<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2001:ZB9213</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T11:22:09</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB9213</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-03-01</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">98/8272 ALGEM</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0004045&amp;artikel=3&amp;g=2001-03-01">Werkloosheidswet 3</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002524&amp;artikel=3&amp;g=2001-03-01">Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 3</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001888&amp;artikel=3&amp;g=2001-03-01">Ziektewet 3</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 2001/94</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 2001/23.38 met annotatie van Redactie</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2001:ZB9213">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2001:ZB9213</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:58:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-10-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2001:ZB9213 Centrale Raad van Beroep , 01-03-2001 / 98/8272 ALGEM</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2001:ZB9213:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2001:ZB9213:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>98/8272 ALGEM</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>[X.] B.V. gevestigd te [Y.], gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking</para>
      <para>getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet Sociale Verzekeringen 1997 treedt het</para>
      <para>Landelijk instituut sociale verzekeringen (hierna: Lisv) in de plaats van de betrokken</para>
      <para>bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de</para>
      <para>Bedrijfsvereniging voor Bank- en Verzekeringswezen, Groothandel en Vrije Beroepen. In</para>
      <para>deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 6 december 1996 heeft appellant de bezwaren van gedaagde gericht tegen de</para>
      <para>primaire besluiten van 2 november 1994 ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Arrondissementsrechtbank te Utrecht heeft het tegen eerstbedoeld besluit ingestelde</para>
      <para>beroep bij uitspraak van 9 oktober 1998 (verzonden op 22 oktober 1998) gegrond verklaard</para>
      <para>en dat besluit vernietigd. Voorts heeft de rechtbank appellant veroordeeld in de proceskosten</para>
      <para>van gedaagde en bepaald dat appellant aan gedaagde het betaalde griffierecht vergoedt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft bij schrijven van 27 november 1998 hoger beroep ingesteld. Bij aanvullend</para>
      <para>beroepschrift van 19 april 1999 heeft appellant de gronden van het hoger beroep aangevoerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens gedaagde heeft mr J.L.W. Kreeft, (thans) werkzaam bij Croft Belastingadviseurs te</para>
      <para>Leusden, bij schrijven van 14 juni 1999 een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 7 september 2000, waar</para>
      <para>appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr P. Brouwer, werkzaam bij Gak</para>
      <para>Nederland B.V.. Namens gedaagde is verschenen mr J.L.W. Kreeft,  [A.], directeur van</para>
      <para>gedaagde, en [B.], directeur van gedaagde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tijdens de behandeling ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig</para>
      <para>is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij schrijven van 2 oktober 2000 (met bijlagen) heeft appellant zijn standpunt nader</para>
      <para>toegelicht. Bij schrijven van 13 oktober 2000 heeft gedaagde een nadere toelichting gegeven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vervolgens is het geding behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 18 januari 2001,</para>
      <para>waar appellant  - met voorafgaand bericht - niet is verschenen. Namens gedaagde is</para>
      <para>verschenen mr J.L.W. Kreeft, [A.], en [B.].</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad ontleent aan de gedingstukken en het verhandelde ter zitting de volgende feiten en</para>
      <para>omstandigheden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde (tot 22 september 1995 geheten: [Z.] B.V.) is op 1994 bij opgericht. De aandelen</para>
