<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2010:BM7340</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-27T04:01:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BM7340</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2010-05-25</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">09-5834 AOW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2010:BM7340">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2010:BM7340</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T06:31:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2010-06-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2010:BM7340 Centrale Raad van Beroep , 25-05-2010 / 09-5834 AOW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2010:BM7340:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Afwijzing verzoek om herziening. De omstandigheid dat geen beroep is ingesteld tegen het besluit van 10 november 2005 en dat geen hoger beroep is ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 28 december 2007 brengt in deze zaak mee dat als uitgangspunt voor de beoordeling geldt dat appellante en betrokkene in de in geding zijnde periode een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd en dat de door appellante overgelegde getuigenverklaringen moeten worden aangemerkt als nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Dit betekent dat in dit geding uitsluitend de vraag dient te worden beantwoord of deze getuigenverklaringen voor de Svb aanleiding hadden moeten zijn om terug te komen van het besluit van 10 november 2005. De rechtbank heeft dit in de aangevallen uitspraak onvoldoende onderkend. Door te toetsen of in de in geding zijnde periode werd voldaan aan de criteria voor een gezamenlijke huishouding heeft de rechtbank niet de juiste toets aangelegd. Verklaringen van appellante en betrokkene tegenover de sociale recherche. Waterverbruik. Niet kan worden gezegd dat de Svb in de getuigenverklaringen aanleiding had behoren te vinden om het besluit van 10 november 2005 te herzien.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2010:BM7340:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>09/5834 AOW</para>
    <para />
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para />
    <para>Meervoudige kamer</para>
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para>op het hoger beroep van:</para>
    <para />
    <para>[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),</para>
    <para />
    <para>tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 14 september 2009, 08/2780 (hierna: aangevallen uitspraak),</para>
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>appellante</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb)</para>
    <para />
    <para>Datum uitspraak: 25 mei 2010</para>
    <para> </para>
    <para>I. PROCESVERLOOP</para>
    <para />
    <para>Namens appellante heeft mr. R.A. Oliemans, advocaat te Bergen op Zoom, hoger beroep ingesteld.</para>
    <para />
    <para>De Svb heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 april 2010. Voor appellante is verschenen mr. Oliemans. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Marijnissen, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank. </para>
    <para />
    <para>II. OVERWEGINGEN</para>
    <para />
    <para>1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.</para>
    <para />
    <para>1.1. Appellante ontving sinds 1 oktober 1986 een weduwenpensioen op grond van de Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW). Dit pensioen is met ingang van 1 januari 1998 omgezet in een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet. In verband met het bereiken van de vijfenzestigjarige leeftijd ontvangt appellante sinds 1 oktober 2004 een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW).</para>
    <para />
    <para>1.2. Bij besluit van 3 mei 2005 heeft de Svb appellante meegedeeld dat zij vanaf 1 januari 1998 recht heeft op een inkomensonafhankelijke nabestaandenuitkering van 30% van het minimumloon. Bij besluit van eveneens 3 mei 2005 heeft de Svb met ingang van oktober 2004 het AOW-pensioen van appellante herzien naar de norm voor iemand die een gezamenlijke huishouding voert met een andere persoon. Aan deze besluiten heeft de Svb ten grondslag gelegd dat appellante en [K.], ondanks het feit dat zij op verschillende adressen in de gemeentelijke basisadministratie staan ingeschreven - te weten [adres 1] te [plaatsnaam] respectievelijk [adres 2] te [plaatsnaam] - een gezamenlijke huishouding voeren. De Svb heeft zijn standpunt gebaseerd op de bevindingen van het door de sociale recherche verrichte onderzoek naar de rechtmatigheid van de nabestaandenuitkering en het AOW-pensioen van appellante. Tijdens dat onderzoek zijn inlichtingen ingewonnen bij verschillende instanties, waaronder het waterbedrijf “Brabant water”, zijn buurtbewoners gehoord en zijn appellante en [K.] verschillende malen verhoord. </para>
    <para />
    <para>1.3. De tegen de besluiten van 3 mei 2005 gemaakte bezwaren zijn bij besluit van 10 november 2005 ongegrond verklaard. Appellante heeft tegen het besluit van 10 november 2005 geen beroep ingesteld, zodat dit besluit in rechte onaantastbaar is geworden.</para>
    <para />
    <para>1.4. Bij brief van 20 juli 2006 heeft appellante de Svb verzocht de besluiten van 3 mei 2005 te herzien. Ter onderbouwing van haar verzoek heeft zij gewezen op het feit dat zij in de strafzaak door de politierechter van de rechtbank Breda is vrijgesproken alsmede op de ontlastende getuigenverklaringen die in de strafrechtelijke procedure tegenover de rechter-commissaris in de strafzaken zijn afgelegd. </para>
    <para />
    <para>1.5. Bij besluit van 15 augustus 2006 heeft de Svb dit verzoek afgewezen. Volgens de Svb konden de door appellante overgelegde getuigenverklaringen alsmede de vrijspraak door de strafrechter niet aangemerkt worden als nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
