<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2010:BM4636</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-27T03:16:59</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BM4636</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2010-05-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">08-1083 WWB</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2010:BM4636">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2010:BM4636</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T06:24:46</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2010-05-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2010:BM4636 Centrale Raad van Beroep , 18-05-2010 / 08-1083 WWB</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2010:BM4636:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Schending inlichtingen verplichting. Bezit van vermogen dat de geldende vermogensgrens overschreed.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2010:BM4636:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>08/1083 WWB</para>
    <para />
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para />
    <para>Meervoudige kamer</para>
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para>op het hoger beroep van:</para>
    <para />
    <para>[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),</para>
    <para />
    <para>tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 januari 2008, 06/3503 (hierna: aangevallen uitspraak),</para>
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>appellant</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)</para>
    <para />
    <para>Datum uitspraak: 18 mei 2010</para>
    <para> </para>
    <para>I. PROCESVERLOOP</para>
    <para />
    <para>Namens appellant heeft mr. S. van Andel, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.</para>
    <para />
    <para>Het College heeft een verweerschrift ingediend. </para>
    <para />
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 februari 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Andel. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.M. Tjen A Kwoei, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.</para>
    <para />
    <para>II. OVERWEGINGEN</para>
    <para />
    <para>1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. </para>
    <para />
    <para>1.1. Appellant ontvangt sedert 22 juli 1999 in aanvulling op zijn inkomsten uit arbeid als medewerker algemene dienst bij de [naam werkgever] in [vestigingsplaats] bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande van 65 jaar en ouder. </para>
    <para />
    <para>1.2. Naar aanleiding van een melding van het Inlichtingenbureau van 24 oktober 2005 dat appellant niet alleen beschikt over de bij het College bekende rekening bij de Postbank met op 31 december 2003 een saldo van € 5.376,-- maar ook over een bankrekening bij de ABN/AMRO bank met op 31 december 2003 een saldo van € 15.234,--, heeft de Sociale Recherche van de Dienst Werk en Inkomen een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek gedaan, is appellant op 17 november 2005 en 7 februari 2006 verhoord en zijn bij de ABN/AMRO bank rekeningafschriften opgevraagd over de periode van juli 1999 tot en met december 2005. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een proces-verbaal uitkeringsfraude dat op 21 februari 2006 is gesloten.</para>
    <para />
    <para>1.3. Het College heeft in de resultaten van het onderzoek aanleiding gezien om bij besluit van 17 maart 2006 de bijstand van appellant over de periode van 22 juli 1999 tot en met 16 november 2005 te herzien (lees: in te trekken) en de in die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 54.900,32 van appellant terug te vorderen op de grond dat appellant in genoemde periode, zonder daarvan aan het College mededeling te hebben gedaan, een vermogen had dat de voor hem geldende vermogensgrens overschreed.</para>
    <para />
    <para>1.4. Het tegen het besluit van 17 maart 2006 gemaakte bezwaar is bij besluit van 13 juni 2006 ongegrond verklaard.</para>
    <para />