      <para>zijn bij akte van oprichting is handen gesteld van [A.] Beheer B.V., [C.] Beheer B.V., [D.]</para>
      <para>Beheer B.V., [B.] Beheer B.V. en [Z.] Werknemers B.V.. Middels de beheermaatschappijen</para>
      <para>beschikten [A.], [C.], [D.] en [B.] aanvankelijk, respectievelijk 35,35%, 13%, 13% en 13%</para>
      <para>en [Z.] Werknemers B.V. over 25,7% van de aandelen. Ingevolge artikel 24 lid 1 van de</para>
      <para>statuten van gedaagde geeft ieder aandeel recht op het uitbrengen van één stem. [A.], [C.],</para>
      <para>[D.] en [B.] zijn bij haar oprichting als directeuren van gedaagde benoemd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op gelijke datum is de Stichting Administratiekantoor [Z.] (hierna: de Stichting) opgericht</para>
      <para>met als doel - voor zover in dezen van belang - het administreren van de aandelen in het</para>
      <para>kapitaal van [Z.] Werknemers B.V., het uitoefenen van alle aan die aandelen verbonden</para>
      <para>rechten, zoals het uitoefenen het stemrecht, en voorts het verrichten van al hetgeen met het</para>
      <para>voorgaande verband houdt. Op grond van artikel 19 van de statuten zijn [A.], [D.], [B.] en [C.] bestuurder</para>
      <para>van de Stichting. In die hoedanigheid bepalen zij het stemgedrag van [Z.] Werknemers B.V..</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorts heeft bij notariële akte van 30 juni 1994 aan ieder van de vier hiervoor genoemde</para>
      <para>beheermaatschappijen uitgifte van een prioriteitsaandeel plaatsgevonden. De</para>
      <para>prioriteits-aandeelhouders kunnen een directeur voordragen voor ontslag.</para>
      <para>Verder hebben [A.], [D.], [B.] en [C.] de mondelinge stemovereenkomst afgesloten,</para>
      <para>inhoudende dat in het geval dat in de Stichting niet tot een unaniem besluit kan worden</para>
      <para>gekomen, in [Z.] Werknemers B.V. 'blanco' wordt gestemd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>[C.] heeft per 1 maart 1995 zijn aandelen overgedragen aan [X.] B.V.</para>
      <para>Vervolgens zijn deze aandelen overgedragen aan [A.], [D.] en [B.].</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het bestreden besluit vernietigd en hierbij -</para>
      <para>voor zover van belang - overwogen dat het enkele feit dat geen sprake is van een</para>
      <para>evenredige aandelenverhouding onvoldoende is om te concluderen tot een</para>
      <para>verzekeringsplichtige arbeidsverhouding. Dit geldt volgens de rechtbank temeer in dit geval</para>
      <para>nu geen van de directeur/aandeelhouders een zodanig overheersende invloed heeft dat hij de</para>
      <para>overige bestuurders tegen hun wil kan ontslaan, doch integendeel alle betrokkenen door de</para>
      <para>(prioriteits)aandeelhouders kunnen worden ontslagen. De rechtbank wijst er nog op dat dit</para>
      <para>laatste zich eveneens kan voordoen bij ondernemingen waar wel sprake is van een</para>
      <para>evenredige aandelenverhouding, zodra er meer dan twee aandeelhouders zijn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het ingevolge vaste jurisprudentie van de</para>
      <para>Raad bij de beoordeling van de verzekeringsplicht ingevolge de sociale</para>
      <para>werknemersverzekeringswetten van directeuren - in een situatie als de onderhavige - van</para>
      <para>doorslaggevend belang is of een directeur, gelet op de stemverhoudingen in de algemene</para>
      <para>vergadering van aandeelhouders tegen zijn wil kan worden ontslagen. Van belang zijn</para>
      <para>derhalve de aandelenverhoudingen in relatie tot de statutaire bepalingen inzake ontslag van</para>
      <para>de directeuren. Materiële indicaties die duiden op gezamenlijk ondernemerschap in de</para>
      <para>gevallen waarin aandeelhouders niet volledig gelijkwaardig participeren in het aandelen</para>
      <para>kapitaal acht appellant in onderhavige situatie niet aanwezig.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij schrijven van 2 oktober 2000 heeft appellant het tijdens de behandeling ter zitting op 7</para>
      <para>september 2000 reeds ingenomen standpunt dat bij nader inzien [A.], gelet op zijn</para>
      <para>aandelenbezit, niet kan worden geacht in verzekerde dienstbetrekking werkzaam te zijn</para>
