<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2001:ZB9221</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T11:11:09</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB9221</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AJ9768</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AL1234</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-03-13</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">99/6315 NABW, 99/6316 NABW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007333&amp;artikel=65&amp;g=2001-03-13">Algemene bijstandswet 65</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007333&amp;artikel=81&amp;g=2001-03-13">Algemene bijstandswet 81</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007333&amp;artikel=30&amp;g=2001-03-13">Algemene bijstandswet 30</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007333&amp;artikel=57&amp;g=2001-03-13">Algemene bijstandswet 57</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 2001, 105</rdf:li>
          <rdf:li>JABW 2001, 78</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 2001/139 met annotatie van Redactie</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2001:ZB9221">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2001:ZB9221</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:58:32</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-06-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2001:ZB9221 Centrale Raad van Beroep , 13-03-2001 / 99/6315 NABW, 99/6316 NABW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2001:ZB9221:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2001:ZB9221:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>99/6315 NABW</para>
      <para>99/6316 NABW</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in de gedingen tussen:</para>
    <para />
    <para>[A.] en [B.], wonende te [C.], appellanten,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellanten heeft mr R.H.A. Julicher, advocaat te Venray, op bij een aanvullend</para>
      <para>beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de</para>
      <para>Arrondissementsrechtbank te Roermond op 15 november 1999 tussen partijen gewezen</para>
      <para>uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De gedingen zijn behandeld ter zitting van 30 januari 2001, waar voor appellanten is</para>
      <para>verschenen mr B.T. Lamers, advocaat te Venray, terwijl voor gedaagde is verschenen</para>
      <para>mr M.H.L. Bovee, werkzaam bij de gemeente Venlo.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan de aangevallen uitspraak - waarin appellanten als eisers zijn aangeduid, en gedaagde</para>
      <para>als verweerder - ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden:</para>
      <para>"Aan eisers is vanaf 1 oktober 1984 bijstand toegekend en uitbetaald, op grond van de</para>
      <para>destijds geldende Algemene Bijstandswet (ABW) en de daarop gebaseerde</para>
      <para>Rijksgroepsregeling Werkloze Werknemers (RWW). Die uitkering is met ingang van</para>
      <para>18 oktober 1993 beëindigd in verband met verhuizing (buiten verweerders gemeente)</para>
      <para>en met ingang van 18 maart 1994 weer toegekend. Ingaande 1 november 1996 is de</para>
      <para>RWW-uitkering beëindigd in verband met werkaanvaarding door eiser.</para>
      <para>Op 17 april 1997 rapporteert sociaal rechercheur R.W.M.M. Hendrickx omtrent een</para>
      <para>onderzoek naar aanleiding van een meldingsformulier sociale zekerheidsfraude van de</para>
      <para>officier van justitie te Roermond. Als zijn voorlopig resultaat van onderzoek meldt</para>
      <para>genoemde sociaal rechercheur dat bij huiszoeking in de woning van eiseres - en haar</para>
      <para>echtgenoot - vijf eigendomsaktes van paarden, een registratiebewijs, aankoopnota's, en</para>
      <para>een garantiekaart van een caravan in beslag zijn genomen. Voorts vermeldt hij dat</para>
      <para>betrokkenen een weiland hadden gepacht en daaromheen een hekwerk hadden laten</para>
      <para>plaatsen; dat bij controle bij de Rijksdienst voor het wegverkeer te Veendam is</para>
      <para>gebleken dat betrokkenen vanaf 1992 ongeveer 82 auto's hadden verhandeld; en dat</para>
      <para>tegen eiseres en haar echtgenoot een proces-verbaal is opgemaakt ter zake van handel</para>
      <para>in verdovende middelen gedurende de jaren 1994 tot en met 1996. Op 25 juni 1997</para>
      <para>wordt het definitieve rechercherapport opgesteld, waarbij de bevindingen uit het</para>
      <para>voorlopige rapport zijn bevestigd. Op basis van dat rapport is van eiseres bij besluit</para>
      <para>van 26 juni 1997 over de periode van 1 januari 1992 tot en met 31 oktober 1996 een</para>
      <para>bedrag van f 76.863,72 aan ten onrechte verstrekte uitkering teruggevorderd, welk</para>
      <para>bedrag door de kantonrechter op 4 maart 1998 is vastgesteld. Op 28 april 1998</para>
