<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2010:BM3881</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-21T22:27:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BM3881</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2010-04-27</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">08-6125 WWB</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0015703&amp;artikel=17&amp;g=2010-04-27">Wet werk en bijstand 17</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0015703&amp;artikel=53a&amp;g=2010-04-27">Wet werk en bijstand 53a</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0015703&amp;artikel=54&amp;g=2010-04-27">Wet werk en bijstand 54</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0015703&amp;artikel=64&amp;g=2010-04-27">Wet werk en bijstand 64</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 2010/171</rdf:li>
          <rdf:li>JWWB 2010, 138</rdf:li>
          <rdf:li>JB 2010/184</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 2010/178 met annotatie van Moesker</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2010:BM3881">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2010:BM3881</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T06:22:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2010-05-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2010:BM3881 Centrale Raad van Beroep , 27-04-2010 / 08-6125 WWB</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2010:BM3881:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering over de periode van periode van 16 juni 2004 tot en met 17 augustus 2006. Schending inlichtingenverplichting. Anders dan het Cbp in zijn onder rubriek I genoemde bevindingen van 29 mei 2007 is de Raad van oordeel dat de gegevens van adressen van uitkeringsgerechtigden met een zeer hoog of een zeer laag waterverbruik welke door het waterbedrijf door middel van een bestandskoppeling zijn verstrekt kunnen worden aangemerkt als inlichtingen welke noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de WWB in de zin van artikel 64, eerste lid, aanhef en onder m, van de WWB. De Raad komt tot oordeel dat er een voldoende rechtvaardiging was voor de gemaakte inbreuk op het recht op respect voor het privéleven van appellant, zodat niet kan worden gezegd dat de gegevensuitwisseling tegenover hem onrechtmatig was en dat de bevindingen daarvan niet mogen worden gebruikt bij de beoordeling van het recht op bijstand. Naar het oordeel van de Raad bieden de onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag om aan te nemen, dat appellant, anders dan hij aan het College heeft opgegeven, gedurende de periode van 16 juni 2004 tot en met 17 augustus 2006 niet zijn feitelijke woonadres had op het door hem opgegeven adres. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat het gemeten zeer geringe waterverbruik, in weerwil van de bevindingen tijdens het bezoek aan de woning op 17 augustus 2006, toe te schrijven is aan een defecte watermeter. Door onjuiste informatie over zijn woonadres te geven heeft appellant de in artikel 17, eerste lid, van de WWB neergelegde inlichtingenverplichting geschonden.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2010:BM3881:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>08/6125 WWB</para>
    <para />
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para />
    <para>Meervoudige kamer</para>
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para>op het hoger beroep van:</para>
    <para />
    <para>[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),</para>
    <para />
    <para>tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 10 september 2008, 07/692 (hierna: aangevallen uitspraak),</para>
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>appellant</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoogeveen (hierna: College)</para>
    <para />
    <para>Datum uitspraak: 27 april 2010</para>
    <para />
    <para>I. PROCESVERLOOP</para>
    <para />
    <para>Namens appellant heeft mr. M.R.P. Ossentjuk, advocaat te Hoogeveen, hoger beroep ingesteld.</para>
    <para />
    <para>Het College heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <para>De Raad heeft aan de gedingstukken ambtshalve een uitspraak van de Raad van 15 december 2009, LJN BK8311 en de bevindingen ambtshalve onderzoek “Waterproof” van het College bescherming persoonsgegevens (hierna: Cbp) van 29 mei 2007 toegevoegd.</para>
    <para />
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 maart 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. M.T. van Daatselaar, advocaat te Hoogeveen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door F.X. Pouwels, werkzaam bij de gemeente Hoogeveen.</para>
    <para />
    <para>II. OVERWEGINGEN</para>
    <para />
    <para>1.Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.</para>
    <para />
