<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2010:BM0373</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-27T01:42:09</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BM0373</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2010-04-07</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">07-1738 WAO</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2010:BM0373">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2010:BM0373</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T06:12:58</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2010-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2010:BM0373 Centrale Raad van Beroep , 07-04-2010 / 07-1738 WAO</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2010:BM0373:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Weigering WAO-uitkering. Ten onrechte is het Uwv ervan uitgegaan dat geen sprake is van 52 weken onafgebroken arbeidsongeschiktheid. In jurisprudentie van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige volgt, tenzij bijzondere omstandigheden nopen tot het aanvaarden van een uitzondering op deze regel. Geen aanleiding om van deze hoofdregel af te wijken. Daartoe heeft de Raad in aanmerking genomen dat de door de rechtbank als deskundige ingeschakelde psychiater Mutsaers, daartoe nader door de Raad geraadpleegd, een uitgebreid en zorgvuldig onderzoek heeft ingesteld naar het in hoger beroep door behandelend psychiater De Mooij gepresenteerde oordeel over de aanvang en duur van de bij appellant bestaande arbeidsongeschiktheid. Naar aanleiding van dit onderzoek van de deskundige Mutsaers heeft deze zijn in eerste aanleg gepresenteerde conclusie gewijzigd. De Raad is van oordeel dat de deskundige zijn in hoger beroep getrokken conclusie inzichtelijk en deugdelijk heeft gemotiveerd. Vernietiging bestreden besluit en aangevallen uitspraak.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2010:BM0373:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>07/1738 WAO</para>
    <para />
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para />
    <para>Meervoudige kamer</para>
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para>op het hoger beroep van:</para>
    <para />
    <para>[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),</para>
    <para />
    <para>tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 5 februari 2007, 04/1120 (hierna: aangevallen uitspraak),</para>
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>appellant</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).</para>
    <para />
    <para>Datum uitspraak: 7 april 2010</para>
    <para> </para>
    <para>I. PROCESVERLOOP</para>
    <para />
    <para>Namens appellant is hoger beroep ingesteld en zijn nadere stukken ingezonden.</para>
    <para />
    <para>Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en heeft nadere stukken ingezonden.</para>
    <para />
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2009. Voor appellant is verschenen mr. J.S. Visser, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.H. Abdoelhak.</para>
    <para />
    <para>Het onderzoek is heropend. De ook in eerste aanleg geraadpleegde deskundige, de psychiater W.H.J. Mutsaers, heeft een vraag van de Raad beantwoord. Partijen hebben daarop gereageerd.</para>
    <para />
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft opnieuw plaatsgevonden op 27 januari 2010. Voor appellant is verschenen mr. Visser. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Belopavlovic.</para>
    <para />
    <para>II. OVERWEGINGEN</para>
    <para />
    <para>1. Appellant heeft zich op 1 februari 2002 ziek gemeld. Het dienstverband van appellant met een pizzeria is met ingang van 1 april 2002 beëindigd wegens opheffing van de pizzeria. Op 6 mei 2003 heeft de voor het Uwv werkzame arts A. Smits over appellant gerapporteerd. Appellant lijdt volgens dat rapport aan een psychiatrische ziekte, maar zijn belastbaarheid gedurende het eerste ziektejaar is niet vast te stellen. Anamnestisch mag wel worden vastgesteld dat appellant (gedeeltelijk) ziek was en dat hij de wachttijd heeft doorgemaakt, aldus deze arts. Appellant is vervolgens op 9 oktober 2003 onderzocht door de verzekeringsarts J.M. van der Lugt, samen met F. Dalyan, een Turks sprekende collega-arts. Deze artsen vermelden in hun rapport van 14 januari 2004 dat bij appellant vanaf april 2002 geen sprake (meer) was van arbeidsongeschiktheid als gevolg van ziekte of gebrek. Bij besluit van 20 januari 2004 is appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) geweigerd op de grond dat hij vanaf 1 februari 2002 niet 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dat besluit. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat hij wegens een ernstige psychische ziekte niet in staat is loonvormende arbeid te verrichten. Naar aanleiding van dat bezwaar is de bezwaarverzekeringsarts K.J. van Haeringen in zijn rapporten van 19 augustus 2004 en 5 oktober 2004 tot de conclusie gekomen dat er geen aanleiding is voor een ander oordeel dan dat van de eerder genoemde artsen. Volgens hem is eerst in 2003 bij appellant duidelijk een psychiatrisch ziektebeeld vastgesteld. Bij besluit van 8 oktober 2004 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 20 januari 2004 ongegrond verklaard. </para>
