<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2010:BN8785</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-05T16:41:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BN8785</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2010-09-29</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">09-5206 WAO</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002524&amp;artikel=43a&amp;g=2010-09-29">Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 43a</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 2010/319</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2010:BN8785">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2010:BN8785</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T07:00:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2010-10-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2010:BN8785 Centrale Raad van Beroep , 29-09-2010 / 09-5206 WAO</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2010:BN8785:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>De rechtbank heeft ten onrechte niet beslist over de door appellante aangevoerde beroepsgrond tegen het mede aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde standpunt dat appellante geschikt is voor haar eigen werk. De Raad kent aan de bevindingen en conclusies van de bezwaarverzekeringsarts doorslaggevende betekenis toe. Inzichtelijke onderbouwing. De Raad is van oordeel dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat door het Uwv van een onjuiste belastbaarheid van appellante voor het verrichten van arbeid is uitgegaan. Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Vernietiging uitspraak. Vernietiging besluit. Rechtsgevolgen blijven in stand.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2010:BN8785:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>09/5206 WAO</para>
    <para />
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para />
    <para>Meervoudige kamer</para>
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para>op het hoger beroep van:</para>
    <para />
    <para>[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),</para>
    <para />
    <para>tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 8 september 2009, 08/4568 (hierna: aangevallen uitspraak),</para>
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>appellante</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).</para>
    <para />
    <para>Datum uitspraak: 29 september 2010 </para>
    <para> </para>
    <para />
    <para>I. PROCESVERLOOP</para>
    <para />
    <para>Namens appellante is hoger beroep ingesteld en een door de Raad aan haar gestelde vraag beantwoord.</para>
    <para />
    <para>Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en nadien desgevraagd nadere stukken overgelegd.</para>
    <para />
    <para>Bij brief van 9 augustus 2010 heeft het Uwv een afschrift overgelegd van de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 6 april 2010, 09/3472 en 09/3473.</para>
    <para />
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 augustus 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. M.C. Frissart-Kallenbach, advocaat te Nijmegen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. Smid.</para>
    <para />
    <para>II. OVERWEGINGEN </para>
    <para />
    <para>1. Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk in inkomen treedt in dit geding het Uwv in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder het Uwv tevens verstaan het Lisv.</para>
    <para />
    <para>2.1. Appellante is laatstelijk werkzaam geweest gedurende 24 uur per week als administratief medewerkster bij [naam werkgever] te [vestigingsplaats]. Op 24 juli 2000 heeft zij zich ziek gemeld vanwege nekletsel na een ongeval in een zwembad. In verband daarmee heeft zij vervolgens een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheids-verzekering (WAO) aangevraagd. </para>
    <para />
    <para>2.2. Bij besluit van 2 mei 2001 heeft het Uwv geweigerd aan appellante een WAO-uitkering toe te kennen omdat zij niet vanaf 24 juli 2000 gedurende 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest. Het door haar tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 7 mei 2002 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft bij uitspraak van 12 juli 2004 het beroep van appellante tegen het besluit van 7 mei 2002 ongegrond verklaard. De Raad heeft in zijn uitspraak van 25 juli 2006, LJN AY5604, die uitspraak vernietigd, het besluit van 7 mei 2002 vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen hij in zijn uitspraak heeft overwogen.</para>
