware behandeling staat. Het is daarom niet vreemd dat appellante niet exact het bedrijf kan noemen waar zij heeft gewerkt. Voorts heeft appellante aangevoerd dat bij nadere navraag is gebleken dat er vrouwen voor [Aanneembedrijf] hebben gewerkt, ook in de tomatenteelt. </para>
    <para />
    <para>4. Het Uwv heeft het standpunt ingenomen dat in hoger beroep geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn aangevoerd en dat, zoals reeds overwogen in de aangevallen uitspraak, de bevindingen uit het frauderapport door appellante op geen enkele wijze worden weerlegd. Appellante heeft niet met objectieve, verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat zij destijds werkzaamheden heeft verricht in loondienst van [Aanneembedrijf], hetgeen naar bewering van appellante werkzaamheden in de paprikateelt zou betreffen. Het Uwv heeft er in dat verband op gewezen dat de paprika een klimplant is en dus niet op de grond groeit zoals appellante heeft verklaard tijdens het verhoor. Tevens heeft het Uwv nog opgemerkt dat het verhoor van appellante op 21 december 2007 op een zorgvuldige wijze heeft plaatsgehad en dat appellante aan het eind van haar verhoor ook heeft verklaard dat zij daarbij netjes is behandeld. </para>
    <para />
    <para>5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.</para>
    <para />
    <para>5.1. De Raad stelt voorop, onder verwijzing naar zijn uitspraak van 1 juli 2010, LJN BN0957, dat het bij besluiten tot intrekking en terugvordering van sociale zekerheidsuitkeringen als hier aan de orde gaat om belastende besluiten waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis omtrent de relevante feiten en omstandigheden te vergaren. Die last om informatie te vergaren brengt mee dat het Uwv in het voorliggende geval feiten moet aandragen aan de hand waarvan het aannemelijk is dat er in de relevante periode geen sprake was van een dienstbetrekking van appellante met [Aanneembedrijf]. </para>
    <para />
    <para>5.2. Bij de vaststelling van de feiten die van belang zijn voor de beantwoording van de vraag of sprake is geweest van een dienstbetrekking, komt in beginsel een groot gewicht toe aan processen-verbaal met bevindingen van opsporingsambtenaren en verklaringen van betrokkenen die tegenover bevoegde opsporingsambtenaren zijn afgelegd en ondertekend. Indien op grond van de door het Uwv gepresenteerde feiten aannemelijk is dat de betrokkene ten tijde van belang geen dienstbetrekking in de zin van de sociale verzekeringswetten vervulde, dan ligt het op de weg van betrokkene de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk te maken.</para>
    <para />
    <para>5.3. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat het fraudeonderzoek van het Uwv zorgvuldig is verricht en dat op grond daarvan voldoende aannemelijk is geworden dat in het geval van appellante geen sprake is geweest van een dienstbetrekking met [Aanneembedrijf]. Het frauderapport van 15 januari 2008, met de aanvulling van 28 februari 2008, biedt voldoende basis voor de conclusie dat er bij [Aanneembedrijf] sprake is geweest van een gefingeerd dienstverband met appellante. De eigenaar/directeur van [Aanneembedrijf], [eigenaar/directeur], heeft op 31 januari 2008 verklaard dat hij een arbeidscontract op naam van appellante heeft ondertekend, maar dat appellante in 2006 in het geheel niet via hem heeft gewerkt en dat aan haar geen loon is betaald. Wat betreft de overgelegde acht loonstroken heeft [eigenaar/directeur] verklaard dat deze wellicht door zijn boekhouder zijn verstrekt, ondanks het feit dat deze wist dat appellante niet bij [Aanneembedrijf] had gewerkt. De Raad stelt vast dat [naam inlener], degene bij wie appellante in het tuinbouwbedrijf zou hebben gewerkt, heeft verklaard dat destijds door hem via [Aanneembedrijf] nooit vrouwen werden ingeleend. Ook van andere uitzendbedrijven heeft hij naar zijn verklaring geen vrouwen ingeleend. Voorts heeft hij appellante bij confrontatie met haar identiteitskaart niet herkend en heeft hij aangegeven dat appellante niet bij hem heeft gewerkt. De verklaring van [naam inlener] komt overeen met de verklaring van fraude-inspecteur F.J.M. Koreman, die aangaf dat hij alle opdrachtgevers van [Aanneembedrijf] uit 2006 heeft bezocht en dat zij allemaal - onder wie [naam inlener] - hebben verklaard dat er toen geen vrouwen via [Aanneembedrijf] bij hen werkzaam zijn geweest. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.4. Op 21 december 2007 heeft appellante tijdens haar verhoor het volgende verklaard:</para>