      <para>geweest, herhaalt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten aanzien van [D.], [B.] en [C.] handhaaft appellant zijn standpunt dat zij tegen hun wil</para>
      <para>kunnen worden ontslagen. Voorts blijft appellant van oordeel dat in de onderhavige situatie</para>
      <para>geen sprake is van ingevolge de jurisprudentie van de Raad als zeer bijzonder te</para>
      <para>kwalificeren omstandigheden, waarom van gezamenlijk ondernemerschap zou kunnen</para>
      <para>worden gesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad overweegt als volgt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu appellant van zijn standpunt dat ten aanzien van [A.] verzekeringsplicht moet worden</para>
      <para>aangenomen, is teruggekomen komt de aangevallen uitspraak van de rechtbank voor zover</para>
      <para>het de afwezigheid van verzekeringsplicht ten aanzien van [A.] betreft voor bevestiging in aanmerking.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>In geding is (nog) de vraag of appellant terecht verzekeringsplicht voor [D.], [B.], [C.] heeft vastgesteld.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Middels hun beheermaatschappijen (en hun benoeming tot directeur van gedaagde) zijn</para>
      <para>[D.], [B.] en [C.] directeur/aandeelhouder van gedaagde. Het is vaste jurisprudentie van de</para>
      <para>Raad dat, behoudens zeer bijzondere gevallen, bij de beoordeling van de verzekeringsplicht</para>
      <para>van directeur/aandeelhouders de mogelijkheid om al dan niet tegen hun eigen wil te kunnen</para>
      <para>worden ontslagen van doorslaggevende betekenis is. Indien een directeur/aandeelhouder van</para>
      <para>een besloten vennootschap in verband met de statutaire bepalingen en</para>
      <para>eigendomsverhoudingen met betrekking tot de aandelen in de algemene vergadering van</para>
      <para>aandeelhouders geen doorslaggevende invloed heeft op zijn ontslag moet in beginsel</para>
      <para>worden aangenomen dat hij werkzaam is in een gezagsrelatie tot de besloten vennootschap.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het onderhavige geval kunnen [D.], [B.] en [C.] hun - eventuele - ontslag niet</para>
      <para>tegenhouden. In artikel 17 lid 3 van de statuten van gedaagde is bepaald dat de algemene</para>
      <para>vergadering van aandeelhouders te allen tijde bevoegd is om directeuren te schorsen en te</para>
      <para>ontslaan. Volgens dit artikel geldt - voor zover hier van belang - de eis van een</para>
      <para>meerderheid van 2/3 van de uitgebrachte stemmen, indien geen sprake is van een</para>
      <para>voordracht van de vergadering van prioriteitsaandeelhouders. Indien er wel voordracht van</para>
      <para>de vergadering van prioriteitsaandeelhouders plaatsvindt, geldt ook de eis van een versterkte</para>
      <para>meerderheid van 2/3 van de uitgebrachte stemmen, omdat voor deze situatie in de statuten</para>
      <para>van gedaagde geen van artikel 24 lid 2 afwijkende bepalingen zijn opgenomen. [D.], [B.] en</para>
      <para>[C.] kunnen gelet op de aandelenverhouding tegen hun wil worden ontslagen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op de uitspraak van de Raad van 20 augustus 1998 (RSV 1998/286), wijzigt de</para>
      <para>stemovereenkomst de stemverhouding in de algemene vergadering van aandeelhouders niet.</para>
      <para>Een stemovereenkomst laat immers onverlet dat een aandeelhouder zijn stem rechtsgeldig</para>
      <para>kan uitbrengen. Overigens is in dezen geen sprake van een stemovereenkomst tussen de</para>
      <para>aandeelhouders, maar tussen de bestuurders van de Stichting, die stemrechten van [Z.]</para>
      <para>Werknemers B.V. uitoefent. Daarbij komt nog dat ook in het geval dat er wel rekening</para>
      <para>wordt gehouden met de stemovereenkomst [D.], [B.] en [C.] hun ontslag niet kunnen</para>
      <para>tegenhouden. Immers, volgens artikel 24, lid 6 van de statuten van gedaagde zijn blanco</para>
      <para>stemmen ongeldig. De blanco stemmen van [Z.] Werknemers B.V. tellen derhalve in geen</para>
      <para>geval mee, waardoor er maximaal (100 - 25,7 =) 74,3 % van de stemmen rechtsgeldig kan</para>
      <para>worden uitgebracht. Aangezien [D.], [B.] en [C.] ieder over (slechts) 13,3% van de</para>