    <para />
    <para>2.3. Bij besluit van 3 november 2006 heeft het Uwv bepaald dat appellante vanaf 24 juli 2000 wel 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest. Bij besluit van 14 maart 2007 heeft het Uwv geweigerd aan appellante met ingang van 22 juli 2001 een WAO-uitkering toe te kennen omdat zij per die datum minder dan 15% arbeidsongeschikt wordt geacht. Dit besluit berust op het standpunt van het Uwv dat appellante met ingang van 22 juli 2001 geschikt was te achten voor haar eigen werk, alsmede voor passende functies waarmee zij een zodanig inkomen kon verwerven dat het verlies aan verdiencapaciteit minder dan 15% bedroeg. Bij besluit van 26 oktober 2007 heeft het Uwv het door appellante tegen het besluit van 14 maart 2007 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 6 juni 2008 heeft de rechtbank onder meer het besluit van 26 oktober 2007 vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van haar uitspraak. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 26 september 2008 (hierna: bestreden besluit) het bezwaar ongegrond verklaard.</para>
    <para />
    <para>3.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard, het verzoek om vergoeding van wettelijke rente afgewezen en het onderzoek heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak omtrent het verzoek van appellante om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn.</para>
    <para />
    <para>3.2. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit in rechte stand kunnen houden. Daarbij heeft de rechtbank onder meer overwogen dat zij de vraag of appellante bij het bestreden besluit terecht geschikt is geacht voor haar eigen werk onbeantwoord zal laten omdat de door het Uwv bij het bestreden besluit tevens aangenomen geschiktheid van appellante voor passende functies het bestreden besluit ook geheel kan dragen.</para>
    <para />
    <para>4.1. In hoger beroep heeft appellante gesteld dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak ten onrechte geen oordeel heeft gegeven over de door haar aangevoerde beroepsgrond dat bij het bestreden besluit ten onrechte het standpunt is ingenomen dat zij geschikt is voor haar eigen werk. Daartoe heeft zij, kort weergegeven, gewezen op de door haar ingebrachte medische gegevens, waaruit volgens haar voortvloeit dat de belasting in haar eigen werk de ten aanzien van haar aangenomen belastbaarheid, zoals neergelegd in de zogeheten Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 7 maart 2007, overschrijdt, alsmede op de overwegingen in de uitspraak van de Raad van 25 juli 2006, waarin zij leest dat de Raad van oordeel is dat zij op 22 juli 2001 (het einde van de zogenoemde wachttijd) niet geheel geschikt was voor haar eigen werk. Voorts heeft zij gesteld dat de ten aanzien van haar vastgestelde FML onjuist is omdat daarbij haar belastbaarheid voor arbeid is overschat. Niet alleen is er volgens haar alle reden om een urenbeperking aan te nemen, maar ook is de ten aanzien van haar aangenomen belastbaarheid onjuist, zoals op de aspecten zitten en afwisseling van houding. Voor deze stellingen ziet zij steun in de voorhanden zijnde medische gegevens. Tenslotte heeft zij de Raad verzocht een schadevergoeding vast te stellen wegens overschrijding van de redelijke termijn.</para>
    <para />
    <para>4.2. Het Uwv heeft in verweer de stellingen van appellante bestreden en te kennen gegeven zich, wat het verzoek om schadevergoeding betreft, te refereren aan het oordeel van de Raad.</para>
    <para />
    <para>5. Het oordeel van de Raad.</para>
    <para />
    <para>5.1.1. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak ten onrechte niet beslist over de door appellante aangevoerde beroepsgrond tegen het mede aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde standpunt dat appellante geschikt is voor haar eigen werk. Met appellante is de Raad van oordeel dat appellante belang had (en heeft) bij een dergelijk oordeel, gelet op het bepaalde in artikel 43a, eerste lid, aanhef en onder b, van de WAO. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak, in zoverre niet is beslist over deze beroepsgrond, al niet in rechte stand kan houden.</para>
    <para />