      <para>“Ik werkte in de Lier. Ik weet niet hoe de naam van de tuin was waar ik werkte. Ik weet alleen dat ik met [P.] te maken had. Ik deed sorteerwerk en snijwerk van paprika. Ik heb voor [Aanneembedrijf] alleen maar voor [P.] gewerkt. Ik heb alleen maar het werk in de paprika gedaan. Het is een oude tuin. De schuur is van beton. De tafels binnen zijn groen/bruin. De kantine is beneden. Als je binnenkomt aan de rechterkant. Als je de kantine binnenkomt, zie je recht voor je de wc. Alle kassen zijn van glas. De paprika groeit op de grond. Op plastic en natte sponzen.”</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5.5. Aangaande de door haar verrichte werkzaamheden heeft appellante toen tevens verklaard dat zij niet weet hoe op het werk te komen. Zij werd steeds opgehaald in een busje, bestuurd door [eigenaar/directeur] of zijn broer. Overige informatie waar zij gewerkt zou hebben kon appellante niet verschaffen, waarbij zij enerzijds aangaf dat zij het zich niet meer kon herinneren, terwijl zij anderzijds weigerde met de verbalisanten mee te gaan naar het bedrijf van [naam inlener] in [inlener] om meer duidelijkheid te verkrijgen. Nadere, concrete gegevens over het werk heeft appellante niet verstrekt in de loop van de hele procedure.</para>
    <para />
    <para>5.6. Gelet op de stellige verklaringen van [naam inlener] en Koremans en voorts de daarmee in overstemming zijnde informatie die [eigenaar/directeur] heeft verstrekt dat appellante nimmer is komen opdagen om arbeid te verrichten, is er geen aanleiding hier gewicht toe te kennen aan de door appellante overgelegde afschriften van arbeidsovereenkomsten en loonstrookjes. Appellante heeft niet op basis van concrete, medische gegevens aannemelijk gemaakt dat zij niet in staat was meer, verifieerbare informatie over het beweerde werk te verstrekken en adequaat te reageren op de haar gestelde vragen in het kader van het fraudeonderzoek. Voor zover appellante thans in hoger beroep stelt dat zij destijds in de tomaten- en dus niet in de paprikateelt heeft gewerkt, merkt de Raad op dat daarover geen nadere gegevens zijn verschaft. </para>
    <para />
    <para>5.7. Gelet op hetgeen onder 5.1 tot en met 5.6 is overwogen, heeft het Uwv aannemelijk gemaakt dat appellante niet daadwerkelijk vanaf 10 april 2006 tot en met 22 oktober 2006 werkzaam is geweest in dienst van [Aanneembedrijf] en over de door haar gestelde periode loon heeft ontvangen, voordat zij per 23 oktober 2006 een ZW-uitkering aanvroeg. De Raad acht zich op basis van de beschikbare informatie voldoende voorgelicht om tot een oordeel te komen. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd brengt de Raad niet tot een ander oordeel dan waartoe de rechtbank is gekomen. </para>
    <para />
    <para>5.8. Van dringende redenen als bedoeld in de artikelen 30a, tweede lid, en 33, vierde lid, van de ZW en 3:16, eerste lid, aanhef en onder b en m, van de WAZO die tot een ander oordeel dienen te leiden is niet gebleken. Het Uwv heeft de ZW- en WAZO-uitkering derhalve terecht herzien en teruggevorderd.</para>
    <para />
    <para>5.9. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. </para>
    <para />
    <para>6. De Raad acht geen termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht tot een proceskostenveroordeling over te gaan. </para>
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>            </para>
    <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    <para />
    <para>Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J. Riphagen en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2010.</para>
    <para>						</para>
    <para>(get.) Ch. van Voorst.</para>
    <para />
    <para>						</para>
    <para>(get.) M. Mostert.</para>
    <para />
    <para>RH</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>