    <para />
    <para>1.6. Het door appellante gemaakte bezwaar tegen het besluit van 15 augustus 2006 heeft de Svb bij besluit van 15 februari 2007 gegrond verklaard in die zin dat de Svb appellante met ingang van 1 april 2005 als alleenstaande heeft aangemerkt en haar met ingang van die datum een AOW-pensioen naar de norm van een alleenstaande heeft toegekend. Het verzoek om herziening van de nabestaandenuitkering en het AOW-pensioen over de periode gelegen vóór 1 april 2005 heeft de Svb afgewezen.</para>
    <para />
    <para>1.7. Bij uitspraak van 28 december 2007 heeft de rechtbank Breda het door appellante ingestelde beroep tegen het besluit van 15 februari 2007 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de Svb opgedragen een nieuw besluit te nemen. Naar het oordeel van de rechtbank had de Svb de door appellante overgelegde getuigenverklaringen ten onrechte niet aangemerkt als nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb.</para>
    <para />
    <para>1.8. Ter uitvoering van de in 1.7 vermelde uitspraak heeft de Svb bij besluit van 26 mei 2008 het bezwaar gegrond verklaard voor zover het betrekking heeft op het AOW-pensioen met ingang van april 2005 en appellante vanaf die datum een AOW-pensioen toegekend naar de norm voor een alleenstaande. De bezwaren gericht tegen de herziening van de nabestaandenuitkering en het AOW-pensioen vóór april 2005 heeft de SVB wederom ongegrond verklaard. Aan dit besluit heeft de Svb - kort samengevat - ten grondslag gelegd dat hij in de door appellante overgelegde getuigenverklaringen geen aanleiding heeft gevonden het besluit van 10 november 2005 te herzien.</para>
    <para />
    <para>2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het door appellante tegen het besluit van 26 mei 2008 ingestelde beroep ongegrond verklaard. </para>
    <para />
    <para>3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.</para>
    <para />
    <para>4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. </para>
    <para> </para>
    <para>4.1. De Raad stelt allereerst vast dat het geding zich beperkt tot de herziening van de nabestaandenuitkering en het AOW-pensioen in de periode van 1 januari 1998 tot 1 april 2005.</para>
    <para />
    <para>4.2. De Svb heeft bij het in 1.3 genoemde besluit van 10 november 2005 zijn besluiten van 3 mei 2005, waarbij de nabestaandenuitkering en het pensioen zijn herzien, gehandhaafd. Dit besluit is in rechte onaantastbaar. Het verzoek van appellante van 20 juli 2006 strekt ertoe dat de Svb van dit eerdere besluit terugkomt. Naar aanleiding van dat verzoek van appellante alsmede de uitspraak van de rechtbank van 28 december 2007 heeft de Svb de zaak opnieuw beoordeeld met inachtneming van de vrijspraak door de strafrechter en de door appellante overgelegde getuigenverklaringen, hetgeen echter niet tot een andere uitkomst heeft geleid.</para>
    <para />
    <para>4.3. De omstandigheid dat geen beroep is ingesteld tegen het besluit van 10 november 2005 en dat geen hoger beroep is ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 28 december 2007 brengt in deze zaak mee dat als uitgangspunt voor de beoordeling geldt dat appellante en [K.] in de in geding zijnde periode een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd en dat de door appellante overgelegde getuigenverklaringen moeten worden aangemerkt als nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Dit betekent dat in dit geding uitsluitend de vraag dient te worden beantwoord of deze getuigenverklaringen voor de Svb aanleiding hadden moeten zijn om terug te komen van het besluit van 10 november 2005. De rechtbank heeft dit in de aangevallen uitspraak onvoldoende onderkend. Door te toetsen of in de in geding zijnde periode werd voldaan aan de criteria voor een gezamenlijke huishouding heeft de rechtbank niet de juiste toets aangelegd. Deze omstandigheid leidt echter niet tot vernietiging van deze uitspraak. Daartoe overweegt de Raad het volgende.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.4. Uit de tegenover de rechter-commissaris in de strafzaken afgelegde getuigenverklaringen komt het beeld naar voren van personen die elkaar af en toe zagen. Dit komt niet overeen met de verklaringen die appellante en [K.] zelf tegenover de sociale recherche hebben afgelegd. Uit hun verklaringen komt naar voren dat zij elkaar dagelijks zagen. Deze verklaringen worden ondersteund door de observaties van de sociale recherche en verklaringen van buurtbewoners. Voorts is uit de informatie van “Brabant water” gebleken dat het waterverbruik op het adres [adres 2] zodanig laag was dat het niet aannemelijk is dat [K.] op dat adres woonachtig was, terwijl het waterverbruik op het adres [adres 1] op het verblijf van meerdere personen op dat adres wees. Ook dit strookt niet met het beeld van personen die elkaar af en toe zien. Het voorgaande brengt de Raad tot het oordeel dat niet kan worden gezegd dat de Svb in de getuigenverklaringen aanleiding had behoren te vinden om het besluit van 10 november 2005 te herzien. Niet gezegd kan derhalve worden dat de Svb niet in redelijkheid tot zijn besluit van 26 mei 2008 heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.</para>
      <para>5. Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt, met verbetering van gronden, voor bevestiging in aanmerking.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.</para>
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep;</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    <para />
    <para>Deze uitspraak is gedaan door J.M.A. van der Kolk-Severijns als voorzitter en J.N.A. Bootsma en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2010.</para>
    <para>							</para>
    <para>(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.</para>
    <para>							</para>
    <para>(get.) R. Scheffer.</para>
    <para />
    <para>AV</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>