<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2009:BK8196</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-26T22:06:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BK8196</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2009-12-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">08-4530ZW+08-4531WIA+08-6758WIA</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2009:BK8196">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2009:BK8196</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T05:42:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2010-01-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2009:BK8196 Centrale Raad van Beroep , 23-12-2009 / 08-4530ZW+08-4531WIA+08-6758WIA</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2009:BK8196:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Weigering WIA-uitkering toe te kennen. Belastbaarheid van appellante juist vastgesteld. Geschiktheid geduide functies. Weigering ziekengeld. De Raad is van oordeel dat appellante met haar medische beperkingen geacht moet worden ten minste één van de haar voorgehouden voorbeeldfuncties te kunnen verrichten.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2009:BK8196:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>08/4530 ZW</para>
      <para>08/4531 WIA</para>
      <para>08/6758 WIA</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para />
    <para>Enkelvoudige kamer</para>
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para>op het hoger beroep van:</para>
    <para />
    <para>[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),</para>
    <para />
    <para>tegen de uitspraken van de rechtbank ’s-Gravenhage van 24 juni 2008, 07/4424 (hierna: aangevallen uitspraak 1) en 24 juni 2008, 07/5599 (hierna: aangevallen uitspraak 2),</para>
    <para />
    <para>in de gedingen tussen:</para>
    <para />
    <para>appellante</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).</para>
    <para />
    <para>Datum uitspraak: 23 december 2009</para>
    <para />
    <para>I. PROCESVERLOOP</para>
    <para />
    <para>Namens appellante heeft mr. J.M.M. Brouwer, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.</para>
    <para />
    <para>Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.</para>
    <para />
    <para>De onderzoeken ter zitting hebben gevoegd plaatsgevonden op 11 november 2009. Voor appellante is verschenen mr. Brouwer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. van Riet.</para>
    <para />
    <para>II. OVERWEGINGEN</para>
    <para />
    <para>1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.</para>
    <para />
    <para>1.1. Appellante was tot 1 maart 2003 werkzaam als vakkenvuller en medewerkster spoelkeuken bij [naam werkgever] voor 28 tot 32 uur per week. Vanaf genoemde datum ontving appellante een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW). Op 17 december 2004 heeft appellante zich ziek gemeld vanwege rugklachten, pijn in de benen, hoofdpijnklachten, slaapproblemen, vermoeidheidsklachten en psychische klachten. De verzekeringsarts heeft appellante op 4 oktober 2006 onderzocht. Zij stelde vast dat appellante aangewezen is op niet te stressvolle arbeid. Om energetische redenen heeft de verzekeringsarts tevens een urenbeperking aangenomen van gemiddeld ongeveer 20 uur per week en gemiddeld ongeveer 4 uur per dag. In lichamelijk opzicht waren er geen duidelijke belemmeringen op grond van een ziekte of gebrek vast te stellen. Hiervan uitgaande heeft een arbeidsdeskundige een viertal voorbeeldfuncties geselecteerd en de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op minder dan 35%. Bij besluit van 13 november 2006 is appellante met ingang van 15 december 2006 een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) geweigerd.</para>
    <para />
    <para>1.2. In de bezwaarfase is appellante onderzocht door de bezwaarverzekeringsarts. Mede op basis van nadere informatie van de behandelende sector constateerde deze arts dat vanwege de spataderproblematiek van appellante enige beperking ten aanzien van het onderdeel ‘staan’ moet worden aangenomen. In verband hiermee heeft hij de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) aangepast. Voor het overige achtte hij de belastbaarheid van appellante niet onjuist ingeschat. Op grond van die bevindingen concludeerde de bezwaararbeidsdeskundige dat niet alle voorbeeldfuncties nog geschikt zijn voor appellante, maar gelet op andere voorbeeldfuncties de mate van haar ongeschiktheid onveranderd minder dan 35% bedraagt. Bij besluit van 9 mei 2007 is het bezwaar ongegrond verklaard (hierna: bestreden besluit 1).</para>
