<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2010:BM9865</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2014-04-13T13:23:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BM9865</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2010-06-30</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">08-3476 WAO</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001827&amp;artikel=475d&amp;g=2010-06-30">Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 475d</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2010:BM9865">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2010:BM9865</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T06:37:49</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2010-07-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2010:BM9865 Centrale Raad van Beroep , 30-06-2010 / 08-3476 WAO</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2010:BM9865:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bij besluit van 23 november 1993 heeft de rechtsvoorganger van het Uwv een bedrag van fl. 94.267,80 bruto (€ 42,776,84) van appellant teruggevorderd aan onverschuldigd betaalde uitkering over de periode van 28 mei 1988 tot 1 mei 1993 wegens het verzwijgen van inkomsten van appellant uit WSW-werkzaamheden. Het gaat om uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en toeslagen ingevolge de Toeslagenwet (TW). Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend. Ter effectuering van het besluit tot terugvordering is in 1994 een terugbetalingsregeling overeengekomen. Naar aanleiding van een inkomensonderzoek in 2003 is de aflossingscapaciteit van appellant vanaf 1 oktober 2003 vastgesteld op € 75,00 per maand. Bij brief van 2 december 2009 en ter zitting van de Raad is van de zijde van het Uwv een nadere toelichting op de berekeningswijze van het maandelijkse termijnbedrag gegeven. Hieruit blijkt dat in verband met het bepaalde in artikel 475d, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (RV), bij de berekening van de aflossingscapaciteit het netto-inkomen van appellants echtgenote is meegenomen tot een bedrag van 45% van de bijstandsnorm. Wat betreft de woonlasten heeft een berekening plaats gevonden conform het bepaalde in lid 5, aanhef, en onder b. van artikel 475d RV, waarbij rekening is gehouden met het aandeel van appellant in de gezamenlijke hypotheeklasten, zowel voor de eerste als voor de tweede hypotheek. Van de zijde van appellant is de berekening niet meer weersproken. Ook de Raad ziet geen aanleiding de berekende aflossingscapaciteit voor onjuist te houden. Met de rechtbank is de Raad ten slotte van oordeel dat de enkele omstandigheid dat een betrokkene jarenlang op basis van een in het verleden overeengekomen betalingsregeling gehouden is een bepaald (en slechts gering) bedrag terug te betalen onvoldoende is om daarop een in rechte te honoreren beroep op het vertrouwens- of rechtszekerheidsbeginsel te baseren.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2010:BM9865:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>08/3476 WAO</para>
    <para />
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para />
    <para>Meervoudige kamer</para>
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para>op het hoger beroep van:</para>
    <para />
    <para>[Appellant] wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),</para>
    <para />
    <para>tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 6 mei 2008, 07/1720 (hierna: aangevallen uitspraak),</para>
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>appellant</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).</para>
    <para />
    <para>Datum uitspraak: 30 juni 2010</para>
    <para> </para>
    <para>I. PROCESVERLOOP</para>
    <para />
    <para>Namens appellant heeft mr. P. Ograjensek, advocaat te Echt, hoger beroep ingesteld.</para>
    <para />
    <para>Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2010, waar appellant is verschenen bij zijn gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.G. Bombeeck.</para>
    <para />
    <para>II. OVERWEGINGEN</para>
    <para />
    <para>1. Bij besluit van 23 november 1993 heeft de rechtsvoorganger van het Uwv een bedrag van fl. 94.267,80 bruto (€ 42,776,84) van appellant teruggevorderd aan onverschuldigd betaalde uitkering over de periode van 28 mei 1988 tot 1 mei 1993 wegens het verzwijgen van inkomsten van appellant uit WSW-werkzaamheden. Het gaat om uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en toeslagen ingevolge de Toeslagenwet (TW). Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend.</para>
    <para />
    <para>2. Ter effectuering van het besluit tot terugvordering is in 1994 een terugbetalingsregeling overeengekomen. Naar aanleiding van een inkomensonderzoek in 2003 is de aflossingscapaciteit van appellant vanaf 1 oktober 2003 vastgesteld op € 75,00 per maand. </para>
