<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2010:BM9591</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-27T04:49:32</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BM9591</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2010-06-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">09-1733 WUV</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2010:BM9591">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2010:BM9591</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T06:36:57</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2010-06-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2010:BM9591 Centrale Raad van Beroep , 10-06-2010 / 09-1733 WUV</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2010:BM9591:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Betrokkene wordt erkend als vervolgde. Bestreden besluit is niet deugdelijk gemotiveerd. Betrokkene is door een andere oorzaak dan de vervolging overleden. Vernietiging besluit. Rechtsgevolgen blijven in stand.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2010:BM9591:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>09/1733 WUV</para>
    <para />
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para />
    <para>Meervoudige kamer</para>
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>[Appellante], wonende te [woonplaats], Indonesië, (hierna: appellante),</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)</para>
    <para />
    <para>Datum uitspraak: 10 juni 2010</para>
    <para> </para>
    <para>I. PROCESVERLOOP</para>
    <para />
    <para>Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerster van 8 augustus 2008, kenmerk BZ 47822, JZ/T60/2008, genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv), verder: bestreden besluit.</para>
    <para />
    <para>Verweerster heeft een verweerschrift ingediend. </para>
    <para />
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 november 2009, waar appellante niet is verschenen en verweerster zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad. </para>
    <para />
    <para>Het onderzoek ter zitting is geschorst en het vooronderzoek is hervat.</para>
    <para />
    <para>Het onderzoek ter zitting is hervat op 29 april 2010. Appellante is niet verschenen. Verweerster heeft zich weer laten vertegenwoordigen door Dircke, voornoemd. </para>
    <para />
    <para>II. OVERWEGINGEN</para>
    <para />
    <para>1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.</para>
    <para />
    <para>1.1. Appellante heeft in november 2007 bij verweerster een aanvraag ingediend om toekenning van een periodieke uitkering op grond van de Wuv als weduwe van de heer [naam betrokkene] (hierna: betrokkene) die in 1957 is overleden. In dat verband heeft appellante naar voren gebracht dat betrokkene, als KNIL-militair, tijdens de Japanse bezetting van het voormalige Nederlands-Indië geïnterneerd is geweest en tijdens zijn internering mishandeling heeft ondergaan, hetgeen heeft geleid tot gezondheidsklachten bij betrokkene. </para>
    <para />
    <para>1.2. Verweerster heeft de aanvraag afgewezen bij besluit van 6 mei 2008, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit. Dat besluit is gebaseerd op de gronden dat niet is aangetoond of aannemelijk gemaakt dat betrokkene vervolging in de zin van de Wuv heeft ondergaan en dat betrokkene niet voldeed aan de voorwaarden die de Wuv stelt met betrekking tot nationaliteit en woonplaats. </para>
    <para />
    <para>1.3. In beroep heeft appellante een aantal namen en adressen genoemd van personen die tegelijkertijd met betrokkene geïnterneerd zijn geweest. Tijdens de eerste behandeling ter zitting heeft de Raad het onderzoek geschorst om verweerster in de gelegenheid te stellen nader onderzoek te verrichten naar deze personen. Hierop heeft verweerster bij brief van 9 maart 2010 gereageerd. Verweerster heeft hierin meegedeeld dat er met betrekking tot het vervolgingsaspect aanleiding zou kunnen zijn voor een ander standpunt, maar dat appellante geen materieel belang heeft bij een nadere vaststelling hiervan. Daartoe heeft verweerster gesteld dat de aanvraag van appellante (al) moet worden afgewezen vanwege het feit dat betrokkenes overlijden niet redelijkerwijs aan de vervolging kan worden toegeschreven. Verder had betrokkene ten tijde van zijn overlijden geen uitkering krachtens de Wuv. Op grond van artikel 7, eerste lid, onder b en c, van de Wuv, heeft appellante dan ook geen recht op een uitkering krachtens de Wuv.    </para>
    <para />
    <para>2. De Raad overweegt als volgt.</para>
    <para />
    <para>2.1. Verweerster heeft de beoordeling van de vraag of betrokkene vervolging heeft ondergaan niet in het midden mogen laten. Er dient eerst een toetsing aan artikel 2 van de Wuv plaats te vinden. De erkenning als vervolgde is een zelfstandig belang, dat getoetst moet worden.</para>
    <para />
    <para>2.2. Op basis van de thans ter beschikking staande gegevens over de door appellante genoemde personen, is voldoende aannemelijk geworden dat betrokkene geïnterneerd is geweest. Betrokkene moet daarom worden erkend als vervolgde in de zin van artikel 2 van de Wuv. </para>
    <para />
    <para>2.3. Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd en daarom moet worden vernietigd. De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat betrokkene wordt erkend als vervolgde.  </para>
    <para />
    <para>3. De Raad ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Betrokkene is in 1957 gesneuveld, toen hij als militair van het Indonesische leger in een vuurgevecht betrokken raakte met de Darul Islam. Ingevolge artikel 7, eerste lid, onder b, van de Wuv heeft een weduwe pas dan recht op een uitkering als het overlijden redelijkerwijs aan de vervolging kan worden toegeschreven. Betrokkene is echter door een andere oorzaak dan de vervolging overleden. Een andere mogelijkheid voor een weduwe om voor een uitkering in aanmerking te komen is neergelegd in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wuv. Dat is de situatie waarin betrokkene ten tijde van zijn overlijden in het genot was van enige uitkering die verband hield met ziekten of gebreken die wel met de vervolging in verband staan. Niet is de Raad gebleken dat betrokkene een dergelijke uitkering had.</para>
    <para />
    <para>4. De Raad ziet ten slotte geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.</para>
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep; </para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart het beroep gegrond;</para>
      <para>Vernietigt het bestreden besluit; </para>
      <para>Bepaalt dat betrokkene wordt erkend als vervolgde;</para>
      <para>Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit van 8 augustus 2008 in stand blijven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en A.J. Schaap als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2010.</para>
    <para>					</para>
    <para>(get.) A. Beuker-Tilstra.</para>
    <para>					</para>
    <para>(get.) I. Mos.</para>
    <para />
    <para>HD</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>