<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2010:BM9156</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-27T04:35:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BM9156</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2010-06-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">09-1474 WAO</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2010:BM9156">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2010:BM9156</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T06:35:41</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2010-06-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2010:BM9156 Centrale Raad van Beroep , 23-06-2010 / 09-1474 WAO</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2010:BM9156:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Herziening WAO-uitkering. Met de beperkingen van appellant is in de FML voldoende rekening gehouden.  Zoals blijkt uit de FML kan appellant bepaalde handgrepen niet of nauwelijks met zijn rechterhand uitvoeren indien forser kracht noodzakelijk is. De arbeidsdeskundige heeft in samenspraak met verzekeringsarts deze functie passend geacht, omdat appellant niet beperkt is ten aanzien van het pakken en positioneren van kleine onderdelen. Ook de Raad achter deze toelichting voldoende inzichtelijk.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2010:BM9156:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>09/1474 WAO</para>
    <para />
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para />
    <para>Meervoudige kamer</para>
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para>op het hoger beroep van:</para>
    <para />
    <para>[Appellant] wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),</para>
    <para />
    <para>tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 28 januari 2009, 08/3180 (hierna: aangevallen uitspraak),</para>
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>appellant</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).</para>
    <para />
    <para>Datum uitspraak: 23 juni 2010</para>
    <para> </para>
    <para>I. PROCESVERLOOP</para>
    <para />
    <para>Namens appellant heeft mr. M. Koot, advocaat, hoger beroep ingesteld en zijn stukken ingediend.</para>
    <para />
    <para>Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en het heeft gereageerd op de namens appellant ingediende stukken.</para>
    <para />
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2010. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.M.W. Beers. </para>
    <para />
    <para>II. OVERWEGINGEN</para>
    <para />
    <para>1.1. Appellant heeft zich, na eerder een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) te hebben ontvangen, ziek gemeld met klachten van de rechterknie en rechterpols. In verband daarmee is hem een uitkering ingevolge die wet toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.</para>
    <para />
    <para>1.2. In het kader van een herbeoordeling door het Uwv is een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht. Bij besluit van 17 september 2007 is appellants WAO-uitkering met ingang van 18 november 2007 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Appellants bezwaar tegen het besluit van 17 september 2007 is, na een verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige herbeoordeling, bij besluit van 19 maart 2008 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. </para>
    <para> </para>
    <para>1.3. Appellant heeft in beroep bezwaren van medische aard tegen het bestreden besluit aangevoerd. Hij heeft betoogd dat zijn in bezwaar naar voren gebrachte hand- en rugklachten ten onrechte niet hebben geleid tot aanpassing van de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) die vanwege het Uwv is gebruikt om zijn beperkingen weer te geven. Voorts heeft hij aangevoerd dat de functies coupeuse (Sbc-code 272043) en samensteller (Sbc-code 111180) die zijn gebruikt om zijn resterende verdiencapaciteit te bepalen om medische redenen niet geschikt voor hem zijn.</para>
    <para />
    <para>2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.</para>
    <para />