    <para>2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen over het griffierecht en de proceskosten, het beroep tegen het besluit van 13 juni 2006 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het College ten onrechte de rechten en verplichtingen van appellant over de gehele in geding zijnde periode heeft beoordeeld aan de hand van artikel 34 van de WWB, terwijl in de periode vóór 1 januari 2004 de rechten en verplichtingen hadden moeten worden beoordeeld aan de hand van de Algemene bijstandswet (Abw), in het bijzonder de artikelen 7, eerste lid, 65, eerste lid, en 54 van die wet. De rechtbank heeft voorts overwogen dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door van de rekening bij de ABN/AMRO bank aan het College geen mededeling te doen, dat het tegoed op zijn rekeningen gedurende de gehele in geding zijnde periode de voor appellant geldende vermogensgrens heeft overschreden en dat er geen reden is dat tegoed te salderen met een door appellant gestelde schuld. Het College was dan ook naar het oordeel van de rechtbank bevoegd de bijstand van appellant over de in geding zijnde periode in te trekken en terug te vorderen en heeft in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik kunnen maken.</para>
    <para />
    <para>3. Appellant heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zijn gelaten.</para>
    <para />
    <para>4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.</para>
    <para> </para>
    <para>4.1. Vaststaat dat appellant een bankrekening bij de Postbank heeft met het nummer [rekeningnummer]. Het tegoed op die rekening bedroeg op 22 juli 1999 f. 1.418,04 en op 31 december 2003 € 5.376,--. Daarnaast heeft appellant een bankrekening bij de ABN/AMRO bank met het nummer [rekeningnummer] waarop het tegoed op 22 juli 1999 f. 10.245,30 bedroeg. Dit tegoed is in de loop der jaren gestegen door in het bijzonder kasstortingen door appellant en bedroeg op 31 december 2003 € 15.234,-- en op 15 november 2005 € 25.890,--. Op 16 november 2005 heeft appellant door middel van een spoedopdracht in totaal € 25.000,-- overgeschreven naar de rekening van [P.], waarna het tegoed op de rekening nog € 172,98 was.</para>
    <para />
    <para>4.2. De vermogensgrens, bedoeld in artikel 54, aanhef en onder a, van de Abw bedroeg op 22 juli 1999 voor een alleenstaande f. 9.500,--. De vermogensgrens, bedoeld in artikel 34, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bedroeg op 16 november 2005 € 5.180,--.</para>
    <para />
    <para>4.3. Het College stelt zich op het standpunt dat het vermogen van appellant gedurende de gehele in geding zijnde periode van 22 juli 1999 tot en met 16 november 2005 de voor hem geldende vermogensgrens heeft overschreden en dat er geen reden is het tegoed op de rekeningen te salderen met de door appellant gestelde schuld aan [P.].</para>
    <para />
    <para>4.4. De Raad onderschrijft het oordeel van het College en de rechtbank ter zake. Volgens vaste rechtspraak van de Raad dienen de positieve bestanddelen van het vermogen slechts gesaldeerd te worden met die schulden waarvan het bestaan in voldoende mate aannemelijk is gemaakt en waarvan vaststaat dat daaraan een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling is verbonden. Naar het oordeel van de Raad heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat de schuld die hij in maart 1988 aan [P.] zou hebben gehad, ten tijde van belang nog steeds bestond. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat appellant van die schuld geen mededeling heeft gedaan aan het College bij zijn aanvraag om bijstand of bij heronderzoeken en daarvan evenmin gewag heeft gemaakt bij zijn eerste verhoor op 17 november 2005 door de Sociale Recherche. Voorts heeft appellant vóór 16 november 2005 geen afbetalingen gedaan, hoewel dat volgens de overeenkomst wel tot de mogelijkheden behoorde. Ook beschikte appellant al eind 2004/ begin 2005 over voldoende middelen om de gestelde schuld af te lossen, maar heeft daarmee tot 16 november 2005 gewacht, nadat hij was uitgenodigd om op 17 november 2005 bij de Sociale Recherche te verschijnen in verband met het onderzoek aangaande zijn vermogen. Overigens heeft appellant niet door middel van een berekening aannemelijk gemaakt dat een schuld die op 25 maart 1988 $ 25.000,-- bedroeg, vermeerderd met een rente van 1% per jaar, op 16 november 2005 € 25.000,-- groot zou zijn.</para>
    <para />
    <para>4.5. Gelet op het voorgaande komt de Raad tot de conclusie dat het vermogen van appellant over de in geding zijnde periode steeds groter is geweest dan de van toepassing zijnde vermogensgrenzen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.6. Appellant heeft van de op zijn naam staande bankrekening bij de ABN/AMRO bank nooit uit eigen beweging mededeling aan het College gedaan. Nu het hier gaat om een gegeven waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat dat van invloed was op zijn recht op bijstand, heeft appellant gedurende de periode van 22 juli 1999 tot</para>