    <para />
    <para>1.3. Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het bestreden besluit 1 vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen de rechtbank heeft overwogen. De rechtbank was van oordeel dat de geneeskundige beoordeling zorgvuldig tot stand was gekomen, maar achtte de functie van productiemedewerker confectie (sbc-code 272042) niet geschikt vanwege het feit dat in die functie gemiddeld meer dan 4 uur per week gewerkt dient te worden. Naar aanleiding van die uitspraak heeft de arbeidsdeskundige op 25 augustus 2008 een nadere rapportage opgesteld. Op grond van de functies van productiemedewerker industrie (sbc-code 111180), productiemedewerker textiel (sbc-code 272043) en samensteller kunststofindustrie (sbc-code 271130) heeft hij het verlies aan verdienvermogen van appellante berekend op ongeveer 28%. Bij besluit van 25 augustus 2008 heeft het Uwv andermaal het bezwaar van appellante ongegrond verklaard (hierna: bestreden besluit 2).</para>
    <para />
    <para>1.4. Tussentijds heeft appellante zich op 2 maart 2007 ziek gemeld vanwege een operatie die zij in verband met de onder 1.2 genoemde spataderproblematiek moest ondergaan. Nadat zij door de verzekeringsarts is onderzocht, is haar bij besluit van 21 mei 2007 meegedeeld dat zij met ingang van 22 mei 2007 geschikt geacht wordt tot het verrichten van haar arbeid en zij per die datum geen recht meer heeft op ziekengeld. Appellante heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt. De bezwaarverzekeringsarts heeft de bevindingen van de primaire verzekeringsarts herbeoordeeld en geconcludeerd dat de medische onderbouwing van het besluit van 21 mei 2007 in haar geheel kan worden gehandhaafd. Bij besluit van 18 juni 2007 is het bezwaar ongegrond verklaard (hierna: bestreden besluit 3).</para>
    <para />
    <para>1.5. Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank was van oordeel dat zij geen reden had om te twijfelen aan de juistheid van het medische onderzoek en appellante daarom in staat geacht moet worden om met ingang van 22 mei 2007 de in aanmerking komende arbeid te verrichten.</para>
    <para />
    <para>2. In hoger beroep heeft appellante haar standpunt gehandhaafd dat - samengevat - haar medische beperkingen zijn onderschat waardoor zij de haar voorgehouden functies niet kan verrichten. Het Uwv heeft verweerschriften ingediend met daarbij een zeer uitgebreide rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige, J.M.H. Veugelaars, van 15 september 2008.</para>
    <para />
    <para>08/4531 WIA + 08/6758 WIA</para>
    <para />
    <para>3. De Raad stelt allereerst vast dat het bestreden besluit 2 niet tegemoetkomt aan de bezwaren van appellante. Met overeenkomstige toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 in samenhang met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient dat besluit dan in het hoger beroep inzake het bestreden besluit 1 te worden betrokken. De Raad overweegt dienaangaande als volgt.</para>
    <para />
    <para>3.1. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de voorhanden zijnde medische gegevens voldoende steun bieden voor het oordeel dat het Uwv de belastbaarheid van appellante juist heeft vastgesteld. Appellante is op 4 oktober 2006 onderzocht door de primaire verzekeringsarts. Daarbij is rekening gehouden met de volgende klachten van appellante: slaap-, stemmings- en concentratiestoornissen, angstklachten, problemen met conflicthantering, vermoeidheidsklachten waardoor appellante elke middag moet rusten alsmede pijnklachten in benen, nek en hoofd. De verzekeringsarts heeft bij appellante een beperkte psychische belastbaarheid vastgesteld en achtte haar op grond daarvan aangewezen op niet te stressvolle arbeid waarbij een urenreductie is geïndiceerd vanwege de beperkte energetische belastbaarheid. Blijkens de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 19 april 2007 zijn alle dossiergegevens bestudeerd, heeft die arts de hoorzitting van 27 maart 2007 bijgewoond, op diezelfde dag spreekuur gehouden en is de tijdens de bezwaarprocedure verkregen informatie van de behandelende sector bij het onderzoek betrokken. De bezwaarverzekeringsarts was van oordeel dat met betrekking tot de operatieve ingreep bij appellante in verband met haar spataderen op 2 maart 2007 enige beperkingen ten aanzien van het onderdeel ‘staan’ aangenomen moesten worden. Overigens was hij van oordeel dat de belastbaarheid van appellante niet onjuist was ingeschat. Appellante heeft geen medische gegevens ingebracht die aan dat oordeel doen twijfelen. Gelet hierop ziet de Raad geen aanleiding om het verzoek van appellante in te willigen om een onafhankelijk deskundige te benoemen.</para>
