<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2010:BM5492</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-27T03:26:29</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BM5492</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2010-05-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">08-3360 WAO</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2010:BM5492">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2010:BM5492</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T06:26:24</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2010-05-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2010:BM5492 Centrale Raad van Beroep , 21-05-2010 / 08-3360 WAO</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2010:BM5492:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Intrekking WAO-uitkering. De ingeschakelde onafhankelijke deskundige oordeelt dat er geen aanwijzingen zijn voor ziekte of gebreken in psychiatrische zin en kan zich verenigen met de opgestelde FML. Hij acht appellante in staat de geselecteerde functies te verrichten. Geen reden dit oordeel niet te volgen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2010:BM5492:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>08/3360 WAO</para>
    <para />
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para />
    <para>Meervoudige kamer</para>
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para>op het hoger beroep van:</para>
    <para />
    <para>[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),</para>
    <para />
    <para>tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 7 mei 2008, 07/5842 (hierna: de aangevallen uitspraak),</para>
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>appellante</para>
    <para />
    <para>en </para>
    <para />
    <para>de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv).</para>
    <para />
    <para>Datum uitspraak: 21 mei 2010</para>
    <para> </para>
    <para>I. PROCESVERLOOP</para>
    <para />
    <para>Namens appellante heeft mr. M. Spek, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld en bij brieven van 12 februari 2009 en 2 april 2009 nadere stukken ingediend. </para>
    <para />
    <para>Het Uwv heeft verweer gevoerd en bij brief van 19 februari 2009 een rapportage ingezonden van zijn bezwaarverzekeringsarts.</para>
    <para />
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juni 2009. Betrokkene is verschenen en bijgestaan door mr. Spek. Voor het Uwv verscheen A.M. Snijders.</para>
    <para />
    <para>De Raad heeft het onderzoek heropend, omdat het naar zijn oordeel niet volledig is geweest. Hij heeft psychiater B.J. van Eyk als deskundige benoemd.</para>
    <para />
    <para>De deskundige heeft de Raad met een rapport van 21 oktober 2009 verslag gedaan van zijn onderzoek. Hij heeft bij brief van 11 maart 2010 geantwoord op een nadere vraag van de Raad.</para>
    <para />
    <para>Op verzoek van de Raad hebben het Uwv en appellante bij brieven van 3 november 2009 en 24 maart 2010 respectievelijk 23 december 2009 en 14 april 2010 de bevindingen van de deskundige van commentaar voorzien.</para>
    <para />
    <para>Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat een verdere behandeling van de zaak ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.</para>
    <para />
    <para />
    <para>II. OVERWEGINGEN </para>
    <para />
    <para>1. Appellante heeft beroep ingesteld tegen een besluit van het Uwv van  30 juli 2007 ter uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Met dit besluit heeft het Uwv zijn besluit van 1 februari 2007, waarbij appellantes WAO-uitkering werd ingetrokken met ingang van 17 maart 2007, niet gehandhaafd. Het Uwv heeft de intrekkingsdatum nader bepaald op 1 oktober 2007. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante gegrond verklaard en het besluit van 30 juli 2007 vernietigd voor zover daarin is geweigerd de bezwaarkosten te vergoeden. De rechtbank heeft overwogen dat het besluit van </para>
      <para>30 juli 2007 een voldoende medische grondslag heeft. De (bezwaar)verzekeringsartsen hebben naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd dat de pijnklachten van appellante geen reden zijn om in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) meer of zwaardere beperkingen op te nemen. Daarbij heeft de rechtbank van belang geacht dat uit de beschikbare medische informatie niet blijkt dat een medische oorzaak van die klachten kan worden aangetoond. De rechtbank heeft verder overwogen dat de functies, die aan de schatting ten grondslag liggen, voor appellante in medisch opzicht geschikt zijn te achten.</para>
    </parablock>
    <para> </para>
    <para>3.1. Appellante heeft in hoger beroep haar standpunt herhaald dat uit de informatie van haar artsen blijkt dat zij meer beperkingen heeft voor het verrichten van arbeid dan in de rubrieken 1 en 2 van de FML zijn verwoord en ook een urenbeperking nodig is. Zij heeft een besluit ingebracht van het Uwv waarbij is vastgesteld dat zij in verband met forse lichamelijke en psychische beperkingen en een te verwachten zeer lage arbeidsprestatie niet behoort tot de doelgroep van de WSW. Zij heeft er verder op gewezen dat de haar voorgehouden functies niet geschikt zijn, omdat deadlines en productiepieken voorkomen.</para>
    <para />
    <para>3.2. Het Uwv heeft zich achter het oordeel van de rechtbank gesteld. </para>
    <para />
    <para>4. De Raad overweegt het volgende.</para>
    <para />
