<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2010:BN7046</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-27T07:23:41</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BN7046</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2010-09-02</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">09-2362 AW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_ambtenarenrecht">Bestuursrecht; Ambtenarenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2010:BN7046">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2010:BN7046</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T06:55:44</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2010-09-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2010:BN7046 Centrale Raad van Beroep , 02-09-2010 / 09-2362 AW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2010:BN7046:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vaststelling vergoeding. Appellant kon er niet op vertrouwen dat hij de vergoeding (ook nadat die aanstelling was omgezet in een aanstelling voor onbepaalde tijd) nog in lengte van jaren voor de totale duur van het dienstverband zou blijven ontvangen. De Raad acht het juist dat het college niet heeft volstaan met toepassing van de na artikel 15 in de Regeling opgenomen beperkte afwijkings-mogelijkheid, maar dat het college - om niet in strijd te komen met het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel - een verdergaande afbouwregeling heeft getroffen. Gelet op de duur en omvang daarvan acht de Raad die niet onredelijk.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2010:BN7046:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>09/2362 AW 						Q.		</para>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Meervoudige kamer</para>
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para>op het hoger beroep van:</para>
    <para />
    <para>[appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),</para>
    <para />
    <para>tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 20 maart 2009, 08/1973 (hierna: aangevallen uitspraak),</para>
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>appellant</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>het College van bestuur van de Technische Universiteit Eindhoven (hierna: college)</para>
    <para />
    <para>Datum uitspraak: 2 september 2010</para>
    <para> </para>
    <para>I. PROCESVERLOOP</para>
    <para />
    <para>Appellant heeft hoger beroep ingesteld.</para>
    <para />
    <para>Het college heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juli 2010. Namens appellant is verschenen H.J. van Hooijdonk, verbonden aan de Copgroep. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.P.F. van Duren, advocaat te ’s-Hertogenbosch. </para>
    <para />
    <para>II. OVERWEGINGEN </para>
    <para />
    <para>1. Voor een uitgebreid overzicht van de hier van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.</para>
    <para />
    <para>1.1. Bij zijn aanstelling in september 2002 als docent in dienst van de Technische Universiteit Eindhoven (hierna: TU/e) voor bepaalde tijd is appellant in aanmerking gebracht voor een vergoeding van de kosten van een OV-jaarkaart voor 100%. Bij de omzetting van het dienstverband naar een aanstelling voor bepaalde tijd is geen wijziging aangebracht in die vergoeding. Blijkens een brief van 2 juni 2004 berustte dat, naar de opvatting van het college, op een vergissing. Tegen het bij die brief bekend gemaakte besluit de vergoeding vanaf 31 mei 2005 terug te brengen tot 50% van de kosten van een NS-jaarkaart heeft appellant met succes bezwaar gemaakt. In de beslissing op bezwaar van 15 maart 2005 heeft het college zich aangesloten bij het advies van de bezwaren-adviescommissie die onder meer heeft gesteld dat wijziging van de individuele afspraak van 2002 ten nadele van appellant in strijd is met het vertrouwensbeginsel.</para>
    <para />
    <para>1.2. Bij besluit van 26 september 2007 heeft het college besloten de vergoeding met ingang van 7 juni 2010 in overeenstemming te brengen met de standaardregeling Regeling vergoeding verhuiskosten, tegemoetkoming kosten woon- werkverkeer en pensionkosten TU/e (hierna: Regeling) en de onder 1 vermelde vergoeding met jaarlijkse stappen van € 60,-, € 120,- en € 180,- per maand af te bouwen. Na bezwaar heeft het college deze wijziging gehandhaafd bij besluit van 11 maart 2008 (hierna: bestreden besluit).</para>
