<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2010:BM2053</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-27T02:24:14</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BM2053</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2010-03-25</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">09-3495 WUBO</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2010:BM2053">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2010:BM2053</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T06:17:44</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2010-04-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2010:BM2053 Centrale Raad van Beroep , 25-03-2010 / 09-3495 WUBO</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2010:BM2053:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Afwijzing herhaalde aanvraag om erkend te worden als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet en om toekenning van, onder meer, een periodieke uitkering op de grond dat geen aanleiding bestaat om het eerder ingenomen standpunt te herzien. De hiervoor genoemde aanvraag van december 2007 draagt, naar verweerster terecht heeft vastgesteld, het karakter van een herhaald verzoek om herziening van de door verweerster eerder genomen, hiervoor vermelde besluiten aangaande de aanvraag van mei 1990. De Raad heeft in hetgeen door appellant is aangevoerd voor een bevestigende beantwoording van die vraag geen grondslag gevonden. Bij het onderhavige herzieningsverzoek, en in bezwaar tegen het besluit op dat verzoek, heeft appellant in wezen herhaald hetgeen hij reeds ter ondersteuning van zijn eerdere verzoeken had aangevoerd. Met name blijft appellant bestrijden het door verweerster steeds ingenomen standpunt dat zijn rugklachten berusten op een genetische aanleg-stoornis en daarom zijn ontstaan uit duidelijk andere oorzaken dan de oorlogservaringen. Ook bij vanwege verweerster zorgvuldigheidshalve nog ingesteld medisch onderzoek van appellant is echter van nieuwe medische inzichten of ontwikkelingen niet gebleken. Gelet op het hiervoor overwogene kan niet worden gezegd dat verweerster niet heeft kunnen komen tot haar besluit om niet tot herziening over te gaan.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2010:BM2053:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>09/3495 WUBO</para>
    <para />
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para />
    <para>Enkelvoudige kamer</para>
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>[Appellant], wonende te [woonplaats], Frankrijk (hierna: appellant),</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)</para>
    <para />
    <para>Datum uitspraak: 25 maart 2010</para>
    <para />
    <para>I. PROCESVERLOOP</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft beroep ingesteld tegen het onder dagtekening 31 maart 2009, kenmerk BZ 8817 JZ/O70/2009, door verweerster ten aanzien van hem genomen besluit (hierna: bestreden besluit) ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers </para>
      <para>1940-1945 (hierna: de Wet).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Verweerster heeft een verweerschrift ingediend. </para>
    <para />
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 februari 2010. Appellant is daar  met voorafgaand bericht niet verschenen, terwijl verweerster zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad. </para>
    <para />
    <para>II. OVERWEGINGEN</para>
    <para />
    <para>1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.</para>
    <para />
    <para>1.1. Appellant, geboren in 1938, heeft in mei 1990 bij verweerster een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet en om toekenning van, onder meer, een periodieke uitkering. Die aanvraag heeft verweerster afgewezen bij besluit van 11 mei 1992, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij besluit van 12 mei 1993, op de grond dat bij appellant geen sprake is van blijvende lichamelijke en/of psychische invaliditeit als gevolg van het ondergane oorlogsgeweld. Daartoe is, overeenkomstig medisch advies, overwogen dat de met de oorlogservaringen in verband staande psychische klachten van appellant geen beperkingen geven, terwijl de rugklachten niet met die ervaringen in verband staan doch duidelijk uit andere oorzaken zijn ontstaan. Tegen laatstgenoemd besluit heeft appellant geen beroep ingesteld, zodat dit tussen partijen rechtens verbindend is geworden.</para>
    <para />
    <para>1.2. Een in februari 1996 bij verweerster ingediend verzoek van appellant om de afwijzing van zijn eerdere aanvraag te herzien heeft verweerster afgewezen bij besluit van 25 juni 1996, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij besluit van 27 februari 1997, op de grond - samengevat - dat niet is gebleken van feiten en omstandigheden die daartoe aanleiding kunnen geven. Ook tegen dit besluit heeft appellant geen beroep ingesteld.</para>
    <para />
    <para>1.3.  In december 2007 heeft appellant verweerster nogmaals gevraagd om hem als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet onder meer een periodieke uitkering toe te kennen. Ook deze aanvraag heeft verweerster, bij besluit van 28 november 2008 zoals na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, afgewezen op de grond dat geen aanleiding bestaat om het eerder ingenomen standpunt te herzien.</para>
    <para />
    <para>2. De Raad overweegt het volgende.</para>
    <para />
    <para>2.1. De hiervoor genoemde aanvraag van december 2007 draagt, naar verweerster terecht heeft vastgesteld, het karakter van een herhaald verzoek om herziening van de door verweerster eerder genomen, hiervoor vermelde besluiten aangaande de aanvraag van mei 1990.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.2. Ingevolge artikel 61, derde lid, van de Wet is verweerster bevoegd op daartoe door de belanghebbende gedane aanvraag een door haar gegeven besluit in het voordeel van de bij dat besluit betrokkene te herzien. Deze bevoegdheid is van discretionaire aard, zodat de Raad de wijze waarop verweerster van deze bevoegdheid gebruik maakt met terughoudendheid dient te toetsen. Dit klemt in dit geval temeer nu het hier gaat om een herhaald verzoek om herziening.</para>
      <para>Hierbij staat centraal de vraag of de betrokkene bij het verzoek om herziening dan wel in bezwaar feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht die verweerster bij de eerdere afwijzing niet bekend waren en dat besluit in een zodanig ander licht plaatsen dat verweerster daarin aanleiding had moeten vinden om dat besluit te herzien.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2.3. De Raad heeft in hetgeen door appellant is aangevoerd voor een bevestigende beantwoording van die vraag geen grondslag gevonden. Bij het onderhavige herzieningsverzoek, en in bezwaar tegen het besluit op dat verzoek, heeft appellant in wezen herhaald hetgeen hij reeds ter ondersteuning van zijn eerdere verzoeken had aangevoerd. Met name blijft appellant bestrijden het door verweerster steeds ingenomen standpunt dat zijn rugklachten berusten op een genetische aanleg-stoornis en daarom zijn ontstaan uit duidelijk andere oorzaken dan de oorlogservaringen. Ook bij vanwege verweerster zorgvuldigheidshalve nog ingesteld medisch onderzoek van appellant is echter van nieuwe medische inzichten of ontwikkelingen niet gebleken. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.4. Gelet op het hiervoor overwogene kan niet worden gezegd dat verweerster niet heeft kunnen komen tot haar besluit om niet tot herziening over te gaan.</para>
      <para>Het bestreden besluit kan daarom in rechte standhouden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.</para>
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep;</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>Verklaart het beroep ongegrond.</para>
    <para />
    <para>Deze uitspraak is gedaan door G.L.M.J. Stevens, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2010.</para>
    <para />
    <para>(get.) G.L.M.J. Stevens.</para>
    <para />
    <para>(get.) P.W.J. Hospel.</para>
    <para />
    <para>HD</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>