    <para />
    <para>3.2. Met betrekking tot het standpunt van appellante dat haar belastbaarheid in de geduide functies wordt overschreden, verwijst de Raad naar de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige, J.M.H. Veugelaers, van 15 september 2008. Naar het oordeel van de Raad heeft deze bezwaararbeidsdeskundige op inzichtelijke wijze van zijn onderzoek verslag gedaan en overtuigend gemotiveerd aangegeven dat de voorbeeldfuncties voor appellante passend geacht moeten worden. In hetgeen appellante naar voren heeft gebracht heeft de Raad geen aanleiding gevonden om deze conclusie niet te volgen.</para>
    <para />
    <para>3.3. Voorts heeft appellante naar voren gebracht dat de functie van samensteller kunststofindustrie (sbc-code 271130) een verborgen beperking bevat. Volgens appellante is het onjuist om - zoals de bezwaararbeidsdeskundige heeft gedaan - de aard van het werktempo uitsluitend af te leiden uit de belasting bij het aspect ‘frequent reiken’. Hierdoor wordt volgens haar een vergaande en ongeoorloofde nuancering in de passendheid van de functie aangebracht. Appellante wijst erop dat de Arbeidskundig Analist bij het onderdeel ‘handelingstempo’ heeft aangegeven dat de werkzaamheden in tijd op elkaar zijn afgestemd en er sprake is van assembleren. Volgens appellante gaat het dus niet alleen om frequent reiken, maar moet daarbij ook tillen, dragen, torderen, enzovoort worden betrokken waardoor het werktempo in werkelijkheid veel hoger ligt en appellantes belastbaarheid daardoor wordt overschreden.</para>
    <para />
    <para>3.4. De Raad volgt appellante in dat standpunt niet. Volgens de bezwaararbeids-deskundige betreft de hier bedoelde functie bij uitstek routinematig gestructureerd en eenvoudig productiewerk dat met de nodige precisie moet worden verricht. Er is geen sprake van productiepieken of deadlines waardoor sprake is van gelijkmatig verlopende routinewerkzaamheden die echter wel in een bepaald werktempo voltooid moeten worden. Blijkens de inhoudelijke functiebeschrijving wordt dat tempo bepaald door een roulatieschema tussen de drie verschillende afdelingen waarop de samensteller kunststofindustrie dagelijks zijn werkzaamheden verricht. De omstandigheid dat daarmee in deze functie wel sprake is van een dwingend tempo dat door de werknemer niet valt te beïnvloeden, betekent nog niet - anders dan appellante kennelijk meent - dat daardoor sprake is van een hoog handelingstempo.</para>
    <para />
    <para>4. Uit het voorgaande volgt dat de grieven van appellante geen doel treffen.</para>
    <para />
    <para>08/4530 ZW</para>
    <para />
    <para>5.1. Op grond van artikel 19, eerste lid, van de Ziektewet (ZW) heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtsreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek, recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad wordt wanneer de verzekerde blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, onder ‘zijn arbeid’ verstaan gangbare arbeid zoals nader geconcretiseerd bij de beoordeling van de aanspraak van de verzekerde op een uitkering ingevolge de Wet WIA in de vorm van een aantal geselecteerde functies. Daarbij is het voldoende wanneer de hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste één van de geselecteerde functies. </para>
    <para />
    <para>5.2. Gelet op hetgeen hierboven onder 3.2 en 3.3 is overwogen, is de Raad van oordeel dat appellante met haar medische beperkingen geacht moet worden ten minste één van de haar voorgehouden voorbeeldfuncties te kunnen verrichten. Het Uwv heeft derhalve op goede gronden geweigerd om appellante met ingang van 22 mei 2007 nog langer ziekengeld toe te kennen.</para>
    <para />
    <para>6. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.</para>
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak 1 voor zover aangevochten;Verklaart het beroep tegen het besluit van 25 augustus 2008 ongegrond;Bevestigt de aangevallen uitspraak 2.</para>
    <para />
    <para>Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 december 2009.</para>
    <para />
    <para>(get.) Ch. van Voorst.</para>
    <para />
    <para>(get.) A.C.A. Wit.</para>
    <para />
    <para>EK</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>