<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1616</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-08-13T07:24:16</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AZ1616</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2006-11-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">04-5809 WAO</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1616">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1616</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-08-13T07:24:00</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2006-11-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1616 Centrale Raad van Beroep , 03-11-2006 / 04-5809 WAO</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1616:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>WAO-schatting.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1616:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>04/5809 WAO (Rectificatie)</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Centrale Raad van Beroep</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Enkelvoudige kamer</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">U I T S P R A A K</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op het hoger beroep van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">
          [Appellant]
        </emphasis> wonende te [woonplaats](hierna: appellant),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 3 september 2004, 03/3817 (hierna: aangevallen uitspraak),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in het geding tussen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>appellant</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen</emphasis> (hierna: Uwv).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 3 november 2006</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>I</nr>PROCESVERLOOP</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellant heeft mr. A.L. Kuit, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Desgevraagd heeft het Uwv nader gemotiveerd om welke reden de aan appellant voorgehouden functies, gelet op een bepaald niet-matchend onderdeel, geschikt zijn voor appellant. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 september 2006. Appellant is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door G.J. Samson. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>II</nr>OVERWEGINGEN</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het inleidend beroep van appellant richt zich tegen het besluit van het Uwv van <?linebreak?>17 november 2003 (hierna: bestreden besluit), waarbij het Uwv heeft gehandhaafd zijn besluit van 7 april 2003. Met het besluit van 7 april 2003 heeft het Uwv appellants uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 5 juni 2003 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank is op grond van de in de aangevallen uitspraak weergegeven overwegingen tot de conclusie gekomen dat de medische grondslag van het bestreden besluit berust op voldoende zorgvuldig onderzoek. Voorts overwoog de rechtbank het Uwv te volgen in zijn standpunt dat de geduide functies voor de bekwaamheden van appellant zijn berekend en dat appellant in staat is de aangepaste arbeid te verrichten, zodat het bestreden besluit in stand moet worden gelaten.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In hoger beroep heeft appellant herhaald dat het medisch onderzoek door het Uwv te weinig omvattend is geweest, dat ten onrechte geen nader onafhankelijk onderzoek is gedaan naar zijn hartklachten, dat zijn rugklachten volledig zijn onderschat en dat hij niet in staat is de werkzaamheden in de hem voorgehouden functies te verrichten. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit is de Raad, evenals de rechtbank, van oordeel dat in het onderhavige geval sprake is van een voldoende zorgvuldig onderzoek. De Raad kan de overwegingen van de rechtbank op dit punt volledig onderschrijven. De Raad voegt hier nog aan toe dat appellant bij de verzekeringsarts geen melding heeft gemaakt van hartklachten. Eerst in bezwaar heeft appellant gemeld dat hij sinds enige tijd ook hartklachten heeft, hetgeen voor de bezwaarverzekeringsarts aanleiding is geweest informatie in te winnen bij de behandelend cardioloog F.M.A. Harms. De bezwaarverzekeringsarts heeft geconcludeerd dat geen aanleiding bestaat extra beperkingen aan te nemen nu volgens Harms geen sprake is van coronaire insufficiëntie en Harms appellant heeft terugverwezen naar de huisarts. De Raad is van oordeel dat het Uwv terecht in de van de behandelend cardioloog ontvangen informatie geen aanleiding heeft gezien voor een nader  onafhankelijk onderzoek naar de hartklachten van appellant. De Raad kan appellant evenmin volgen in zijn standpunt dat zijn rugklachten volledig zijn onderschat. De Raad wijst er daarbij op dat de verzekeringsarts bij het lichamelijk onderzoek van appellant expliciet diens rug heeft onderzocht en hoewel zij daarbij concludeerde dat er geen afwijkingen bestaan zij desalniettemin in de Functionele Mogelijkhedenlijst diverse beperkingen heeft aangenomen in verband met a-specifieke rugklachten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten aanzien van de arbeidskundige onderbouwing van het bestreden besluit stelt de Raad vast dat het Uwv noch primair, noch in bezwaar, noch in eerste aanleg een adequate toelichting heeft gegeven op de niet met de belastbaarheid van appellant matchende punten in de functiebelastingen van de aan dit besluit ten grondslag liggende functies. Gelet daarop en op zijn uitspraken van 9 november 2004, LJN AR 4716 t/m 4719, ziet de Raad aanleiding zowel het bestreden besluit als de aangevallen uitspraak vernietigen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorts is de Raad van oordeel dat het Uwv met de in hoger beroep overgelegde rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige A.W. van Mastrigt d.d. 3 juli 2006 – bezien in combinatie met de rapportage van 24 februari 2003 – adequaat heeft toegelicht dat de voor de schatting per 5 juni 2003 gebruikte functies door appellant kunnen worden verricht. Gelet hierop ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand te laten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal  € 644,-. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>III</nr>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Recht doende:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak;</para>
      <para>Verklaart het inleidend beroep tegen het bestreden besluit alsnog gegrond;</para>
      <para>Vernietigt dat besluit;</para>
      <para>Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;</para>
      <para>Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en hoger beroep tot een bedrag groot </para>
      <para>€ 644,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen: waarvan wat de eerste aanleg betreft € 322,- aan appellant en wat het hoger beroep betreft € 322,- aan de griffier van de Raad;</para>
      <para>Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van in totaal € 140,- vergoedt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.E. Nijdam als griffier, uitgesproken in het openbaar op <?linebreak?>3 november 2006.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>(get.) G.J.H. Doornewaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>(get.) N.E. Nijdam.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Gw</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>