<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2010:BO0017</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-27T08:19:22</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BO0017</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2010-10-06</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">07-4268 ZW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2010:BO0017">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2010:BO0017</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T07:02:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2010-10-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2010:BO0017 Centrale Raad van Beroep , 06-10-2010 / 07-4268 ZW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2010:BO0017:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Weigering ziekengeld. Als maatstaf dient te worden genomen de arbeid behorend bij een of meer functies die in het kader van de laatste WAO-beoordeling als geschikt voor appellante waren aangemerkt. Voldoende medische grondslag. Niet aannemelijk geworden dat aan appellante de door haar verwoorde toezegging - wat daar verder van zij - in concrete en ondubbelzinnige vorm is gedaan.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2010:BO0017:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>07/4268 ZW</para>
    <para />
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para />
    <para>Meervoudige kamer</para>
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para>op het hoger beroep van:</para>
    <para />
    <para>[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 2 juli 2007, 06/2504 </para>
      <para>(hierna: aangevallen uitspraak),</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>appellante</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>de Raad van Bestuur van het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).</para>
    <para />
    <para>Datum uitspraak: 6 oktober 2010</para>
    <para />
    <para>I. PROCESVERLOOP</para>
    <para />
    <para>Namens appellante heeft mr. K.J. Meijer, advocaat te Sint Annaparochie, hoger beroep ingesteld.</para>
    <para />
    <para>Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, vergezeld van een rapport van 20 september 2007 van L. Zwemer, bezwaarverzekeringsarts.</para>
    <para />
    <para>Het Uwv heeft bij brief van 11 december 2007 nog een nadere toelichting gegeven.</para>
    <para />
    <para>Bij brief van 13 november 2008 heeft drs. C. Atema, werkzaam bij de stichting Bok, zich als opvolgend gemachtigde gesteld.</para>
    <para />
    <para>Bij brief van 25 november 2008 heeft het Uwv enkele stukken op verzoek van de Raad in het geding gebracht. </para>
    <para />
    <para>Laatstvermelde gemachtigde heeft nog nadere stukken in het geding gebracht en bij brief van 26 november 2008 nog een nadere uiteenzetting gegeven. </para>
    <para />
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2010. Appellante en laatstvermelde gemachtigde waren aanwezig. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door J.T. Wielinga. </para>
    <para />
    <para>II. OVERWEGINGEN </para>
    <para />
    <para>1. Appellante, werkzaam als cassière, heeft zich in juni 2000 ziek gemeld met onder andere rug- en handklachten, waarna aan haar per 25 juni 2001 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Deze uitkering is door het Uwv ingetrokken per 18 augustus 2004 omdat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante werd gesteld op minder dan 15%. Tijdens het ontvangen van uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) heeft zij zich per 11 februari 2005 wederom ziek gemeld waarna zij ziekengeld heeft ontvangen en met ingang van 16 maart 2005 arbeidsgeschikt is verklaard. Haar bezwaren tegen de beslissingen inzake de WAO en de Ziektewet (ZW) zijn ongegrond verklaard, waarna de namens appellante ingestelde beroepen hebben geleid tot, in eerste instantie, de uitspraak van de Raad van 12 september 2007, LJN BB3750, en nadien tot de uitspraak van heden, in het geding 10/1153 WAO.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Appellante heeft zich tijdens het ontvangen van uitkering ingevolge de WW opnieuw per 17 oktober 2005 ziek gemeld onder meer in verband met rugklachten en toegenomen klachten aan de handen en vingers, waarna aan haar een uitkering krachtens de ZW is verstrekt. Bij besluit van 20 april 2006 heeft het Uwv haar medegedeeld dat zij per 10 mei 2006 geen recht meer heeft op uitkering ingevolge de ZW omdat zij niet langer ongeschikt wordt geacht voor het verrichten van haar arbeid. Daarbij is, nu zij gedurende de maximumtermijn al ZW-uitkering had ontvangen en nadien een WAO-uitkering als hiervoor vermeld, en nu zij blijvend ongeschikt wordt geacht voor haar oorspronkelijke arbeid, als maatstaf genomen de arbeid behorend bij een of meer functies die in het kader van de laatste WAO-beoordeling als geschikt voor haar waren aangemerkt. Daaraan ligt een onderzoek van de arts W.D. Noorduin ten grondslag die heeft vastgesteld dat vijf maanden na een CTS-operatie geen complicaties zijn opgetreden zodat licht handmatig werk voor appellante mogelijk is. Ook de functie van de rug is zodanig dat stikt rugsparend werk tot de mogelijkheden behoort. Hij heeft daartoe gewezen op de eerder in het kader van de WAO geduide functie van samensteller (ook wel: