<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2010:BN9573</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T07:18:10</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BN9573</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2010-09-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">10-360 AWBZ</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RZA 2010/127</rdf:li>
          <rdf:li>ABkort 2010/362</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2010:BN9573">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2010:BN9573</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T07:01:50</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2010-10-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2010:BN9573 Centrale Raad van Beroep , 22-09-2010 / 10-360 AWBZ</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2010:BN9573:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Terugvordering van een bedrag van € 10.423,34 van het PGB is terecht. Het teruggevorderde bedrag is niet aan zorg besteed. Wijziging Regeling subsidies AWBZ met betrekking tot de overheveling van een niet besteed budget naar een volgend jaar. Ten aanzien van de invordering heeft een onvoldoende belangenafweging plaatsgevonden.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2010:BN9573:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>10/360 AWBZ</para>
    <para />
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para />
    <para>Enkelvoudige kamer</para>
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para>op het hoger beroep van:</para>
    <para />
    <para>[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), </para>
    <para />
    <para>tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 11 december 2009, 09/1204 (hierna: aangevallen uitspraak),</para>
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>appellante</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>Zorgkantoor Noord- en Midden Limburg, (hierna: Zorgkantoor)</para>
    <para />
    <para>Datum uitspraak: 22 september 2010</para>
    <para> </para>
    <para>I. PROCESVERLOOP</para>
    <para />
    <para>Namens appellante heeft mr. Th.J.J. Dierichs, advocaat te Herkenbosh, hoger beroep ingesteld.</para>
    <para />
    <para>Het Zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 augustus 2010. Appellante is daar verschenen, bijgestaan door mr. Dierichs. Het Zorgkantoor heeft zich niet laten vertegenwoordigen.</para>
    <para />
    <para>II. OVERWEGINGEN</para>
    <para />
    <para>1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.</para>
    <para />
    <para>1.1. Het Zorgkantoor heeft appellante ten behoeve van haar zoon, [naam zoon], geboren op [in] 2000, voor het jaar 2006 een netto persoonsgebonden budget (hierna: pgb) verleend van € 7.698,16. Door overheveling van € 60,12 aan niet besteed pgb over 2005 is het besteedbaar pgb over 2006 vastgesteld op € 7.758,28. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.2. Bij besluit van 9 maart 2007 heeft het Zorgkantoor het netto persoonsgebonden budget (pgb) voor het jaar 2006 vastgesteld op € 4.805,--. Onder het kopje “ de financiële afhandeling”staat vermeld “Met u af te rekenen over 2006*: € 0,00 (niets meer)”, terwijl bij de * staat vermeld: “zie de bijlage voor de uitsplitsing van deze bedragen.” In de bijlage staat onder D het volgende:</para>
      <para>“JAARSALDO: HET BEDRAG DAT U IN 2006 TER BESCHIKKING STOND</para>
      <para> 60,12	 	Overgeheveld uit vorig jaar</para>
      <para> 88,93 		Uit vorig jaar met dit jaar verrekend</para>
      <para> 7.609,23 		Dit jaar aan u overgemaakt</para>
      <para> 0,00 		Dit jaar bij u teruggevorderd</para>
      <para> 769,82 		Overgeheveld naar volgend jaar</para>
      <para> 2.183,46 		Te verrekenen met voorschotten van volgend jaar</para>
      <para> 4.805,00 		in totaal ter beschikking.”</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1.3. Het Zorgkantoor heeft appellante ten behoeve van haar zoon voor de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2007 een netto pgb verleend van € 15.273,09. Door overheveling van € 769,82 aan niet besteed, maar wel uitbetaald pgb over 2006 is het besteedbaar pgb over 2007 vastgesteld op € 16.042,91. Aan voorschotten is in 2007 een bedrag van € 13.089,63 uitbetaald.</para>
    <para />
    <para>1.4. Bij besluit van 5 mei 2008 heeft het Zorgkantoor op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ) het pgb voor de periode 1 januari 2007 tot en met 31 december 2007 vastgesteld op € 5.619,57 en een bedrag van € 10.423,34 teruggevorderd, (uitsluitend) te betalen door middel van een binnen vijf weken toe te sturen acceptgiro. </para>