      <para>aandelen beschikten, was het ook in deze situatie mogelijk hen tegen hun wil te ontslaan.</para>
      <para>Gelet op het voorgaande kan het beroep van appellant op artikel 2:14 van het Burgerlijk</para>
      <para>Wetboek onbesproken blijven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De in het schrijven van 13 oktober 2000 van gedaagde geponeerde stelling dat de directie</para>
      <para>van [Z.] Werknemers B.V. iedere twee jaar wijzigt, brengt geen verandering in de</para>
      <para>zeggenschapsverhoudingen. Het is immers de Stichting respectievelijk de bestuurders van</para>
      <para>de Stichting die de zeggenschapsrechten over de aandelen van [Z.] Werknemers B.V.</para>
      <para>uitoefent respectievelijk uitoefenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Na het uitreden van [C.] per 1 maart 1995 zijn de aandelen eerst overgedragen aan</para>
      <para>gedaagde. Op deze aandelen kon blijkens artikel 24, lid 3 van de statuten van gedaagde</para>
      <para>geen stem worden uitgebracht, omdat ze aan de vennootschap zelf toebehoorden. In die</para>
      <para>situatie kon derhalve maximaal (100 - 13 =) 87% van de stemmen rechtsgeldig worden</para>
      <para>uitgebracht. Nu [D.] en [B.] ieder over (slechts) 13,3% van de aandelen beschikten, bleef</para>
      <para>het ook in deze situatie mogelijk hen tegen hun wil te ontslaan.</para>
      <para>Vervolgens zijn de aandelen van [C.] naar rato over [A.], [D.] en [B.] verdeeld. Dit heeft</para>
      <para>tot de volgende aandelenverhouding geleid: [A.] 42,7%, [B.] 15,8% en [D.] 15,8%. Ook</para>
      <para>vanaf dat moment beschikt alleen [A.] over minimaal 1/3 van het resterende aantal uit te</para>
      <para>brengen stemmen en is de mogelijkheid blijven bestaan om [D.] en [B.] tegen hun wil te</para>
      <para>ontslaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ook na de overdracht van de aandelen dient terzake van de stemovereenkomst tot dezelfde</para>
      <para>conclusie te worden gekomen als hiervoor is uiteengezet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het voorgaande leidt ertoe dat in beginsel dient te worden aangenomen dat [D.], [B.] en</para>
      <para>[C.] in een gezagsverhouding tot gedaagde werkzaam zijn. Van als zeer bijzonder te</para>
      <para>kwalificeren feiten en omstandigheden op grond waarvan het redelijkerwijs niet aannemelijk</para>
      <para>is dat een dergelijke gezagsverhouding kan plaatsvinden, is de Raad niet gebleken.</para>
      <para>Daarvoor is onvoldoende de intentie tot gezamenlijk ondernemerschap als zodanig in een</para>
      <para>geval als het onderhavige. De overige omstandigheden rechtvaardigen zulks evenmin.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vorenstaande overwegingen leiden er toe dat de aangevallen uitspraak, behoudens</para>
      <para>voorzover daarin over de verzekeringsplicht van [A.] is beslist, voor vernietiging in aanmerking komt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene</para>
      <para>wet bestuursrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Beslist is als in rubriek III van deze uitspraak is weergegeven.</para>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover daarin over de verzekeringsplicht van</para>
      <para>[A.] is beslist;</para>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak voor het overige;</para>
      <para>Verklaart het inleidend beroep van gedaagde voor het overige alsnog ongegrond;</para>
      <para>Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde, in eerste aanleg tot een bedrag</para>
      <para>groot f 1.447,50 en in hoger beroep tot een bedrag groot f 2.130,--;</para>
      <para>Bepaalt dat appellant aan gedaagde het gestorte griffierecht van f 400,-- vergoedt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr B.J. van der Net als voorzitter en mr R.C. Schoemaker en</para>
      <para>mr G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, en</para>
      <para>uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2001.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) B.J. van der Net.</para>
    <para />
    <para>(get.) R.E. Lysen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>JdB</para>
      <para>0503</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>