    <para>1.1. Appellant heeft gedurende de periode van 10 mei 2004 tot en met 11 november 2006 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ontvangen op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.2. In het kader van het project “Waterproof” hebben 65 gemeenten, de Belastingdienst en de Sociale verzekeringsbank, participerend in het Opsporingssamenwerkingsverband Zuid-Drenthe &amp; Noordwest Overijssel, door middel van een bestandskoppeling gegevens verkregen over het waterverbruik op - onder meer- het adres van appellant, [adres A] te [plaatsnaam]. Uit deze gegevens kwam naar voren dat dit verbruik in de periode van 16 juni 2004 tot 1 januari 2005 1 m3 was en over het gehele jaar 2005 6 m3 was. Mede gelet op het energieverbruik over de periode van 17 juni 2004 tot en met 31 december 2005 heeft het College een nader onderzoek ingesteld. In het kader van het onderzoek is appellant gehoord en heeft met zijn toestemming op 17 augustus 2006 een bezoek aan zijn woning plaatsgevonden. Daarbij zijn onder meer de meterstanden van water, gas en elektra opgenomen, en is bezien of de watermeter werkte. Tevens is geconstateerd dat het waterverbruik gedurende de periode van 3 januari 2006 tot </para>
      <para>17 augustus 2006 3 m3 was. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 9 november 2006. De conclusie hiervan is dat gelet op het water-, gas- en elektraverbruik en de verklaring van een buurman niet aannemelijk is dat appellant zijn verblijfplaats heeft op het door hem opgegeven adres.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1.3. De bevindingen van het onder 1.2 vermelde onderzoek waren voor het College aanleiding om bij besluit van 5 december 2006 de bijstand van appellant over de periode van 16 juni 2004 tot en met 11 november 2006 te herzien (lees: in te trekken) en de over die periode gemaakte kosten van bijstand van hem terug te vorderen.</para>
    <para />
    <para>1.4. Bij besluit van 27 juni 2007, zoals gewijzigd bij besluit van 3 juli 2007, heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit van 5 december 2006 gegrond verklaard, dat besluit herroepen en de bijstand over de periode van 16 juni 2004 tot en met 17 augustus 2006 ingetrokken en de over die periode verleende bijstand tot een bedrag van € 34.649,27 bruto van appellant teruggevorderd.</para>
    <para />
    <para>2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 27 juni 2007 ongegrond verklaard.</para>
    <para />
    <para>3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat het Cbp de door onder meer de gemeente Hoogeveen uitgevoerde koppeling van gegevens van de Waterleidingmaatschappij Drenthe aan het cliëntenbestand van de afdeling sociale zaken onrechtmatig heeft geacht en in strijd met de Wet bescherming persoonsgegevens. Hoewel het College van dit oordeel op de hoogte was, heeft het op basis van deze onrechtmatige koppeling geoordeeld dat appellant ten onrechte een uitkering had ontvangen. Volgens appellant is onduidelijk hoe de selectie van gegevens heeft plaatsgevonden, en is sprake van een niet-gerechtvaardigde inbreuk op zijn privéleven zoals dat gewaarborgd moet worden op grond van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Daarbij verwijst hij naar de notitie ‘Fraudebestrijding door bestandskoppeling” uit 2005 van het Cbp. Volgens appellant is niet voldaan aan het noodzakelijkheidsvereiste als bedoeld in artikel 64, eerste lid, aanhef en onder m, van de WWB. In dit verband stelt hij dat de noodzaak van de bestandskoppeling niet is aangetoond door een vooraf uitgevoerde risicoanalyse. Appellant meent ten slotte dat uit de overige verbruiksgegevens blijkt dat hij op het door hem opgegeven adres heeft verbleven, waarbij moet worden betrokken dat het gaat om een woning met een oppervlakte van slechts 26 m2. Ook sluit appellant niet uit dat zijn watermeter al eerder dan in november 2006 defect was.</para>
    <para />
    <para>4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.</para>
    <para />
    <para>4.1. Met betrekking tot de stelling dat sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs</para>
    <para />
    <para>4.1.1. Artikel 8 van het EVRM luidt:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>‘1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.</para>
      <para>2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.’</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4.1.2. De WWB geeft regels voor het verrichten van onderzoek naar de rechtmatigheid van de verleende bijstand door middel van de uitwisseling van gegevens zoals hier aan de orde is. Op grond van artikel 53a, tweede lid, van de WWB is het college bevoegd om onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en zonodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel de voortzetting van bijstand. Ingevolge artikel 64, eerste lid, aanhef en onder m, van de WWB, voor zover hier van belang, zijn de instanties die in het kader van de openbare nutsvoorzieningen energie en water leveren verplicht desgevraagd aan het college kosteloos opgaven en inlichtingen te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van deze wet.</para>