    <para />
    <para>1.5. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 5 mei 2008 en daarbij vermeld dat in ieder geval een betalingsregeling in de rede ligt.</para>
    <para> </para>
    <para>1.6. Appellante heeft vervolgens aanmaningen ontvangen van een incassobureau. Bij brief van 16 april 2009 heeft het Zorgkantoor een eenmalig voorstel voor een betalingsregeling gedaan, inhoudend dat zij in zes termijnen van € 1.738,89 per maand, te beginnen in mei 2009, het terug te betalen bedrag moet voldoen. Daarbij is vermeld dat, indien op 1 mei 2009 nog geen betaling is ontvangen, het Zorgkantoor de vordering weer uithanden zou geven. </para>
    <para />
    <para>1.7. Bij besluit van 29 juli 2009 heeft het Zorgkantoor het bezwaar van appellante tegen het besluit van 5 mei 2008 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het Zorgkantoor zich op het standpunt gesteld dat het totaalbedrag dat in 2007 niet aan zorg is besteed, terecht is teruggevorderd. In dit verband heeft het Zorgkantoor gewezen op het feit dat artikel 2.6.8, vierde lid, van de Regeling subsidies AWBZ zodanig is gewijzigd dat overheveling van niet bestede bedragen naar een volgend jaar niet meer mogelijk is. Het Zorgkantoor is niet gebleken van omstandigheden, op grond waarvan gezegd zou moeten worden dat terugvordering van het niet bestede bedrag zou leiden tot een onredelijkheid en onbillijkheid van overwegende aard. </para>
    <para />
    <para>2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 29 juli 2009 ongegrond verklaard.</para>
    <para />
    <para>3. Appellante heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en het Zorgkantoor heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Op de standpunten van partijen zal, voor zover van belang, hierna bij de beoordeling worden ingegaan. </para>
    <para />
    <para>4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.</para>
    <para />
    <para>4.1.1. Ingevolge artikel 44, eerste lid, onder b, van de Algemene Wet bijzondere ziektekosten (AWBZ) kan bij ministeriële regeling worden bepaald dat het College zorgverzekeringen overeenkomstig in die regeling gestelde regels subsidies verstrekt om verzekerden de mogelijkheid te geven om in plaats van het tot gelding brengen van een aanspraak op grond van deze wet zelf te voorzien in de zorg die zij behoeven.</para>
    <para />
    <para>4.1.2. Deze ministeriële regeling is de Regeling subsidies AWBZ (Stcrt. 2005, 242, hierna de Regeling). In paragraaf 2.6. van de Regeling zijn bepalingen opgenomen over het persoonsgebonden budget. </para>
    <para />
    <para>4.1.3. Ingevolge artikel 2.6.9, eerste lid, onder a, wordt bij de verlening van het netto pgb de verzekerde de verplichting opgelegd dat hij het budget uitsluitend gebruikt voor betaling van zorg als bedoeld in artikel 2.6.1, onderdeel b of d, en de daarmee noodzakelijk verbonden kosten. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.1.4. Artikel 2.6.13 van de Regeling luidde ten tijde in geding - voor zover van belang - als volgt:</para>
      <para>1. Na afloop van ieder kalenderjaar wordt de subsidie voor het desbetreffende kalenderjaar vastgesteld.</para>
      <para>2. Indien de subsidieperiode met ingang van een andere dag dan 1 januari van een kalenderjaar eindigt, wordt, in afwijking van het eerste lid, de subsidie voor de periode gelegen tussen 1 januari van het kalenderjaar waarin de subsidie afloopt en de dag waarop de subsidieperiode afloopt, vastgesteld na afloop van de subsidieperiode.</para>
      <para>3. Een bij het zorgkantoor ingediend verantwoordingsformulier over de laatste voorschotperiode in het kalenderjaar of, indien het tweede lid van toepassing is, in de subsidieperiode, dient als aanvraag tot subsidievaststelling.</para>
      <para>4. Het zorgkantoor stelt het netto persoonsgebonden budget binnen zes weken na de aanvraag tot subsidievaststelling vast.</para>
      <para>5. Indien het verleende netto persoongebonden budget, tot een jaarbedrag herleid, € 2500 of minder bedraagt, stelt het zorgkantoor de subsidie ambtshalve vast binnen zes weken na afloop van het kalenderjaar of, indien het tweede lid van toepassing is, na afloop van de subsidieperiode.</para>
      <para>6. Artikel 4:46 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing, met dien verstande dat:</para>
      <para>a. het zorgkantoor niet nagaat of het bedrag waarover de verzekerde ingevolge artikel 2.6.9, derde lid, zonodig in combinatie met het vierde lid, geen verantwoording hoeft af te leggen, aan zorg als bedoeld in artikel 2.6.9, eerste lid, onderdeel a, is besteed;</para>
