<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2001:ZB9237</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-04T20:11:41</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB9237</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AL3591</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-04-04</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">99/3428 AKW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002368&amp;artikel=7&amp;g=2001-04-04">Algemene Kinderbijslagwet 7</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 2001/130</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2001:ZB9237">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2001:ZB9237</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:58:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-10-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2001:ZB9237 Centrale Raad van Beroep , 04-04-2001 / 99/3428 AKW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2001:ZB9237:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2001:ZB9237:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>99/3428 Anw</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>UITSPRAAK</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para />
    <para>[A.], wonende te [B.], appellante</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 17 november 1997 heeft gedaagde het bezwaar ongegrond verklaard tegen</para>
      <para>zijn besluit van 25 maart 1997, houdende de weigering van toekenning van kinderbijslag</para>
      <para>aan appellante ten behoeve van twee in de Dominicaanse Republiek wonende kinderen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Arrondissementsrechtbank te Rotterdam heeft bij uitspraak van 23 juni 1999 het beroep</para>
      <para>tegen het besluit van 17 november 1997 ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Van deze uitspraak is mr. M.J. Blom, advocaat te Spijkenisse, op de bij beroepschrift van</para>
      <para>30 juni 1999 aangevoerde gronden namens appellante in hoger beroep gekomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Gedaagde heeft bij memorie van 23 december 1999 verweer gevoerd.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad van</para>
      <para>21 februari 2001, waar geen van partijen is verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geschil betreft een aanvraag om kinderbijslag ingaande het derde kwartaal van 1994,</para>
      <para>gedaan door de echtgenoot van appellante, ten behoeve van twee kinderen (geboren [in]</para>
      <para>1984 en [in] 1988) uit een niet-huwelijkse relatie van hem met de in de Dominicaanse</para>
      <para>Republiek wonende moeders.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze aanvraag is afgewezen, voorzoveel thans van belang, op de grond dat de kinderen niet</para>
      <para>als eigen kinderen van de echtgenoot van appellante kunnen worden aangemerkt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft dit standpunt van gedaagde onderschreven, en het beroep ongegrond</para>
      <para>verklaard onder de volgende overwegingen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"Ingevolge artikel 7 van de AKW, zoals dat artikel ten tijde hier van belang luidde,</para>
      <para>heeft een verzekerde overeenkomstig de bepalingen van deze wet recht op</para>
      <para>kinderbijslag voor een eigen kind, een aangehuwd kind en een pleegkind.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het onderhavige geval stelt eiseres dat de kinderen van haar echtgenoot als eigen</para>
      <para>kinderen in de zin van de AKW moeten worden aangemerkt.</para>
      <para>Onder eigen kinderen in de zin van de AKW worden verstaan de wettige en</para>
      <para>natuurlijke kinderen van een vrouwelijke verzekerde en de wettige en door hem</para>
      <para>erkende kinderen van een mannelijke verzekerde. Voor de vraag of een kind eigen is</para>
      <para>in de zin van de AKW acht de rechtbank beslissend of de erkenning naar vreemd</para>
      <para>recht wat betreft de daarvoor geldende vereisten en de daaraan verbonden</para>
      <para>rechtsgevolgen gelijk te stellen is met die naar Nederlands recht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank merkt in dit verband op dat het ingevolge artikel 1: 224, eerste lid,</para>
      <para>aanhef en onder d, van het (Nederlands) BW, zoals dit artikel luidde ten tijde hier van</para>
      <para>belang, een erkenning nietig is, indien zij is gedaan bij het leven van de moeder</para>
      <para>zonder haar voorafgaande schriftelijke toestemming.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het onderhavige geval staat vast dat geen voorafgaande schriftelijke toestemming is</para>
      <para>gegeven door de moeders van [C.] en [D.]. Naar eiseres stelt is dit volgens het recht</para>
      <para>van de Dominicaanse Republiek niet vereist.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank overweegt dat de geldende vereisten voor erkenning naar het recht van</para>