    <para>3. In hoger beroep heeft appellant wederom aangevoerd dat de voor hem geldende beperkingen voor het verrichten van arbeid onjuist zijn vastgelegd in de FML. Uit de brief van de hem behandelend neurochirurg F.A. Pennings van 4 december 2007 blijkt volgens appellant dat er sprake is van discuspathologie en degeneratieve afwijkingen, waarvoor een operatieve ingreep wordt overwogen. Appellant acht het onbegrijpelijk dat zijn klachten niet leiden tot meer beperkingen met betrekking tot onder meer buigen, zitten, staan en tot de noodzaak van afwisseling van de houding met betrekking tot de elementen vermeld in rubriek 5 van de FML. Uit de brief van 7 januari 2008 van de genoemde neurochirurg blijkt volgens appellant dat er bij hem sprake is van een carpaal tunnelsyndroom (CTS). Weliswaar wordt hand- en vingergebruik door het Uwv beperkt geacht ten aanzien van pen- en pincetgreep in de FML, maar slechts voor wat betreft de forse kracht. De voor appellant geldende beperkingen zijn echter zwaarder: veters strikken en schrijven kosten hem al zeer veel moeite. Het verrichten van precisiewerk is voor hem onmogelijk. Appellant vindt het voorts onjuist dat in weerwil van zijn klachten en beperkingen functies zijn geduid waarin men voornamelijk dient te zitten (productiemedewerker textiel) of de handen de gehele dag intensief dient te gebruiken.</para>
    <para />
    <para>4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.</para>
    <para />
    <para>4.1. Het bestreden besluit rust op het standpunt van het Uwv dat appellant op 18 november 2007, de in dit geding van belang zijnde datum, weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, waardoor hij niet langer geschikt is voor het verrichten van de laatstelijk door hem verrichte arbeid, maar dat hij met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de ten aanzien van hem geselecteerde functies. Vergelijking van de mediane loonwaarde van die functies met het maatmanloon levert volgens het Uwv een verlies aan verdiencapaciteit op van 27,8%.</para>
    <para />
    <para>4.2. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien het verzekeringsgneeskundig onderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt onzorgvuldig te achten. De Raad volgt de rechtbank in dit oordeel. De Raad heeft voorts evenmin als de rechtbank aanleiding voor twijfel aan de juistheid van de uitkomsten van dat onderzoek.</para>
    <para />
    <para>4.2.1. De rechtbank heeft vastgesteld dat appellant door de verzekeringsarts M. Keus op 10 juli 2007 lichamelijk is onderzocht. Tevens heeft deze arts, alvorens de FML op te stellen, dossierstudie verricht en informatie ingewonnen bij de huisarts en behandelend orthopedisch chirurg. Evenmin als de rechtbank volgt de Raad appellant in de stelling dat hij meer beperkt is vanwege zijn rugklachten. Volgens zijn rapport van 5 september 2007 heeft de verzekeringsarts Keus rekening gehouden met de rugklachten van appellant en heeft hij dientengevolge een beperkte rugfunctie voor appellant aangenomen. Keus heeft bij zijn onderzoek vastgesteld dat voor appellant een aantal beperkingen voor het verrichten van arbeid bestaan. Hij heeft gerapporteerd dat bij appellant sprake is van een verminderde functie van de dominante rechterhand door peesletsel aan de rechterpols. Voorts is er volgens deze arts sprake van een verminderde rugfunctie door degeneratieve afwijkingen en een bulging disc, met dubieuze wortelcompressie en een licht beperkte rechterkniefunctie. Wat betreft de hoofd- en nekpijn zijn er volgens deze arts geen overtuigend geobjectiveerde afwijkingen aan hoofd en/of nek die aanleiding zouden moeten geven om een verminderde belastbaarheid aan te nemen. De verzekeringsarts heeft aan de hand van zijn bevindingen appellant beperkt geacht ten aanzien van langdurig achtereen schrijven, zware knie- of rugbelastende middelen, trillingsbelasting op de benen en de rug, buigen, frequent buigen, duwen of trekken, tillen of dragen, frequent lichte voorwerpen hanteren, frequent zware lasten hanteren, lopen, lopen tijdens het werk, trappenlopen, klimmen, knielen of hurken, zitten tijdens het werk, staan, staan tijdens het werk, geknield of gehurkt actief zijn, gebogen en/of getordeerd actief zijn. Voorts kan appellant met de rechterhand de pengreep en de pincetgreep niet of nauwelijks uitvoeren en heeft hij een verminderd gevoel in de rechterduim, wijsvinger en middelvinger. Ook is hij met zijn rechterhand licht beperkt in het werken met een toetsenbord en muis en het maken van schroefbewegingen met de hand en arm. De beperkingen heeft de verzekeringsarts neergelegd in de FML. </para>
    <para />