    <para />
    <para>3. In 2007 heeft opnieuw een inkomensonderzoek plaatsgevonden. Op basis hiervan heeft het Uwv bij besluit van 15 mei 2007 vastgesteld dat appellant met ingang van 30 juni 2007 maandelijks een bedrag van € 556,57 dient terug te betalen. Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 15 mei 2007 is bij besluit van 4 oktober 2007 ongegrond verklaard. </para>
    <para />
    <para>4. Tegen het besluit van 4 oktober 2007, hierna: het bestreden besluit, heeft appellant beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. </para>
    <para />
    <para>5. In hoger beroep heeft appellant zijn in beroep aangevoerde grieven herhaald. Appellant is van mening dat zijn aflossingscapaciteit onjuist is vastgesteld omdat ten onrechte geen rekening is gehouden met de beslagvrije voet en met al zijn hypotheekschulden, waaronder die van een tweede hypotheek. Zelfs al zou het aflossingsbedrag in het verleden te laag zijn vastgesteld dan is dat niet zijn schuld en dan mocht hij, na al die jaren een bedrag van € 75,00 per maand te hebben terugbetaald, erop vertrouwen dat het aflossingsbedrag niet zou worden verhoogd, te meer omdat zijn lasten niet zijn gewijzigd. Appellant meent dat er sprake is van kennelijke hardheid omdat de terugvordering in het verre verleden is ontstaan en is veroorzaakt door fouten van derden van wie hij, gezien zijn beperkte verstandelijke vermogens, afhankelijk is. </para>
    <para />
    <para>6. De Raad overweegt als volgt.</para>
    <para />
    <para>6.1. Bij brief van 2 december 2009 en ter zitting van de Raad is van de zijde van het Uwv een nadere toelichting op de berekeningswijze van het maandelijkse termijnbedrag gegeven. Hieruit blijkt dat in verband met het bepaalde in artikel 475d, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (RV), bij de berekening van de aflossingscapaciteit het netto-inkomen van appellants echtgenote is meegenomen tot een bedrag van 45% van de bijstandsnorm. Wat betreft de woonlasten heeft een berekening plaats gevonden conform het bepaalde in lid 5, aanhef, en onder b. van artikel 475d RV, waarbij rekening is gehouden met het aandeel van appellant in de gezamenlijke hypotheeklasten, zowel voor de eerste als voor de tweede hypotheek. Van de zijde van appellant is de berekening niet meer weersproken. Ook de Raad ziet geen aanleiding de berekende aflossingscapaciteit voor onjuist te houden. </para>
    <para />
    <para>6.2. Zoals de Raad eerder heeft geoordeeld - verwezen zij naar zijn uitspraak van 22 maart 2006, gepubliceerd in LJN AV9374 - staat geen rechtsregel er aan in de weg dat het Uwv, op basis van de berekende aflossingscapaciteit van appellant, de betalingstermijn voor de toekomst wijzigt en vaststelt op een beduidend hoger bedrag. De omstandigheid dat dit leidt tot een forse terugval in het inkomen van appellant levert geen kennelijke hardheid op als bedoeld in artikel 14 van het in dit geval van toepassing zijnde Besluit Tica inzake betaling, terugvordering en tenuitvoerlegging van boeten en onverschuldigd betaalde uitkering (hierna: Ticabesluit) nu een aanmerkelijke terugval in inkomen een bewust aanvaarde consequentie van de geldende regels is en appellant desondanks blijft beschikken over 90% van de voor hem van toepassing zijnde bijstandsnorm. Van kennelijke hardheid kan volgens de Toelichting bij voormeld artikel sprake zijn in uitzonderlijke situaties waarin de persoonlijke omstandigheden van een betrokkene zodanig zijn dat de aflossing van het vastgestelde termijnbedrag zijn draagkracht te boven gaat.</para>
    <para />
    <para>6.3. Met de rechtbank is de Raad ten slotte van oordeel dat de enkele omstandigheid dat een betrokkene jarenlang op basis van een in het verleden overeengekomen betalingsregeling gehouden is een bepaald (en slechts gering) bedrag terug te betalen onvoldoende is om daarop een in rechte te honoreren beroep op het vertrouwens- of rechtszekerheidsbeginsel te baseren. Ook in dit verband verwijst de Raad naar zijn in 6.2 genoemde uitspraak.</para>
    <para />
    <para>7. Hetgeen in 6.1 tot en met 6.3 is overwogen leidt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak bevestigd moet worden.</para>
    <para />
    <para>8. De Raad ziet geen aanleiding een proceskostenveroordeling uit te spreken.</para>
    <para> </para>
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende;</para>
    <para />
    <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    <para />
    <para />
    <para>Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J. Riphagen en C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2010.</para>
    <para />
    <para>(get.) Ch. van Voorst.</para>
    <para />
    <para>(get.) A.L. de Gier.</para>
    <para />
    <para>EF</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>