    <para>5.1.2. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad de beroepsgrond van appellante, gericht tegen het mede aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde standpunt dat appellante geschikt is voor haar eigen werk, beoordelen. Daartoe dient de Raad eerst de gronden in hoger beroep te beoordelen die zijn aangevoerd tegen het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.2. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de door het Uwv ten aanzien van appellante aangenomen belastbaarheid voor arbeid, neergelegd in de FML van 7 maart 2007, niet onjuist is te achten. Gelet op het geheel van de voorhanden zijnde medische gegevens acht de Raad niet aannemelijk dat, zoals appellante heeft betoogd, er ten aanzien van haar een urenbeperking had moeten worden aangenomen. De Raad wijst er daartoe op dat uit de door appellante in de procedure ingebrachte medische verklaringen van de neurologen R.S.H.M. Beijersbergen en prof.dr. L.J. Kappelle weliswaar naar voren komt dat deze artsen inschatten dat appellante haar werk niet in de volle omvang van 24 uur per week kan verrichten, maar dat bezwaarverzekeringsarts </para>
      <para>S. Gommers van het Uwv daartegen in zijn rapporten van 8 juni 2006, 26 april 2007 en 17 september 2008 inzichtelijk heeft betoogd dat naast de ten aanzien van appellante aangenomen beperkingen het stellen van een urenbeperking, gelet op de voorwaarden waaronder tot het stellen van een zodanige beperking kan en dient te worden overgegaan, geen aanleiding bestaat. Gommers heeft de FML op 26 april 2007 nog enigszins aangepast. De Raad kent aan de bevindingen en conclusies van de bezwaarverzekeringsarts doorslaggevende betekenis toe. Naar het oordeel van de Raad bestaat daarvoor een genoegzame grondslag omdat deze bezwaarverzekeringsarts met name de expertise heeft om, zich baserende op een medisch oordeel over de gezondheidstoestand van appellante, beperkingen voor het verrichten van arbeid aan te nemen, er geen aanleiding is om aan te nemen dat de bezwaarverzekeringsarts geen volledig beeld heeft gehad van de klachten van appellante, de bezwaarverzekeringsarts de overwegingen van de hiervoor genoemde neurologen in zijn beschouwingen heeft betrokken en voorts zijn bevindingen en conclusies inzichtelijk heeft onderbouwd. Voorts overweegt de Raad, in antwoord op het beroep dat appellante heeft gedaan op zijn eerdere uitspraak, dat in de procedure die heeft geleid tot zijn uitspraak van 25 juli 2006 slechts de (rechts)vraag aan de orde was of het Uwv op goede gronden had aangenomen dat appellante de zogenoemde wachttijd van 52 weken niet had doorgemaakt, welke vraag door hem in die uitspraak ontkennend is beantwoord. In die uitspraak heeft de Raad geen oordeel gegeven over de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante met ingang van 22 juli 2001, nu een besluit met betrekking tot die datum niet voorlag. Ook wat de in de FML van 26 april 2007 neergelegde en door appellante bestreden beperkingen betreft </para>
      <para>- met name de aspecten zitten en afwisseling van houding - is de Raad van oordeel dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat door het Uwv van een onjuiste belastbaarheid van appellante voor het verrichten van arbeid is uitgegaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5.3. Uitgaande van de bij het bestreden besluit aangenomen belastbaarheid voor het verrichten van arbeid, als neergelegd in de FML van 26 april 2007, is de Raad van oordeel dat de vraag of appellante, gelet op de belasting in haar eigen werk, voor dat eigen werk geschikt is, terecht door het Uwv bevestigend is beantwoord. De Raad ziet voor dit oordeel steun in de rapportage van bezwaararbeidsdeskundige F. van den Berg van 26 oktober 2007, waarin deze, uitgaande van de door appellante ingebrachte beschrijving van (de belasting in) haar werk van 3 mei 2001, gemotiveerd heeft betoogd dat de belasting in het eigen werk, alsmede de belasting in de aan appellante als passende arbeid voorgehouden functies niet de belastbaarheid van appellante te boven gaan.</para>
    <para />
    <para>5.4. Uit hetgeen de Raad onder 5.2 en 5.3 heeft overwogen, vloeit voort dat hetgeen door appellante naar voren is gebracht ten betoge dat het bestreden besluit niet in rechte stand kan houden, niet kan slagen. Ook de overige tegen de aangevallen uitspraak aangevoerde beroepsgronden treffen geen doel.</para>
    <para />
    <para>5.5.1. Met betrekking tot het verzoek van appellante in hoger beroep om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het EVRM, overweegt de Raad als volgt.</para>