    <para />
    <para>4.1.3. Anders dan het Cbp in zijn onder rubriek I genoemde bevindingen van 29 mei 2007 is de Raad van oordeel dat de gegevens van adressen van uitkeringsgerechtigden met een zeer hoog of een zeer laag waterverbruik welke door het waterbedrijf door middel van een bestandskoppeling zijn verstrekt kunnen worden aangemerkt als inlichtingen welke noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de WWB in de zin van artikel 64, eerste lid, aanhef en onder m, van de WWB.</para>
    <para />
    <para>4.1.4. De Raad stelt voorts vast dat het College met de onderhavige gegevensuitwisseling met het waterbedrijf als oogmerk heeft te bezien of nader onderzoek naar de rechtmatigheid van de te verlenen of verleende bijstand is aangewezen. Gelet op het gegeven dat de omvang van het waterverbruik op een adres van belang is voor de beantwoording van de vraag of - en zo ja hoeveel - personen op dat adres woonachtig zijn, merkt de Raad dit doel aan als het behartigen van het belang van het economisch welzijn van Nederland als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van het EVRM, nu daaronder mede begrepen moet worden geacht het tegengaan en bestrijden van misbruik en fraude van sociale uitkeringen. </para>
    <para />
    <para>4.1.5. De Raad acht de door de gegevensuitwisseling met het waterbedrijf gemaakte inbreuk op het recht op respect voor het privéleven van appellante proportioneel met het met die gegevensuitwisseling te dienen doel. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat het College zich heeft beperkt tot het opvragen bij het waterbedrijf van de verbruiksgegevens op adressen van bijstandsgerechtigden met een extreem hoog of laag watergebruik en dat een dergelijk gebruik een aanwijzing vormt dat er meer of minder personen op dat adres verblijven dan is opgegeven. In het van het waterbedrijf verkregen gegeven dat op het adres van appellant heel weinig water werd verbruikt, heeft het College aanleiding gevonden een specifiek onderzoek naar de woonsituatie van appellant in te stellen. Ook aan het vereiste van subsidiariteit is naar het oordeel van de Raad voldaan, nu er geen ander passend, minder ingrijpend middel ter beschikking stond. </para>
    <para />
    <para>4.1.6. Het voorgaande leidt de Raad tot het oordeel dat er een voldoende rechtvaardiging was voor de gemaakte inbreuk op het recht op respect voor het privéleven van appellant, zodat niet kan worden gezegd dat de gegevensuitwisseling tegenover hem onrechtmatig was en dat de bevindingen daarvan niet mogen worden gebruikt bij de beoordeling van het recht op bijstand.</para>
    <para />
    <para>4.2. Met betrekking tot de woonsituatie van appellant.</para>
    <para />
    <para>4.2.1. De vraag waar iemand zijn woonadres heeft dient naar vaste rechtspraak te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De belanghebbende is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.</para>
    <para />
    <para>4.2.2. Naar het oordeel van de Raad bieden de onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag om aan te nemen, dat appellant, anders dan hij aan het College heeft opgegeven, gedurende de periode van 16 juni 2004 tot en met 17 augustus 2006 niet zijn feitelijke woonadres had op het door hem opgegeven adres. De Raad onderschrijft hetgeen de rechtbank omtrent de onderzoeksbevindingen heeft overwogen. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat het gemeten zeer geringe waterverbruik, in weerwil van de bevindingen tijdens het bezoek aan de woning op 17 augustus 2006, toe te schrijven is aan een defecte watermeter. </para>
    <para />
    <para>4.3. Door onjuiste informatie over zijn woonadres te geven heeft appellant de in artikel 17, eerste lid, van de WWB neergelegde inlichtingenverplichting geschonden. Ten gevolge daarvan kan niet worden vastgesteld of hij ten tijde hier in geding recht had op bijstand.</para>
    <para />
    <para>4.4. Dit brengt mee dat het College op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was de bijstand in te trekken over de periode in geding. De Raad ziet in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Met betrekking tot de terugvordering van de kosten van de als gevolg van de intrekking ten onrechte verleende bijstand heeft appellant geen zelfstandige grieven aangevoerd, zodat het besluit tot terugvordering buiten bespreking kan blijven.</para>
    <para />
    <para>4.5. Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.</para>
    <para />
    <para>6. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep;</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    <para />
    <para>Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en A.B.J. van der Ham en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 april 2010.</para>
    <para />
    <para>(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.</para>
    <para />
    <para>(get.) J.M. Tason Avila.</para>
    <para />
    <para>NW</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>