      <para>rapporteert de sociaal rechercheur aanvullend omtrent het sedert 1 januari 1992</para>
      <para>aanwezige vermogen. Daarbij wordt gesteld dat eisers reeds vanaf 1 april 1992 geen</para>
      <para>recht meer hadden op bijstand in verband met overschrijding van de vermogensgrens,</para>
      <para>handel en het niet verstrekken van de vereiste duidelijkheid daaromtrent.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op basis van dat rapport heeft verweerder bij besluit van 17 augustus 1998 aan eisers</para>
      <para>meegedeeld dat met toepassing van het bepaalde in artikel 69, derde lid, van de sedert</para>
      <para>1 januari 1996 geldende Algemene bijstandswet (Abw) het recht op uitkering van</para>
      <para>eisers met terugwerkende kracht wordt herzien in die zin dat vanaf 1 april 1992 het</para>
      <para>recht op bijstand wordt ingetrokken. Daarbij stelt verweerder zich op het standpunt dat</para>
      <para>eisers de inlichtingenplicht hebben geschonden nu zij van de grootschalige handel in</para>
      <para>auto's en het daarmee vergaarde vemogen geen melding hebben gemaakt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorts gaat verweerder over tot terugvordering van ten onrechte verstrekte</para>
      <para>bijstandsuitkering over de periode van 18 maart 1994 tot 1 november 1996 voor</para>
      <para>zover de verstrekte uitkering nog niet is teruggevorderd bij besluit van 26 juni 1997.</para>
      <para>Het totaal (aanvullend op het besluit van 26 juni 1997) terug te vorderen bedrag</para>
      <para>becijfert verweerder op f 30.521,80.".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Die feiten en omstandigheden worden door partijen niet betwist, en vormen ook voor de</para>
      <para>Raad het uitgangspunt bij zijn oordeelsvorming behoudens wat betreft de ingangsdatum 18</para>
      <para>maart 1994, welke 25 maart 1994 is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 15 december 1998 heeft gedaagde de door appellanten tegen het primaire</para>
      <para>besluit van 17 augustus 1998 ingediende bezwaren ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het namens appellanten tegen het besluit van 15 december 1998</para>
      <para>ingestelde beroep, voorzover daarbij toepassing is gegeven aan de artikelen 69, derde lid, en</para>
      <para>81, eerste lid, van de Abw en voorzover het recht op uitkering is herzien over een</para>
      <para>doorlopende periode vanaf 1 april 1992 gegrond verklaard, onder meer omdat zij van</para>
      <para>oordeel was dat het bestreden besluit op dit onderdeel berust op een onjuiste wettelijke</para>
      <para>grondslag, en dit besluit in zoverre vernietigd. De rechtbank heeft voorts op grond van een</para>
      <para>inhoudelijke beoordeling van het vernietigde gedeelte van het besluit aanleiding gevonden</para>
      <para>de rechtsgevolgen daarvan in stand te laten. Voor het overige heeft de rechtbank het beroep</para>
      <para>ongegrond verklaard. Ten slotte is een beslissing gegeven inzake de vergoeding van het</para>
      <para>griffierecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In hoger beroep hebben appellanten de beslissing van de rechtbank, de rechtsgevolgen van</para>
      <para>het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit in stand gelaten en het beroep voor het</para>
      <para>overige ongegrond te verklaren, gemotiveerd bestreden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad overweegt dienaangaande het volgende.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>A. Het in stand laten van de rechtsgevolgen van het intrekkingsbesluit voorzover vernietigd</para>
      <para>en de ongegrondverklaring van het inleidend beroep tegen dat besluit voor het overige.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad deelt niet het uitgangspunt van de rechtbank dat het herzieningsbesluit in casu</para>
      <para>nodig was als grondslag voor het terugvorderingsbesluit. Onder meer in zijn uitspraak van 9</para>
      <para>januari 2001, nummers 98/7909 NABW en 98/8204 NABW, heeft de Raad reeds kenbaar</para>
      <para>gemaakt dat aan een besluit als het onderhavige, waarbij tot terugvordering wordt</para>
      <para>overgegaan van bijstand verstrekt over een periode welke ligt voor de datum van</para>
      <para>inwerkingtreding van de Wet boeten, maatregelen, terug- en invordering sociale zekerheid</para>
      <para>voor de bijstandswetgeving geen intrekkings- of herzieningsbesluit vooraf behoeft te gaan;</para>
      <para>een besluit om over te gaan tot terugvordering is in het tot 1 juli 1997 vigerende stelsel</para>
      <para>voldoende. In de gevallen dat het bijstandsverlenend orgaan toch aanleiding heeft gezien om</para>
      <para>met terugwerkende kracht tot herziening of intrekking over te gaan van een besluit tot</para>
      <para>toekenning van verleende bijstand over een voor 1 juli 1997 gelegen periode en zo'n besluit</para>