    <para />
    <para>5.5.2. Bij haar in rubriek I genoemde uitspraak van 6 april 2010 heeft de rechtbank de Staat der Nederlanden (ministerie van Justitie) en het Uwv veroordeeld tot vergoeding van schade aan appellante wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europese Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden. De rechtbank is daarbij uitgegaan van een overschrijding van de als redelijk aan te merken duur van een procedure in drie instanties in zaken zoals de onderhavige, welke redelijke duur in beginsel niet is overschreden als de procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen, van, afgerond op halve jaren, vijf jaar. Uitgaande van deze door haar vastgestelde duur van de overschrijding heeft zij, uitgaande van een vergoeding van € 500,- per half jaar, een schadevergoeding vastgesteld van in totaal € 5.000,-. Zij heeft daarbij de gehele duur van de procedure in aanmerking genomen tot de datum van de uitspraak van 6 april 2009. Partijen hebben tegen deze uitspraak geen hoger beroep ingesteld.</para>
    <para />
    <para>5.5.3. Het voorgaande brengt mee dat, zoals ter zitting door appellante is gesteld en waarmee het Uwv heeft ingestemd, thans nog slechts aan de orde is een verzoek om vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, gelet op de duur van de onderhavige hoger beroepsprocedure, waarbij de periode van de hoger beroepsprocedure tot 6 april 2009 buiten beschouwing dient te blijven, nu over dat deel van de hoger beroepsprocedure door de rechtbank is beslist. Voorts hebben partijen ter zitting te kennen gegeven dat, omdat sprake is van een vernietiging in hoger beroep van de eerste beslissing op bezwaar van 7 mei 2002 en een vernietiging in beroep van de tweede beslissing op bezwaar van 26 oktober 2007, de vergoeding van de schade voor rekening van het Uwv komt. Daarbij hebben partijen er op gewezen dat de behandeling van het onderhavige hoger beroep, naar het zich laat aanzien, niet langer dan twee jaar zal duren.</para>
    <para />
    <para>5.5.4. Partijen hebben zich ter zitting van de Raad op het standpunt gesteld dat op 6 april 2010, gerekend vanaf de aanvang van de redelijke termijn, een periode van een half jaar was geëindigd en een volgende periode op 7 april 2010 een aanvang heeft genomen. Gelet op de datum van deze uitspraak stelt de Raad vast dat de op 7 april 2010 aangevangen nieuwe periode niet langer dan een half jaar heeft geduurd, zodat de vergoeding die het Uwv dient te betalen wegens overschrijding van de redelijke termijn voor zover het de onderhavige hoger beroepsprocedure betreft, dient te worden vastgesteld op € 500,-. Daartoe verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 26 januari 2009, LJN BH1009, waarin hij heeft overwogen dat in beginsel een vergoeding van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden, gepast is te achten.</para>
    <para />
    <para>5.5.5. Uit hetgeen onder 5.5.1 tot en met 5.5.4 is overwogen, vloeit voort dat de Raad - met vernietiging van de aangevallen uitspraak - het beroep gegrond zal verklaren, het besluit van 26 september 2008 zal vernietigen, de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand zal laten en het Uwv zal veroordelen tot een schadevergoeding van € 500,-.</para>
    <para />
    <para>6. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.</para>
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak;</para>
      <para>Verklaart het beroep tegen het besluit van 26 september 2008 gegrond en vernietigt dat besluit;</para>
      <para>Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;</para>
      <para>Veroordeelt het Uwv tot betaling aan appellante van een schadevergoeding van € 500,-;</para>
      <para>Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,-;</para>
      <para>Bepaalt dat het Uwv aan appellante het betaalde griffierecht van € 110,- vergoedt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en H. Bolt en T. Hoogenboom als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. </para>
      <para>De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 september 2010.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) D.J. van der Vos.</para>
    <para />
    <para />
    <para>(get.) M.A. van Amerongen.</para>
    <para />
    <para />
    <para>NK</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>