<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2010:BN6116</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-27T07:09:50</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BN6116</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2010-09-07</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">09-3183 WWB</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2010:BN6116">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2010:BN6116</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T06:53:35</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2010-09-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2010:BN6116 Centrale Raad van Beroep , 07-09-2010 / 09-3183 WWB</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2010:BN6116:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Aanvraag bijstandsuitkering buiten behandeling gesteld. De verstrekte gegevens en bescheiden zijn onvoldoende voor de beoordeling van de aanvraag. Is de gegunde hersteltermijn voldoende? De in dit geval geboden hersteltermijn van ongeveer acht beschikbare dagen kan op zichzelf niet als onredelijk worden aangemerkt.  Appellant heeft, om onduidelijk gebleven redenen, geen gebruik gemaakt van de hem uitdrukkelijk geboden mogelijkheid om het geplande gesprek hierover te laten verzetten, en heeft ook niet anderszins binnen de termijn om uitstel verzocht. Geen grond voor het oordeel dat het College hem het ongebruikt verstrijken van de termijn niet had mogen tegenwerpen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2010:BN6116:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>09/3183 WWB</para>
    <para />
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para />
    <para>Enkelvoudige kamer</para>
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para>op het hoger beroep van:</para>
    <para />
    <para>[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),</para>
    <para />
    <para>tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 april 2009, 08/3300 (hierna: aangevallen uitspraak),</para>
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>appellant</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Schiedam (hierna: College)</para>
    <para />
    <para>Datum uitspraak: 7 september 2010</para>
    <para> </para>
    <para>I. PROCESVERLOOP</para>
    <para />
    <para>Appellant heeft hoger beroep ingesteld. </para>
    <para />
    <para>Het College heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juli 2010. Appellant is verschenen. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.</para>
    <para />
    <para>II. OVERWEGINGEN</para>
    <para />
    <para>1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.</para>
    <para />
    <para>1.1. Appellant heeft zich op 7 januari 2008 gemeld voor het indienen van een aanvraag om (aanvullende) bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Bij brief van 28 januari 2008 heeft het College hem verzocht om een aantal nog ontbrekende gegevens en bescheiden. Voor het inleveren daarvan is appellant uitgenodigd voor een gesprek op woensdag 6 februari 2008 om 10.15 uur. Daarbij is aangegeven dat hij een eventuele verhindering 24 uur vóór het gesprek moet laten weten en dat, indien hij zonder bericht van verhindering niet mocht verschijnen, hij nog in de gelegenheid wordt gesteld om uiterlijk op donderdag 7 februari 2008 tussen 09.00 en 10.00 uur telefonisch een nieuwe afspraak te maken. Appellant is niet verschenen en heeft geen andere afspraak gemaakt.</para>
    <para />
    <para>1.2. Bij besluit van 7 februari 2008 heeft het College, met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), de aanvraag om bijstand buiten behandeling gesteld.</para>
    <para />
    <para>1.3. Bij besluit van 8 juli 2008 heeft het College het hiertegen gerichte bezwaar van appellant ongegrond verklaard.</para>
    <para />
    <para>2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard.</para>
    <para />
    <para>3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, komt de Raad tot de volgende beoordeling.</para>
    <para />
    <para>3.1. In artikel 4:5, eerste lid, van de Awb   voor zover hier van belang   is bepaald dat, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag aan te vullen. </para>
    <para />
    <para>3.2. Appellant betwist niet dat de door het College gevraagde gegevens en bescheiden redelijkerwijs noodzakelijk waren om de aanvraag inhoudelijk te kunnen beoordelen. Vast staat ook dat appellant deze gegevens en bescheiden niet binnen de daartoe gestelde hersteltermijn heeft verstrekt. </para>
    <para />
    <para>3.3. Het geschil spitst zich toe op de vraag of deze termijn ruim genoeg was en, meer in het bijzonder, of bij het stellen daarvan voldoende rekening is gehouden met de persoonlijke omstandigheden van appellant. In dit verband heeft appellant aangevoerd   kort samengevat   dat hij in beslag werd genomen door zakelijke werkzaamheden en problemen in de familiesfeer. Als aanvrager van (slechts) aanvullende bijstand verkeerde hij niet, zoals een doorsnee bijstandsgerechtigde, in de positie dat hij al zijn tijd ter beschikking had om te doen wat het College van hem verlangde.</para>
    <para />
    <para>3.4. De Raad stelt voorop dat het antwoord op de vraag of een bepaalde hersteltermijn redelijk is afhangt van alle concrete feiten en omstandigheden van het geval, voor zover deze het betrokken bestuursorgaan bekend zijn of redelijkerwijs bekend hadden moeten zijn. Daarbij kunnen ook de persoonlijke omstandigheden waarin de aanvrager verkeert een rol spelen.</para>
    <para />
    <para>3.5. Gelet op de aard van de aanvraag en van de gegevens die nog moesten worden ingeleverd, kan naar het oordeel van de Raad de in dit geval geboden hersteltermijn van ongeveer acht beschikbare dagen op zichzelf niet als onredelijk worden aangemerkt. Dit te minder nu het College zelf reeds aangaf dat het gesprek op verzoek zou kunnen worden verplaatst en daartoe nog een aanvullende telefonische mogelijkheid heeft geboden. Hetgeen naar voren is gekomen omtrent de persoonlijke omstandigheden van appellant is niet zodanig dat het College daarin bij voorbaat aanleiding had moeten vinden om de hersteltermijn anders vast te stellen. De Raad wil aannemen dat appellant het College reeds bij de intake globaal van zijn situatie op de hoogte heeft gesteld. Echter, niet is gesteld of gebleken dat toen al concreet over een tijdstip voor het inleveren van de gegevens is gesproken. Nu appellant, om onduidelijk gebleven redenen, geen gebruik heeft gemaakt van de hem uitdrukkelijk geboden mogelijkheid om het gesprek te laten verzetten, en ook niet anderszins binnen de termijn om uitstel heeft verzocht, ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College hem het ongebruikt verstrijken van de termijn niet had mogen tegenwerpen.</para>
    <para />
    <para>3.6. Hetgeen appellant heeft aangevoerd over de gang van zaken bij latere aanvragen kan   wat er verder van zij   niet tot een ander oordeel leiden. Die aanvragen zijn in deze procedure immers niet aan de orde.</para>
    <para />
    <para>3.7. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.</para>
    <para />
    <para>4. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep;</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    <para />
    <para>Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 september 2010.</para>
    <para>						</para>
    <para>(get.) R. Kooper.</para>
    <para>						</para>
    <para>(get.) J. de Jong.</para>
    <para />
    <para>JvS</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>