    <para />
    <para>2. Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde standpunt van het Uwv aangevochten dat hij vanaf 1 februari 2002 niet gedurende 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest. Na zijn ziekmelding is hij vanaf 5 juli 2002 onderzocht door de bedrijfsarts van Achmea Arbo. De bedrijfsarts heeft hem op 26 september 2002 100% arbeidsongeschikt verklaard, aldus appellant. Verder heeft hij verwezen naar het rapport van de verzekeringsarts Smits. Hij heeft voorts verwezen naar de door hem in beroep overgelegde brieven van maatschappelijk werker F.M.M. van Weert, psychiater dr. H.C. Klein, psychiater J.L. Tobi en huisarts W. Gunsing. Bezwaarverzekeringsarts Van Haeringen is in zijn rapporten van 21 juli 2005 en 6 oktober 2005 bij zijn eerder getrokken conclusie gebleven. De rechtbank heeft psychiater Mutsaers als deskundige ingeschakeld. Deze is in zijn rapport van 28 februari 2006 in antwoord op vragen van de rechtbank tot de conclusie gekomen dat appellant op 1 februari 2003 leed aan een depressie met psychotische kenmerken. Gelet op de vele inconsistenties in de anamnese en de heteroanamnese van appellant, de verschillende tegenstrijdigheden in het verhaal van appellant en het ontbreken van relevante informatie, kon de deskundige niet met zekerheid zeggen dat appellant in 2002 niet gedecompenseerd is geweest. Mutsaers heeft voorts bij zijn onderzoek onvoldoende argumenten gevonden voor de gedachte dat de beperkingen van appellant voorafgaande aan 1 februari 2003 onafgebroken gedurende 52 weken hebben bestaan. Volgens Mutsaers zijn er te weinig objectieve en harde gegevens die erop zouden kunnen wijzen, dat appellant in psychiatrische zin gedecompenseerd is geweest. Het enige "harde" gegeven uit de behandelende sector waarover hij beschikt is het rapport van psychiater Klein, die van een depressie met psychotische kenmerken spreekt, maar volgens Mutsaers is de conclusie van Klein vrijwel helemaal gebaseerd op summiere en weinig heldere anamnestische gegevens. Mutsaers heeft er onvoldoende aanwijzingen voor gevonden dat het pathogenetisch proces dat uiteindelijk tot psychiatrische decompensatie heeft geleid, al in februari 2002 gaande was. </para>
    <para />
    <para>3. De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard. Zij heeft het standpunt van het Uwv onderschreven en daarbij doorslaggevende betekenis toegekend aan het rapport van de deskundige Mutsaers.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>4. In hoger beroep heeft appellant zijn in eerste aanleg ingenomen standpunt herhaald. Hij heeft een ongedateerde brief overgelegd de bedrijfsarts J. Ros, waarbij een journaal is gevoegd over de periode van 1 juli 2002 tot 26 september 2002. Voorts heeft hij het verslag van 7 september 2007 van een onderzoek verricht door de psychiater </para>
      <para>N.J. de Mooij in het geding gebracht. Deze psychiater heeft bij appellant de autoanamnese afgenomen en bij de broer van appellant en diens Nederlandse vriendin de heteroanamnese. Ook heeft deze psychiater kennis genomen van de gedingstukken van medische aard en van de brief van de bedrijfsarts Ros. In antwoord op vragen van appellant komt psychiater De Mooij tot conclusie dat op de ziekte van appellant de diagnose schizofrenie van toepassing is en dat de eerste psychotische decompensatie plaats vond al voor 1 februari 2002. Het beloop van de ziekte wordt in het rapport van </para>
      <para>De Mooij beschreven. Er is maar een kortdurende opleving geweest. In de periode van 1 februari 2002 tot 1 februari 2003 is appellant volgens De Mooij onafgebroken arbeidsongeschikt geweest. Appellant was dat ook op de eerste dag na die periode. In zijn rapport van 26 september 2007 is bezwaarverzekeringsarts Van Haeringen onder verwijzing naar onder andere eerdere verzekeringsgeneeskundige rapporten tot de conclusie gekomen dat de psychiatrische expertise van De Mooij geen aanleiding geeft tot een ander oordeel te komen dan aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd. Verder trekt deze bezwaarverzekeringsarts de deugdelijkheid van de door de Mooij heteroanamnestisch verkregen gegevens in twijfel. In zijn rapport van 11 november 2007 is psychiater De Mooij, in reactie op het juist vermelde rapport van Van Haeringen gebleven bij de conclusie neergelegd in zijn rapport van 7 september 2007. Daarbij heeft hij nogmaals beargumenteerd waarom naar zijn oordeel die conclusie juist is. Ook bezwaarverzekeringsarts Van Haeringen is in zijn daarop gevolgde rapport van 27 november 2007 bij zijn standpunt gebleven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. De Raad heeft de in hoger beroep gewisselde stukken van medische aard voorgelegd aan de deskundige Mutsaers en deze verzocht daarop commentaar te geven, met name op het rapport van De Mooij van 7 september 2007. In zijn rapport van 19 juni 2009 vermeldt de deskundige Mutsaers dat hij na uitvoerige bestudering van die stukken tot de conclusie is gekomen dat de beschouwing en conclusies van De Mooij, namelijk dat appellant bij zijn ziekmelding in februari 2002 psychotisch gedecompenseerd was in het kader van een schizofreen proces, in grote lijnen kan