      <para>de Dominicaanse republiek in dit geval niet gelijk te stellen zijn met de vereisten</para>
      <para>ingevolge het Nederlandse recht. Dientengevolge kan dan ook ten aanzien van [C.] en</para>
      <para>[D.] niet worden gesproken van eigen kinderen in de zin van de AKW, zodat nu ook</para>
      <para>geen sprake is van een aangehuwd kind of een pleegkind, voor [C.] en [D.] geen</para>
      <para>aanspraak op kinderbijslag bestaat.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met betrekking tot het beroep van eiseres op bescherming van familieleven op grond</para>
      <para>van artikel 8, eerste lid, van het EVRM stelt de rechtbank voorop dat twijfel mogelijk</para>
      <para>is of eiseres (en haar echtgenoot) dit beroep toekomt. Van een op permanente basis</para>
      <para>samenwonen en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding van eiseres en</para>
      <para>haar echtgenoot met de kinderen [C.] en [D.] is immers geen sprake. Volgens</para>
      <para>Nederlandse rechtspraak met name op het terrein van het Vreemdelingenrecht kan</para>
      <para>niettemin onder bepaalde omstandigheden familieleven worden aangenomen, ook als</para>
      <para>het gezinsverband is verbroken. Indien, gelet op het vorenoverwogene, in dit geval al</para>
      <para>kan worden aangenomen dat aanspraak op de bescherming van familieleven volgens</para>
      <para>artikel 8, eerste lid, van het EVRM bestaat, moet worden aangenomen dat, alle</para>
      <para>belangen in aanmerking genomen, en in het bijzonder het belang van artikel 1: 224,</para>
      <para>eerste lid, aanhef en onder d, van het BW, beoogt te beschermen, het bepaalde in dit</para>
      <para>artikelonderdeel een in artikel 8, tweede lid, van het EVRM voorziene,</para>
      <para>gerechtvaardigde inbreuk zou vormen op de aanspraak op familieleven."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellante herhaald hetgeen hij in eerste aanleg</para>
      <para>heeft aangevoerd, en daaraan toegevoegd:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"     De rechtbank overweegt dat de geldende vereisten voor erkenning naar het recht van</para>
      <para>de Dominicaanse Republiek in dit geval niet gelijk te stellen zijn met de vereisten</para>
      <para>ingevolge het Nederlandse recht. Daarbij wordt echter miskend dat voorafgaande</para>
      <para>schriftelijke toestemming door de moeders van [C.] en [D.] volgens het recht van de</para>
      <para>Dominicaanse Republiek niet zijn vereist.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de bestreden beschikking wordt tevens overwogen dat eiseres weliswaar recht op</para>
      <para>bescherming van familieleven op grond van artikel 8 lid 1 EVRM, maar dat moet</para>
      <para>worden aangenomen dat alle belangen in aanmerking worden genomen in bijzonder</para>
      <para>dat van artikel 1: 224 lid 1 aanleg en onder b BW gerechtvaardigd inbreuk kan</para>
      <para>worden gemaakt op aanspraak op familieleven. Daarbij verliest de rechtbank uit het</para>
      <para>oog dat vereisten voor het recht op erkenning van familie- en gezinsleven niet zo</para>
      <para>strict dienen te worden geïnterpreteerd dat daarmee bescherming van het gezinsleven</para>
      <para>in het geheel niet meer aan de orde is."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het eerste deel van dit betoog treft geen doel, aangezien daarmee wordt miskend dat het er</para>
      <para>nu juist om gaat dat het Dominicaanse recht op dit punt afwijkt van het Nederlandse. De</para>
      <para>rechtbank heeft terecht beslissend geacht dat deze, naar Dominicaans recht kennelijk</para>
      <para>geldige, erkenning op het punt van de daarvoor geldende voorwaarden niet overeenstemt</para>
      <para>met de overeenkomstige Nederlandse rechtsfiguur.</para>
      <para>Wat het tweede deel van het betoog betreft, overweegt de Raad dat naar zijn oordeel het</para>
      <para>beroep op artikel 8 EVRM op juiste gronden door de rechtbank is verworpen en dat hij in</para>
      <para>de stelling van de gemachtigde geen valide weerlegging daarvan vermag te lezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het beroep is terecht ongegrond verklaard, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging</para>
      <para>in aanmerking komt.</para>
      <para>Er zijn geen termen voor een veroordeling in de proceskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en mr. T.L. de Vries en</para>
      <para>prof. mr. W.M. Levelt-Overmars als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F. van Moorst</para>
      <para>als griffier en uitgesproken in het openbaar op 4 april 2001.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) N.J. Haverkamp.</para>
    <para />
    <para>(get.) M. van Moorst.</para>
    <para />
    <para>RL</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>