    <para>4.1. Appellante heeft bij een aanrijding in 1996 een whiplashtrauma opgelopen en nadien vele lichamelijke en psychische klachten ontwikkeld. Met ingang van 19 mei 1997 is aan haar een WAO-uitkering toegekend berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij herbeoordelingen in 1998, 2001 en 2003 is zij onveranderd volledig arbeidsongeschikt geacht.</para>
    <para />
    <para>4.2. In het kader van een herbeoordeling in 2006 is appellante onderzocht door een verzekeringsarts die, nadat hij informatie heeft gekregen van de behandelend MDL-arts, beperkingen verband houdend met appellantes klachten van de wervelkolom neerlegt in een FML. Deze FML is door de bezwaarverzekeringsarts op 31 mei 2007 aangepast, nadat in de bezwaarprocedure informatie werd verkregen van de huisarts van appelante en kennis werd genomen van een rapportage van revalidatiearts N.A.A. van Kleef, waarover de huisarts de beschikking had.</para>
    <para />
    <para>4.3. Zowel de huisarts als de revalidatiearts maakt melding van een chronisch pijngedrag met veel psychische componenten en therapieresistentie en een jarenlang disfunctioneren van appellante in een vastgelopen thuissituatie. Appellante is een klinische opname geadviseerd. In verband met de verzorging van haar thuiswonende dochter heeft appellante daarvan vooralsnog afgezien.</para>
    <para />
    <para>4.4. De Raad heeft aanleiding gezien een deskundige te benoemen en zich te laten adviseren over de medische toestand van appellante op 1 oktober 2007.</para>
    <para />
    <para>4.5. Psychiater Van Eyk is na onderzoek van appellante tot de conclusie gekomen dat er geen aanwijzingen zijn voor ziekte of gebreken in psychiatrische zin. Hij heeft zich kunnen verenigen met de FML van 31 mei 2007 en ziet geen reden waarom appellante niet zou kunnen werken in de functies die de arbeidsdeskundige heeft geselecteerd. </para>
    <para />
    <para>4.6. Het is vaste rechtspraak dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke door hem ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken is de Raad niet gebleken. </para>
    <para />
    <para>4.7. De Raad volgt appellante niet in haar stelling dat de rapportage van Van Eyk niet voldoende duidelijk is, omdat hij wel persoonlijkheidsproblematiek zou beschrijven. Naar het oordeel van de Raad berust deze stelling op een onjuiste lezing van de rapportage. De Raad stelt daarnaast vast dat de arts-psychotherapeut M.J. Meijburg, bij wie appellante volgens haar mededeling ter zitting van de Raad in 2008 in behandeling is gekomen, in haar aan de deskundige gerichte brief van 10 september 2009 geen persoonlijkheidsproblematiek heeft beschreven.</para>
    <para />
    <para>4.8. De deskundige heeft in zijn brief van 11 maart 2010 uiteengezet welke afwegingen ten grondslag hebben gelegen aan zijn oordeel dat appellante te veel afstand kan nemen van haar klachten om van een somatoforme pijnstoornis of chronisch pijnsyndroom te kunnen spreken. Er is naar zijn oordeel sprake van psychosociale problematiek, waarbij de leefsituatie van appellante en haar matige begaafdheid een rol spelen. De deskundige heeft er blijk van gegeven de opvatting van de huisarts te hebben meegewogen. Hij heeft verklaard dat hij tot een andere conclusie is gekomen dan de huisarts op basis van een interpretatie van de mechanismen achter de gedragsproblematiek, tot welke interpretatie hij als psychiater ook beter in staat is.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.9. Het door de (bezwaar)verzekeringsartsen bij de vaststelling van de beperkingen van appellante tot uitgangspunt genomen medische beeld sluit aan bij de onderzoeksbevindingen van Van Eyk. Ook voor de Raad staat vast dat het besluit van </para>
      <para>30 juli 2007 een voldoende medische grondslag heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.10. De Raad onderschrijft verder het oordeel van de rechtbank dat appellante </para>
      <para>– uitgaande van de FML van 31 mei 2007 – in staat geacht kan worden om te functioneren in werkzaamheden die behoren bij de in de Arbeidsmogelijkhedenlijst genoemde functies. De bezwaararbeidsdeskundige heeft in zijn rapportage van 25 juni 2007 afdoende gemotiveerd dat de belasting in die functies de belastbaarheid van appellante niet overschrijdt, ook niet op item 1.9.7 (deadlines of productiepieken). </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4.11. Appellante heeft betoogd dat de functie van chauffeur bijzonder vervoer niet bij de schatting mag worden betrokken, omdat zij geen auto meer rijdt sinds de aanrijding waarbij zij betrokken was. De Raad stelt vast dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante evenzeer minder dan 15% bedraagt als de functie van chauffeur bijzonder vervoer niet voor appellante geschikt zou zijn en de schatting mede gebaseerd wordt op de reservefunctie van magazijn, expeditiemedewerker. Deze beroepsgrond behoeft om die reden geen verdere bespreking. </para>
    <para> </para>
    <para>4.12. Het hiervoor overwogene leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt. De Raad zal de aangevallen uitspraak bevestigen. </para>
    <para />
    <para>5. Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep is geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    <para />
    <para>Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2010.</para>
    <para>					</para>
    <para>(get.) D.J. van der Vos.</para>
    <para>					</para>
    <para>(get.) A.L. de Gier.</para>
    <para />
    <para>KR</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>