      <para>b. het persoonsgebonden budget wordt vastgesteld op de som van:</para>
      <para>1°. het bedrag, bedoeld in onderdeel a, en</para>
      <para>2°. het restant van het voor het kalenderjaar beschikbare netto persoonsgebonden budget voor zover er betalingen mee zijn verricht als bedoeld in artikel 2.6.9, eerste lid, onderdeel a.</para>
      <para>7. Het zorgkantoor vordert onverschuldigd betaalde bedragen van de verzekerde terug of verrekent deze met door hem aan de verzekerde terzake van persoonsgebonden budgetten verschuldigde bedragen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4.1.5. Ingevolge artikel 4:57 van de Awb kunnen onverschuldigd betaalde subsidiebedragen en voorschotten worden teruggevorderd voor zover na de dag waarop de subsidie is vastgesteld nog geen vijf jaren zijn verstreken. </para>
    <para />
    <para>4.2. De Raad stelt op basis van de gedingstukken vast dat het besluit van 5 mei 2008, gehandhaafd bij besluit van 29 juli 2009, aangemerkt dient te worden als een vaststellingsbeschikking als bedoeld in artikel 2.6.13, eerste lid, van de Regeling, als een besluit tot terugvordering als bedoeld in artikel 2.6.13, zevende lid, van de Regeling en als een besluit over de wijze van invordering. Ter zitting is van de zijde van appellante meegedeeld dat de vaststelling van het pgb voor 2007 door appellante niet wordt bestreden. </para>
    <para />
    <para>4.3.1. Het Zorgkantoor is op grond van artikel 2.6.13, zevende lid, van de Regeling gehouden om het onverschuldigd betaalde bedrag van appellante terug te vorderen dan wel te verrekenen met de aan haar verschuldigde bedragen, terwijl in artikel 4:57 van de Awb aan het bestuursorgaan een discretionaire bevoegdheid tot terugvordering is toegekend. Artikel 2.6.13, zevende lid, van de Regeling, dat van lagere orde is dan het voorschrift in de Awb, is in zoverre in strijd met artikel 4:57 van de Awb zodat artikel 2.6.13, zevende lid, van de Regeling, voor zover daarin de terugvordering van het aan de verzekerde onverschuldigd betaalde bedrag dan wel de verrekening daarvan met aan de verzekerde verschuldigde bedragen imperatief is bepaald, verbindende kracht mist. </para>
    <para />
    <para>5.3.2. Het vorenstaande betekent dat het Zorgkantoor bij de uitoefening van zijn bevoegdheid om het op grond van die lagere vaststelling aan appellante onverschuldigd betaalde bedrag van haar terug te vorderen, gehouden is het geschreven en ongeschreven recht in aanmerking te nemen, daaronder begrepen de in artikel 3:4 van de Awb vervatte verplichting tot belangenafweging.</para>
    <para />
    <para>5.3.3. Van de zijde van appellante is aangevoerd dat zij uit de vaststelling van het pgb voor het jaar 2006 niet heeft begrepen dat het in dat jaar wel uitbetaalde maar niet bestede bedrag was verrekend met voorschotten over 2007. Zij is afgegaan op de zinsnede ‘Met u af te rekenen over 2006: € 0,00 (niets meer).”</para>
    <para />
    <para>5.3.4. Dit beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. In bedoelde passage wordt ook verwezen naar de berekening in de bijlage en daaruit blijkt onmiskenbaar dat deze zin betrekking heeft op de situatie die is ontstaan nadat een niet verantwoord bedrag van € 769,82 is overgeheveld naar het pgb voor 2007 en een niet verantwoord bedrag van € 2.183,46 is verrekend met voorschotten in verband met het pgb voor 2007. Temeer nu appellante in de vaststelling van het pgb voor 2006 kon lezen dat er over 2006 € 7698,16 was uitbetaald en dat zij maar recht had op € 4.805,00, was er alle reden voor haar om de aan de financiële afhandeling over 2006 ten grondslag liggende, bijgevoegde, berekening te bestuderen. Appellante had dus kunnen en moeten weten dat er sprake zou zijn van een verrekening van genoemd bedrag met voorschotten over 2007. </para>
    <para />
    <para>5.3.5. Appellante heeft in het kader van de vereiste belangenafweging voorts gewezen op de volgende omstandigheden: De in de Regeling opgenomen mogelijkheid van overheveling van een niet besteed budget naar een volgend jaar is met een terugwerkende kracht van één jaar ingrijpend gewijzigd, waardoor haar financiële belangen ruimhartig moeten worden bezien; zij heeft een bedrag van ongeveer € 7.500,-- gereserveerd voor terugbetaling, maar het resterende, reeds uitgegeven bedrag kan zij niet terugbetalen, omdat zij een inkomen op bijstandsniveau heeft; bij de verlenging van het pgb in latere jaren treedt steeds vertraging op bij de indicatie en de verlening, waardoor appellante regelmatig de kosten van de zorg over enkele maanden moet voorschieten.  </para>