      <para>na bezwaar heeft gehandhaafd, neemt de Raad tot uitgangspunt dat een dergelijk besluit in</para>
      <para>rechte moet worden beoordeeld aan de hand van de bepalingen welke achteraf bezien</para>
      <para>hadden moeten worden toegepast.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het oordeel van de rechtbank dat appellanten een grove schending van de inlichtingenplicht</para>
      <para>valt te verwijten is, gezien naar het bepaalde in artikel 30, tweede lid, van de ABW en</para>
      <para>artikel 65, eerste lid, (tekst voor 1 juli 1997) van de Abw, op zich genomen juist. De Raad</para>
      <para>is voorts met de rechtbank van oordeel dat gedaagde gerechtigd was om met terugwerkende</para>
      <para>kracht het recht op bijstand van appellanten te wijzigen. Hierbij tekent de Raad aan dat</para>
      <para>gedaagde niet eerder in de tijd een daarop gericht besluit het licht heeft doen zien en dat</para>
      <para>van een gerechtvaardigd vertrouwen dat het recht op uitkering van appellanten verder</para>
      <para>onaangetast zou blijven geen sprake is. Dat recht op uitkering is immers bij de</para>
      <para>kantonrechter geen voorwerp van procedure geweest.</para>
      <para>Een en ander is echter nog onvoldoende redengevend om op basis daarvan al te beslissen</para>
      <para>zoals de rechtbank heeft gedaan. Gegeven de schending van de inlichtingenplicht is</para>
      <para>intrekking van het recht op uitkering van appellanten met terugwerkende kracht in dit geval</para>
      <para>mogelijk voorzover gezegd kan worden dat door die schending niet was vast te stellen of en</para>
      <para>in hoeverre zij recht op bijstand jegens gedaagde hadden. Hiervan is naar het oordeel van</para>
      <para>de Raad, gezien de gedingstukken en de destijds geldende bepalingen, sprake, behoudens</para>
      <para>voorzover het intrekkingsbesluit betrekking heeft op de periode van 18 oktober 1993 tot 18</para>
      <para>maart 1994, aangezien appellanten alstoen niet in de gemeente Venlo woonachtig waren, en</para>
      <para>op de dagen van 18 maart 1994 tot 25 maart 1994, over welke appellanten geen bijstand</para>
      <para>(ten laste van de gemeente Venlo) hebben ontvangen. In zoverre is de beslissing van de</para>
      <para>rechtbank onjuist.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>B. Het in stand laten van de rechtsgevolgen van het terugvorderingsbesluit voorzover</para>
      <para>vernietigd en de ongegrondverklaring van het inleidend beroep tegen dat besluit voor het overige.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het oordeel van de rechtbank omtrent de bepalingen waaraan de onderhavige</para>
      <para>terugvordering behoort te worden getoetst, behoeft in zoverre verduidelijking dat artikel 57</para>
      <para>van de ABW het materiële toetsingskader vormt voor de periode tot 1 januari 1996, omdat -</para>
      <para>naar in het onder A overwogene besloten ligt - appellanten achteraf bezien geen personen</para>
      <para>waren als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Invoeringswet herinrichting Algemene</para>
      <para>Bijstandswet, en artikel 81, eerste lid, (tekst tot 1 juli 1997) van de Abw voor de resterende</para>
      <para>periode. Op zich is aan de voorwaarden voor  toepassing van deze bepalingen voldaan, zij</para>
      <para>het dat het oordeel van de rechtbank omtrent het aanvangstijdstip van de periode</para>
      <para>waarbinnen terugvordering eventueel nog mogelijk zou zijn, onjuist is,  reeds omdat</para>
      <para>appellanten na hun terugkeer in de gemeente Venlo eerst met ingang van 25 maart 1994 ten</para>
      <para>laste van deze gemeente weer bijstand zijn gaan ontvangen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het debat tussen partijen stelt de Raad voor de vraag of het terugvorderingsbesluit strijdt</para>
      <para>met het algemeen rechtsbeginsel der rechtszekerheid. In dit verband overweegt de Raad het</para>
      <para>volgende.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De gemeente Venlo heeft blijkens de stukken bij verzoekschrift een procedure aanhangig</para>
      <para>gemaakt bij de kantonrechter, strekkende tot terugvordering van appellanten van een bedrag</para>
      <para>van f 76.863,72 wegens ten onrechte gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1</para>
      <para>januari 1992 tot en met 31 oktober 1996. Aan deze terugvordering ligt een besluit van</para>
      <para>gedaagde ten grondslag van 13 juni 1997, gecorrigeerd bij besluit van 26 juni 1997. De</para>
      <para>kantonrechter te Venlo heeft bij beschikking van 4 maart 1998 vastgesteld dat de gemeente</para>
      <para>haar vordering op appellanten bij haar beschikking van 26 juni 1997 voldoende inzichtelijk</para>
      <para>heeft gemaakt, de vordering geheel toegewezen en bepaald dat appellanten beiden</para>