    <para />
    <para>2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.</para>
    <para />
    <para>3. Appellant heeft in hoger beroep betoogd dat de rechtbank de door hem aangevoerde argumenten voor zijn stelling dat het college het vertrouwens- en rechtszekerheids-beginsel heeft geschonden, onjuist heeft gewogen. Hij heeft verwezen naar de individueel gemaakte afspraak, naar de handhaving bij de onder 1.1 vermelde beslissing op bezwaar van 2005 en naar het in strijd met beginselen van behoorlijk bestuur ontbreken, respectievelijk niet toepassen van een hardheidsclausule. Appellant heeft gesteld dat het hem duidelijk is dat bij een verhuizing of aanvaarding van een andere functie bij de TU/e sprake is van een grond om (ook) de reiskostenvergoeding nader te bezien. Maar daarvan is in zijn geval geen sprake. </para>
    <para />
    <para>4. Het college heeft gewezen op rechtspraak van de Raad, waaronder de uitspraak van 28 september 1989, TAR 1989, 220. Blijkens deze rechtspraak is afbouw van een vergoeding die uitgaat boven de rechtspositionele aanspraken en die deel is gaan uitmaken van de ambtelijke rechtspositie, niet ten principale uitgesloten. De vraag moet worden beantwoord of het college niet in redelijkheid tot de afbouw heeft kunnen besluiten, dan wel of het college anderszins in strijd heeft gehandeld met een ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel. Naar de opvatting van het college moet die vraag ontkennend worden beantwoord. Het college voert daartoe aan dat de in 2002 toegekende vergoeding in voor appellant gunstige zin afwijkt van de Regeling, dat de vergoeding niet het karakter heeft van een salariscomponent, dat niet is toegezegd dat die vergoeding nimmer wijziging zou kunnen ondergaan en dat dit ook niet volgt uit de beslissing van 2005, dat er sprake is van een gewijzigde situatie nu in 2006 besloten is voor alle medewerkers van de TU/e de Regeling strikt toe te passen en dat voorzien is in een geleidelijke afbouw.</para>
    <para />
    <para>5. De Raad overweegt als volgt.</para>
    <para />
    <para>5.1. Hij acht de verwijzing naar de door het college genoemde rechtspraak van de Raad juist en hij onderschrijft de onder 4 weergegeven opvatting van het college over de hier te beantwoorden rechtsvraag volledig. Gelet op het karakter van de vergoeding, de hoogte daarvan en de situatie waarin deze is toegekend, namelijk bij gelegenheid van de aanstelling voor bepaalde tijd, kon appellant er niet op vertrouwen dat hij die vergoeding (ook nadat die aanstelling was omgezet in een aanstelling voor onbepaalde tijd) nog in lengte van jaren voor de totale duur van het dienstverband zou blijven ontvangen. Dat wordt ook naar het oordeel van de Raad niet anders door de beslissing van het college in 2005 om een eerdere aanpassing ongedaan te maken. Mede gelet op die omstandigheid was het wel aangewezen dat een aanpassing niet abrupt of zonder royale afbouw zou plaatsvinden. De Raad acht het dan ook juist dat het college niet heeft volstaan met toepassing van de na artikel 15 in de Regeling opgenomen beperkte afwijkings-mogelijkheid, maar dat het college - om niet in strijd te komen met het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel - een verdergaande afbouwregeling heeft getroffen. Gelet op de duur en omvang daarvan acht de Raad die niet onredelijk.</para>
    <para />
    <para>6. Op grond van het bovenstaande komt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak, waarbij het bestreden besluit in stand is gelaten, moet worden bevestigd.</para>
    <para />
    <para>7. De Raad ziet tot slot geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.</para>
    <para />
    <para>III. BESLISSING    </para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep;</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    <para />
    <para>Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en K. Zeilemaker en A.A.M. Mollee als leden, in tegenwoordigheid van M. Lammerse als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 september 2010.</para>
    <para>					</para>
    <para>(get.) H.A.A.G. Vermeulen.</para>
    <para>					</para>
    <para>(get.) M. Lammerse.</para>
    <para />
    <para>HD</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>