<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2010:BN7996</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-27T07:43:35</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BN7996</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2010-09-07</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">08-987 WWB</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2010:BN7996">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2010:BN7996</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T06:57:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2010-09-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2010:BN7996 Centrale Raad van Beroep , 07-09-2010 / 08-987 WWB</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2010:BN7996:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Herziening en terugvordering bijstand. De alimentatie is alsnog als inkomsten aangemerkt. Schending inlichtingenverplichting. Geen verminderde verwijtbaarheid.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2010:BN7996:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>08/987 WWB</para>
    <para />
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para />
    <para>Enkelvoudige kamer</para>
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para>op het hoger beroep van:</para>
    <para />
    <para>[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),</para>
    <para />
    <para>tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 19 december 2007, 07/199 (hierna: aangevallen uitspraak),</para>
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>appellante</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen (hierna: College)</para>
    <para />
    <para>Datum uitspraak: 7 september 2010.</para>
    <para> </para>
    <para>I. PROCESVERLOOP</para>
    <para />
    <para>Namens appellante heeft mr. B. van Dijk, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld. </para>
    <para />
    <para>Het College heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <para>Het geschil is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 27 juli 2010. Partijen zijn niet verschenen.</para>
    <para />
    <para>II. OVERWEGINGEN</para>
    <para />
    <para>1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.</para>
    <para />
    <para>1.1. Appellante ontving bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor een alleenstaande ouder. Omstreeks april 2006 is naar voren gekomen dat aan appellante bij beschikking van het Gerechtshof te Leeuwarden van 9 juli 2003, ten laste van de vader van haar zoon [H.], met ingang van 30 augustus 2002 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van dit kind is toegekend van € 85,-- per maand, van welke alimentatie appellante aan het College geen mededeling heeft gedaan.</para>
    <para />
    <para>1.2. Bij besluit van 27 september 2006, zoals gewijzigd bij besluit van 20 november 2006, heeft het College de bijstand van appellante over de periode van 1 januari 2004 tot en met 31 mei 2006 herzien, in die zin dat de alimentatie alsnog als inkomsten is aangemerkt, en de kosten van bijstand over deze periode tot een bedrag van € 3.727,41 van appellante teruggevorderd.</para>
    <para />
    <para>1.3. Bij besluit van 19 januari 2007 heeft het College, voor zover thans nog van belang, het hiertegen gerichte bezwaar van appellante ongegrond verklaard.</para>
    <para />
    <para>2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard.</para>
    <para />
    <para>3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, komt de Raad tot de volgende beoordeling.</para>
    <para />
    <para>3.1. Niet in geschil is dat appellante, door geen melding te maken van de kinderalimentatie, de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) en artikel 17, eerste lid, van de WWB op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat haar, als gevolg daarvan, te veel bijstand is verleend. </para>
    <para />
    <para>3.2. Bij de berekening van het te veel uitgekeerde bedrag aan bijstand is het College afgegaan op gegevens die afkomstig zijn van de bij de inning van de alimentatie betrokken deurwaarder. Appellante stelt zich op het standpunt dat het College in plaats daarvan zelfstandig, aan de hand van haar bankafschriften, had moeten onderzoeken hoeveel alimentatie zij feitelijk heeft ontvangen. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat dit betoog niet kan slagen, omdat de bewijslast hier niet op het College maar op appellante rust. Appellante heeft haar inlichtingenverplichting geschonden, met als gevolg dat de omvang van haar recht op bijstand in de betrokken periode opnieuw moest worden vastgesteld. Naar vaste rechtspraak was het onder die omstandigheden aan haar om feiten te stellen en zonodig te bewijzen waaruit voortvloeit in hoeverre, in het geval wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan, over die periode recht op (aanvullende) bijstand bestond. Indien appellante van mening was dat uit haar bankafschriften een geringer bedrag aan te verrekenen alimentatie was af te leiden dan naar voren is gekomen uit het   op zichzelf niet onzorgvuldige - onderzoek van het College, had het dan ook op haar weg gelegen om zelf die bankafschriften in het geding te brengen. Dit heeft zij niet (volledig) gedaan. Bij gebreke daarvan kan appellante niet staande houden dat het bedrag van de herziening onjuist is vastgesteld.</para>
    <para />
    <para>3.3. De herziening is verder niet bestreden. Wat betreft de terugvordering heeft appellante aangevoerd dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid, die de schending van de inlichtingenverplichting niet (geheel) wegneemt, maar die tot gevolg heeft dat niet de gehele te veel verstrekte bijstand kan worden teruggevorderd en dat met name brutering van het terug te vorderen bedrag achterwege had moeten blijven. Ook deze stelling treft geen doel, reeds omdat appellante heeft kunnen en moeten begrijpen dat het feit dat zij voor haar zoon alimentatie ontving van belang was voor de vaststelling van de omvang van haar recht op bijstand, zodat zij daarvan mededeling behoorde te doen aan het College. Het tegendeel is niet met objectieve (medische) gegevens aannemelijk gemaakt. Evenmin zijn feiten of omstandigheden naar voren gekomen die dringende redenen opleveren in de zin van het door het College gehanteerde terugvorderingsbeleid. Dat de wegens de schending van de inlichtingenverplichting aan appellante opgelegde - hier op zichzelf niet ter discussie staande - maatregel door het College is gematigd, maakt dit niet anders. De stukken laten zien dat dit is gebeurd vanwege de psychische en sociale problemen waarmee appellante, als gescheiden moeder van twee tieners, te kampen heeft. Dat deze problemen zijn aangemerkt als verzachtende omstandigheden in het kader van de oplegging van de maatregel, wil nog niet zeggen dat de (bruto) terugvordering van hetgeen te veel aan bijstand is uitgekeerd voor appellante onaanvaardbare sociale en/of financiële consequenties zal hebben. In hetgeen appellante heeft aangevoerd is ook overigens geen grond gelegen voor het oordeel dat het College niet onverkort aan zijn terugvorderingsbeleid had mogen vasthouden.</para>
    <para />
    <para>3.4. Het hoger beroep kan dus niet slagen. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Bij deze uitkomst is voor inwilliging van het verzoek om schadevergoeding geen plaats.</para>
    <para />
    <para>4. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat evenmin aanleiding.</para>
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep;</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak; </para>
      <para>Wijst het verzoek om vergoeding van schade af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 september 2010.</para>
    <para>					</para>
    <para>(get.) R. Kooper.</para>
    <para>					</para>
    <para>(get.) J. de Jong.</para>
    <para />
    <para>HD</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>