      <para>16 november 2005 de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Als gevolg hiervan heeft appellant gedurende die periode ten onrechte bijstand ontvangen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4.7. Gelet op het vorenstaande was het College bevoegd om de bijstand met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB over die periode in te trekken. In hetgeen door appellant is aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.</para>
    <para />
    <para>4.8. De Raad is voorts van oordeel dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB. Het College heeft zich op die grondslag terecht tot terugvordering bevoegd geacht. Naar aanleiding van hetgeen met betrekking tot de gebruikmaking van die bevoegdheid in hoger beroep is aangevoerd, overweegt de Raad het volgende. Het College volgt in het kader van de toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB de beleidsregel dat steeds tot volledige terugvordering van de ten onrechte of te veel betaalde bijstand wordt overgegaan, tenzij sprake is van dringende redenen. Ten aanzien van terugvordering bij vermogen boven de toepasselijke vermogensgrens is door het College nog geen specifiek beleid ontwikkeld of geformuleerd, zij het dat volgens de verklaring van de gemachtigde van het College ter zitting thans wel wordt bezien of er aanleiding is de terugvordering te matigen. Hantering van het bestaande terugvorderingsbeleid bij vermogen boven de vermogensgrens kan leiden tot uitkomsten die voor de betrokkene onevenredig zijn in verhouding tot het doel dat kennelijk met dat beleid wordt beoogd, te weten: het ongedaan maken van de financiële gevolgen van het inlichtingenverzuim of van het niet of niet juist verwerken van eerder wel verstrekte gegevens. Daarvan kan in situaties van inlichtingenverzuim sprake zijn indien de betrokkene aannemelijk maakt dat over (een gedeelte van) de periode van de terugvordering wel bijstand zou zijn verleend indien de door hem verstrekte, voor het verlenen of voortzetten van de bijstand van belang zijnde inlichtingen, juist en volledig waren geweest.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.9. Anders dan de gemachtigde van appellant heeft betoogd, is dat laatste hier niet het geval. Onduidelijk is gebleven waar het geld van de door appellant met grote regelmaat op zijn rekening bij de ABN/AMRO bank gedane kasstortingen uit voort komt. Met het College acht de Raad het niet aannemelijk dat appellant het bedrag van de - vaak niet onaanzienlijke - kasstortingen heeft overgehouden aan zijn aan het College opgegeven inkomsten uit zijn werk bij het [werkgever]. Niet is uitgesloten dat appellant meer inkomsten uit zijn werk bij dat hotel heeft ontvangen dan hij aan het College heeft opgegeven, omdat zijn loon contant werd uitbetaald, maar zekerheid daaromtrent is er niet. Ook stortte appellant niet al het contante geld dat hij had op zijn rekening bij de ABN/AMRO bank, maar bewaarde hij blijkens zijn verklaring op</para>
      <para>7 februari 2006 tegenover de Sociale Recherche ook in zijn woning geld. Voorts bevinden zich onder de stukken de afschriften van de rekening van appellant bij de ABN/AMRO bank die de Sociale Recherche van die bank heeft ontvangen. Die afschriften zijn echter niet compleet en appellant heeft de ontbrekende afschriften niet overgelegd. Gelet op het vorenstaande heeft appellant nog steeds geen volledige openheid van zaken gegeven, zodat onduidelijk is gebleven of en in hoeverre hij in de in geding zijnde periode aanspraak op bijstand had.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4.10. Gezien hetgeen is overwogen onder 4.8 en 4.9 is de Raad van oordeel dat er in hetgeen van de zijde van appellant is aangevoerd geen grond is gelegen voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om de over de periode van 22 juli 1999 tot en met 16 november 2005 ten behoeve van appellant gemaakte kosten van bijstand volledig terug te vorderen.</para>
    <para />
    <para>4.11. Het hoger beroep slaagt derhalve niet en de aangevallen uitspraak komt, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking.</para>
    <para />
    <para>5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.</para>
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep;</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.</para>
    <para />
    <para>Deze uitspraak is gedaan door J.M.A. van der Kolk-Severijns als voorzitter en J.J.A. Kooijman en J.F. Bandringa als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2010.</para>
    <para>						</para>
    <para>(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.</para>
    <para>						</para>
    <para>(get.) R.L.G. Boot.</para>
    <para />
    <para>SG</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>