    <para />
    <para>5.3.6. Het Zorgkantoor heeft in de door appellante aangevoerde omstandigheden redelijkerwijs geen reden hoeven te zien om van de terugvordering van een bedrag van € 10.423,34 af te zien. De door appellante bedoelde wijziging van de Regeling acht de Raad  niet van belang, reeds niet omdat ook indien het niet bestede en niet door appellante gereserveerde bedrag zou zijn overgeheveld naar het pgb voor 2008, zij ook dan de besteding niet had kunnen verantwoorden, omdat zij dit bedrag reeds aan een andere bestemming dan AWBZ-zorg heeft uitgegeven. De overige door appellante genoemde omstandigheden zijn van belang voor de beoordeling van de beslissing over de wijze van invorderen.</para>
    <para />
    <para>5.3.7. De rechtbank heeft dan ook op goede grond het bestreden besluit tot terugvordering in stand gelaten.</para>
    <para />
    <para>5.4.1. Bij het besluit van 5 mei 2008 is besloten tot invordering ineens van het gehele bedrag van € 10.423,34. Bij brief van 16 april 2009 is een betalingsregeling voorgesteld, waarbij is meegedeeld, dat als hieraan geen uitvoering wordt gegeven op 1 mei 2009, alsnog de gehele vordering uit handen wordt gegeven. </para>
    <para />
    <para>5.4.2. Hoewel de betalingsregeling door het Zorgkantoor is aangeduid als “voorstel”, kwalificeert de Raad de brief van 16 april 2009 als een (gewijzigd) invorderingsbesluit, nu dat gelet op de overige bewoordingen als een niet meer te wijzigen definitieve betalingsregeling is bedoeld. Dit besluit had het Zorgkantoor, gelet op het gemaakte bezwaar tegen de invordering, op grond van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb moeten heroverwegen. Nu het Zorgkantoor dit heeft nagelaten, komt het besluit van 29 juli 2009 in zoverre voor vernietiging in aanmerking. </para>
    <para />
    <para>5.4.3. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. De Raad zal, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep in zoverre gegrond verklaren en het Zorgkantoor opdragen om met inachtneming van de uitspraak van de Raad een nieuw besluit op het bezwaar van appellante tegen het besluit met betrekking tot de invordering van het terug te vorderen bedrag van € 10.423,34 te nemen. Met het oog op dat nieuw te nemen besluit overweegt de Raad het volgende.</para>
    <para />
    <para>5.4.4. Uit vaste jurisprudentie van de Raad volgt dat een besluit tot invordering moet berusten op een belangenafweging als bedoeld in artikel 3:4, eerste en tweede lid, van de Awb. De uitoefening van de bevoegdheid tot invordering mag geen automatisme zijn en moet worden uitgeoefend met inachtneming van het geschreven en ongeschreven recht, Het Zorgkantoor zal een belangenafweging als bedoeld in artikel 3:4 van de Awb moeten maken, teneinde gemotiveerd te beslissen over de wijze van invordering. Hierbij dient het Zorgkantoor in ieder geval aandacht te besteden aan de in 5.3.4 weergegeven argumenten van appellante met betrekking tot haar financiële situatie.</para>
    <para />
    <para>6. De Raad ziet aanleiding om het Zorgkantoor te veroordelen in de kosten van het beroep en hoger beroep, begroot op € 644,-- in beroep en € 874,-- in hoger beroep. </para>
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep;</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarin geen oordeel is gegeven over het ontbreken van een heroverweging met betrekking tot het invorderingsbesluit;</para>
      <para>Verklaart het beroep in zoverre gegrond; </para>
      <para>Vernietigt het besluit van 29 juli 2009 in zoverre;</para>
      <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover daarin een oordeel is gegeven over het terugvorderingsbesluit;</para>
      <para>Bepaalt dat het Zorgkantoor een nieuw besluit op bezwaar neemt met betrekking tot de wijze van invorderen van het terug te vorderen bedrag van € 10.432,34 met inachtneming van deze uitspraak;</para>
      <para>Veroordeelt het Zorgkantoor in de kosten van appellante tot een bedrag van € 1.518,--, te betalen aan de griffier van de Raad;</para>
      <para>Bepaalt dat het Zorgkantoor het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 151,--.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Deze uitspraak is gedaan door G.M.T. Berkel-Kikkert, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 september 2010.</para>
    <para>					</para>
    <para>(get.) G.M.T. Berkel-Kikkert.</para>
    <para>					</para>
    <para>(get.) B. Bekkers.</para>
    <para />
    <para />
    <para>HD</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>