      <para>hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de terugbetaling van bedoeld bedrag wegens ten onrechte</para>
      <para>verstrekte bijstand.</para>
      <para>Het terugvorderingsbesluit behelst aanvullende terugvordering van kosten van bijstand over</para>
      <para>een gedeelte van de periode waarover, als voormeld, de kantonrechter bij zijn kracht van</para>
      <para>gewijsde verkregen beschikking heeft geoordeeld.</para>
      <para>De Raad acht het niet onmogelijk dat een bestuursorgaan na de inwerkingtreding van de</para>
      <para>Wet boeten, maatregelen, terug- en invordering sociale zekerheid voor de</para>
      <para>bijstandswetgeving (1 juli 1997), een besluit kan nemen dat strekt tot intrekking van een</para>
      <para>besluit tot toekenning van bijstand en tot (aanvullende) terugvordering van kosten over een</para>
      <para>tijdvak, waarover ook reeds de kantonrechter bij een in kracht van gewijsde gegane</para>
      <para>terugvorderingsbeschikking heeft geoordeeld. Dit is echter alleen - met het oog op het</para>
      <para>rechtszekerheidsbeginsel - het geval indien in concreto sprake is van nieuwe feiten of</para>
      <para>omstandigheden die relevant zijn voor de herbeoordeling.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Van dergelijke nova is in casu evenwel geen sprake. Dienaangaande stelt de Raad met</para>
      <para>appellanten vast dat het door gedaagde aan zijn onderhavige besluitvorming ten grondslag</para>
      <para>gelegde rapport van de sociale recherche van 28 april 1998 slechts een nadere analyse en</para>
      <para>interpretatie inhoudt van feiten die op grond van het door de sociale recherche op 25 juni</para>
      <para>1997 uitgebrachte rapport reeds bekend waren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het voorgaande brengt de Raad tot de slotsom dat de in de aangevallen uitspraak</para>
      <para>opgenomen gedeeltelijke vernietiging van het bestreden besluit onjuist is en verder had</para>
      <para>moeten reiken dan de rechtbank heeft gedaan. Om die reden zal de Raad de aangevallen</para>
      <para>uitspraak niet in stand laten, behoudens voorzover daarbij over de vergoeding van het</para>
      <para>griffierecht in beroep is beslist.</para>
      <para>Doende hetgeen de rechtbank overigens had behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen</para>
      <para>de door gedaagde gehandhaafde besluiten tot intrekking en terugvordering gegrond</para>
      <para>verklaren, die besluiten vernietigen, omdat het intrekkingsbesluit ten onrechte op het thans</para>
      <para>geldende artikel 69, derde lid, van de Abw is gebaseerd en het terugvorderingsbesluit strijdt</para>
      <para>met het rechtszekerheidsbeginsel. Voorts zal de Raad toepassing geven aan het bepaalde in</para>
      <para>de artikelen 8:72, derde en vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), op de</para>
      <para>wijze als in rubriek III vermeld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht ten slotte termen aanwezig om gedaagde met toepassing van artikel 8:75 van</para>
      <para>de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellanten. Deze worden begroot op</para>
      <para>f  1.420,--- wegens in beroep en op f 1.420,-- wegens in hoger beroep verleende rechtsbijstand.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voorzover daarbij is beslist over de</para>
      <para>vergoeding van het griffierecht in beroep;</para>
      <para>Verklaart het inleidend beroep gegrond;</para>
      <para>Vernietigt het bestreden besluit;</para>
      <para>Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde intrekkingsbesluit in stand worden</para>
      <para>gelaten, behoudens voorzover de intrekking van het recht op bijstand ziet op de periode van</para>
      <para>18 oktober 1993 tot 25 maart 1994;</para>
      <para>Vernietigt het primaire besluit van 17 augustus 1998 in zoverre het handelt over de</para>
      <para>terugvordering van bijstand;</para>
      <para>Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellanten in beroep en in hoger beroep,</para>
      <para>totaal tot een bedrag van f 2.840,-- ;</para>
      <para>Gelast de gemeente Venlo aan appellanten het gestorte recht van f 160,-- in hoger beroep te</para>
      <para>vergoeden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gewezen door mr J.G. Treffers als voorzitter en mr G.A.J. van den Hurk en</para>
      <para>mr drs N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van</para>
      <para>B.M. Biever-van Leeuwen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2001.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) J.G. Treffers.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>(get.) B.M. Biever-van Leeuwen.</para>
      <para>JdB</para>
      <para>1203</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>