onderschrijven. Daarbij heeft de deskundige een aantal overwegingen vermeld die hem tot die conclusie hebben gebracht. De deskundige heeft voorts vermeld waarom hij destijds niet tot de conclusie heeft kunnen komen dat appellant al in 2002 psychiatrisch gedecompenseerd was. Hij is het helemaal eens met de conclusie van De Mooij dat de verschillende gegevens in de richting wijzen van een schizofreen proces bij appellant. Hij wijst daarbij op de knik in diens levenslijn, de psychotische verschijnselen, het verval van de persoonlijkheid met cognitieve stoornissen, de vervlakking van het emotionele leven en de gegevens van zijn omgeving, waaruit moet worden afgeleid dat appellant al ruim voordat hij zich in februari ziek meldde duidelijk gedragsveranderingen vertoonde. Bezwaarverzekeringsarts N. Visser heeft op dit rapport van deskundige Mutsaers commentaar geleverd in zijn rapport van 12 augustus 2009. Deze bezwaarverzekeringsarts heeft daarbij erop gewezen dat de juistheid van de gevolgtrekkingen van De Mooij staat of valt met de betrouwbaarheid van de hetero-anamnestisch verkregen informatie. Verder heeft Visser beargumenteerd dat in deze informatie nogal wat inconsistenties voorkomen. Hij vindt dat Mutsaers op basis van het voorhanden materiaal niet tot een zo vergaande conclusie kon komen als hij heeft getrokken. Vervolgens heeft De Mooij in een rapport van 20 september 2009 commentaar geleverd op het nadere rapport van Mutsaers en het rapport van Visser. De Mooij komt, samenvattend, tot de slotsom dat hij in de rapportage van Visser geen argumenten heeft gevonden op grond waarvan De Mooij zijn conclusies zou moeten wijzigen. Tot slot heeft bezwaarverzekeringsarts Visser in een rapport van 5 oktober 2009 betoogd dat De Mooij ten onrechte voorbij is gegaan aan de feitelijke inconsistenties waarop de bezwaarverzekeringsarts eerder heeft gewezen en vermeldt hij dat uit informatie van appellants huisarts moet worden afgeleid dat appellant op 18 april 2002, anders dan waarvan De Mooij volgens zijn rapport van 7 september 2007 uitgaat, bij appellant geen duidelijke aanwijzing zag voor depressiviteit.</para>
    <para />
    <para>6. De Raad komt tot de volgende beoordeling.</para>
    <para />
    <para>6.1. In jurisprudentie van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige volgt, tenzij bijzondere omstandigheden nopen tot het aanvaarden van een uitzondering op deze regel. De Raad is van oordeel dat er in het hier voorliggende geval geen aanleiding bestaat om van deze hoofdregel af te wijken. Daartoe heeft de Raad in aanmerking genomen dat de door de rechtbank als deskundige ingeschakelde psychiater Mutsaers, daartoe nader door de Raad geraadpleegd, een uitgebreid en zorgvuldig onderzoek heeft ingesteld naar het in hoger beroep door De Mooij gepresenteerde oordeel over de aanvang en duur van de bij appellant bestaande arbeidsongeschiktheid. Naar aanleiding van dit onderzoek van de deskundige Mutsaers heeft deze zijn in eerste aanleg gepresenteerde conclusie gewijzigd. De Raad is van oordeel dat de deskundige zijn in hoger beroep getrokken conclusie inzichtelijk en deugdelijk heeft gemotiveerd. </para>
    <para />
    <para>6.2. In hetgeen daartegen door het Uwv is aangevoerd in de vorm van rapporten van de bezwaarverzekeringsartsen Van Haeringen en Visser heeft de Raad onvoldoende aanleiding gegeven om de in hoger beroep door de deskundige getrokken conclusie voor onjuist te houden. </para>
    <para />
    <para>6.3. De Raad is dan ook van oordeel dat de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ten onrechte ongegrond heeft verklaard. Die uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking. Ook het bestreden besluit zal worden vernietigd. Het Uwv zal worden opgedragen opnieuw op het bezwaar van appellant te beslissen.</para>
    <para />
    <para>7. De Raad zal het Uwv veroordelen in de proceskosten van appellant. Die bedragen € 644,- aan kosten van rechtsbijstand in eerste aanleg, € 966,- aan kosten van rechtsbijstand in hoger beroep, € 7,36 aan reiskosten in eerste aanleg en € 94,56 aan reiskosten in hoger beroep en € 690,45 aan kosten van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht.</para>
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep;</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak;</para>
      <para>Verklaart het beroep gegrond;</para>
      <para>Vernietigt het besluit van 8 oktober 2004;</para>
      <para>Draagt het Uwv op te beslissen op het bezwaar van appellant, met inachtneming van deze uitspraak;</para>
      <para>Veroordeelt het Uwv tot betaling van de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van in het totaal € 2.402,37, te betalen aan de griffier van de Raad;</para>
      <para>Bepaalt dat het Uwv het door appellant in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van € 143,- vergoedt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en C.P.J. Goorden en J. Riphagen, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is, uitgesproken in het openbaar op 7 april 2010.</para>
    <para>						</para>
    <para>(get.) T. Hoogenboom.</para>
    <para>						</para>
    <para>(get.) M.D.F. de Moor.</para>
    <para />
    <para>JL</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>