    <para>4.2.2. De bezwaarverzekeringsarts, R.A. Admiraal, is in de bezwaarprocedure vervolgens tot de conclusie gekomen dat met de beperkingen van appellant in de FML voldoende rekening is gehouden. Admiraal heeft, met inachtneming van informatie van de behandelend sector, gerapporteerd dat er sprake is van een behoorlijke mobiliteit van de onderrug en dat radiculaire prikkelingsverschijnselen ontbreken. Hij heeft daarom geen aanleiding gezien meer beperkingen voor appellant met betrekking tot zijn rug aan te nemen. In een later stadium in de bezwaarprocedure heeft deze arts kennis genomen van het feit dat appellant een herniaoperatie zou ondergaan. Zoals blijkt uit zijn handgeschreven commentaar van 12 maart 2008 heeft hij geen aanleiding op grond hiervan appellant meer beperkt te achten, nu er volgens hem geen sprake was van nieuwe medische feiten ten aanzien van de datum in geding. De rechtbank heeft terecht geen aanknopingspunten gezien om aan dit oordeel van de bezwaarverzekeringsarts te twijfelen. Evenmin kan de stelling dat appellant meer beperkt is te achten op basis van zijn handklachten worden gevolgd. Zoals blijkt uit de rapporten van de verzekeringsartsen hebben zij ten aanzien van de rechterhandfunctie van appellant forse beperkingen aangenomen. De bezwaarverzekeringsarts Admiraal heeft daarbij gerapporteerd dat het goed denkbaar is dat de recent gediagnosticeerde CTS bij appellant al langer aanwezig was. Aangezien appellant door de verzekeringsarts Keus al ruimschoots beperkt was geacht op het hand- en vingergebruik, heeft de bezwaarverzekeringsarts Admiraal geen aanleiding gezien op basis van deze klachten meer beperkingen aan te nemen. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de verzekeringsartsen voldoende rekening hebben gehouden met de rechterhandklachten van appellant. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.3. In hoger beroep heeft appellant naar aanleiding van een vraag van de Raad een brief overgelegd van 22 december 2009 van de neurochirurg J.F.C. Wolfs, waarin een operatie aan de rug van appellant op 23 augustus 2009 wordt besproken. Deze brief biedt onvoldoende steun aan appellants stelling dat zijn beperkingen voor het verrichten van arbeid onjuist zijn vastgesteld. Die operatie heeft plaatsgevonden ver na de datum die in dit geding van belang is. Het oordeel van de neurochirurg over de voor appellant aangewezen therapie acht de Raad voorts niet op gespannen voet staan met het verzekeringsgeneeskundig oordeel dat aan het bestreden besluit de grondslag ligt, nu in de geselecteerde functies, naar ook uit het rapport van 8 april 2010 van bezwaarverzekeringsarts Admiraal blijkt, voldoende afwisseling voorkomt tussen zitten, staan en lopen. Hetzelfde geldt voor de eveneens in hoger beroep overgelegde brief van </para>
      <para>5 januari 2010 van appellants huisarts D. Jairam.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4.4. Aan de hand van de FML heeft de arbeidsdeskundige W.Th. Pompe ten aanzien van appellant de functies productiemedewerker textiel (sbc-code 272043), productiemedewerker industrie (sbc-code 111180) en elektronicamonteur (sbc-code 267040) geduid. Als reserve is de functie chauffeur bijzonder vervoer geselecteerd. Voor zover appellant met zijn bezwaar tegen de functie van productiemedewerker textiel bedoelt te herhalen dat die functie niet geschikt is vanwege zijn gestelde allergie voor alle stof, verenigt de Raad zich met het oordeel van de rechtbank. Zij heeft overwogen dat, naar uit het dossier blijkt, deze klachten niet kunnen worden geobjectiveerd. Voorts wordt blijkens het rapport van 8 april 2010 van bezwaarverzekeringsarts Admiraal door appellant dagelijks zyrtec-tabletten gebruikt die deze klachten aanvaardbaar maken. De rechtbank heeft verder terecht vastgesteld dat in de functies van montagemedewerker (sbc-code 111180, functienummer 3699-0325-001) met twee handen dient te worden gewerkt, doch dat op zich zelf bezien geen bezwaar hoeft te zijn nu appellants rechterhandfunctie niet geheel is uitgevallen, doch ten aanzien daarvan slechts beperkt is. Appellant is beperkt geacht ten aanzien van het uitvoeren van diverse handgrepen met zijn rechterhand, waaronder de pengreep en de pincetgreep. Zoals blijkt uit de FML kan appellant deze handgrepen niet of nauwelijks met zijn rechterhand uitvoeren indien forser kracht noodzakelijk is. De arbeidsdeskundige Pompe heeft in samenspraak met verzekeringsarts Keus deze functie passend geacht, omdat appellant niet beperkt is ten aanzien van het pakken en positioneren van kleine onderdelen. Ook de Raad achter deze toelichting voldoende inzichtelijk.</para>
    <para />
    <para>4.5. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.</para>
    <para />
    <para>5. Er is geen aanleiding een der partijen in de proceskosten te veroordelen.</para>
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    <para />
    <para>Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en M.C.M. van Laar als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2010.</para>
    <para>						</para>
    <para>(get.) T. Hoogenboom.</para>
    <para>						</para>
    <para>(get.) R.L. Venneman.</para>
    <para />
    <para>TM</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>