productiemedewerker industrie, Fb-code 111180). Namens appellante is bezwaar gemaakt tegen het besluit van 20 april 2006; daarbij is onder meer informatie van P. Wigt, Ärzt für Orthopädie, overgelegd. Appellante is gezien door L. Zwemer, bezwaarverzekeringsarts, die in zijn rapport van 10 oktober 2006 uitgebreid verslag heeft gedaan van de medische voorgeschiedenis, melding heeft gemaakt van de verkregen informatie van P. Wigt voornoemd en van L.J. Engstrom, neuroloog, en heeft geconcludeerd, dat er geen medisch objectiveerbare basis aanwezig is voor toegenomen beperkingen op de datum in geding ten opzichte van de vorige ZW-beoordeling. Appellante kan dan ook geschikt worden geacht voor de ook aan de eerdere ZW-beslissing ten grondslag gelegde functies telefoniste en surveillant. Het Uwv heeft vervolgens bij besluit van 11 oktober 2006 </para>
      <para>(hierna: het bestreden besluit) het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. De rechtbank heeft het namens appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen geen aanleiding te zien om te twijfelen aan (de conclusie van) het rapport van 10 oktober 2006 van L.J. Zwemer voornoemd en met name geen reden te zien om aan te nemen dat deze de CTS-klachten van appellante zou hebben onderschat. Daarbij heeft de rechtbank erop gewezen dat M.E. van der Molen, bezwaararbeidsdeskundige in haar rapport van 29 maart 2006 de geschiktheid voor appellante van laatstgenoemde twee functies voldoende heeft toegelicht. De rechtbank heeft tevens opgemerkt dat de door appellante gestelde toezegging van Zwemer voornoemd - namelijk dat alvorens op bezwaar te beslissen een specialist om advies zou worden gevraagd - niet aannemelijk is gemaakt; zulks omdat de gedingstukken daarvoor geen aanknopingspunten bieden en appellante haar stelling overigens niet heeft onderbouwd.</para>
    <para />
    <para>4. Namens appellante is in hoger beroep onder meer gesteld dat zij meer beperkt is dan door het Uwv is aangenomen en dat met name haar hand- en vingerklachten zijn onderschat. De gevoelloosheid en tintelingen in haar handen en vingers zouden wellicht niet het gevolg zijn van een CTS maar van het thoracic outlet syndroom. Dat haar rugklachten wel degelijk zijn toegenomen blijkt onder andere uit de informatie van P. Wigt voornoemd. De stelling met betrekking tot de eerder weergegeven toezegging heeft zij gehandhaafd.</para>
    <para />
    <para>5.1. De Raad oordeelt als volgt.</para>
    <para />
    <para>5.2. De Raad kan in grote lijnen onderschrijven hetgeen de rechtbank heeft overwogen en beslist. De door het Uwv gehanteerde maatstaf voor het beoordelen van de geschiktheid van appellante is in lijn met de rechtspraak van de Raad op dit punt. Ook de Raad acht de conclusie waartoe Zwemer, bezwaarverzekeringsarts, is gekomen niet onjuist. Voldoende aannemelijk is dat de door deze arts genoemde, eerder aan de schatting in het kader van de WAO ten grondslag gelegde functies, rugsparend werk betreffen, terwijl uit het hiervoor genoemde rapport van Van der Molen voornoemd van 29 maart 2006 voldoende blijkt, dat deze functies geen te hoge eisen stellen aan het hand- en vingergebruik door appellante. De namens appellante in het geding gebrachte medische informatie weegt daartegenover onvoldoende zwaar, te meer nu de desbetreffende artsen hun oordeel in feite op geen andere bevindingen baseren dan Zwemer heeft gedaan. Laatstgenoemde arts heeft in haar rapport van 20 september 2007 - met betrekking tot de stelling dat er sprake zou zijn van een thoracic outlet Syndroom - aangegeven dat geen van de verzekeringsartsen of  behandelend specialisten van appellante aanleiding heeft gezien daarnaar gericht onderzoek te doen, kennelijk bij gebrek aan aanknopingspunten daarvoor; bovendien zou, ware dit syndroom aanwezig, er slechts aanleiding zijn tot het stellen van een extra beperking ten aanzien van bovenhands werken, terwijl dit aspect in de geduide functies niet of nauwelijks voorkomt.</para>
    <para />
    <para>5.3. Met betrekking tot de gestelde toezegging door de bezwaarverzekeringsarts Zwemer overweegt de Raad, dat niet aannemelijk is geworden dat aan appellante de door haar verwoorde toezegging - wat daar verder van zij - in concrete en ondubbelzinnige vorm is gedaan. De bezwaarverzekeringsarts Zwemer heeft in het rapport van 13 februari 2007 aangegeven, dat slechts door haar is gezegd dat indien de bij de artsen Engström en Wigt op te vragen informatie nog aanleiding zou geven tot twijfel, zij een specialistische expertise zou vragen; nu de verkregen gegevens echter voldoende duidelijk waren om tot een afgerond oordeel te komen, was een nader onderzoek niet nodig. Deze uitleg acht de Raad acceptabel.</para>
    <para />
    <para>5.4. Hetgeen onder 5.2 en 5.3 is overwogen leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.</para>
    <para />
    <para>6. Voor een veroordeling van een der partijen in de proceskosten acht de Raad geen termen aanwezig.</para>
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    <para />
    <para>Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J. Riphagen en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2010.</para>
    <para />
    <para>(get.) Ch. van Voorst.</para>
    <para />
    <para>(get.) M. Mostert.</para>
    <para />
    <para>TM</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>