<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2001:ZB9210</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T15:50:53</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB9210</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-02-15</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">98/3921 AW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_ambtenarenrecht">Bestuursrecht; Ambtenarenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001947&amp;g=2001-02-15">Ambtenarenwet</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>AB 2001, 202 met annotatie van H.Ph.J.A.M. Hennekens</rdf:li>
          <rdf:li>TAR 2001/46</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2001:ZB9210">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2001:ZB9210</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:58:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2012-04-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2001:ZB9210 Centrale Raad van Beroep , 15-02-2001 / 98/3921 AW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2001:ZB9210:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Gedeeltelijk ontslag. Tewerkstellingsbeslissing van rechtspositionele aard. Geen Awb-besluit. Vernietiging primair. Immateriële schade. Eer en goede naam.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2001:ZB9210:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>98/3921 AW						Q.</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>[A.], wonende te [B.], appellant,</para>
    <para />
    <para>       en</para>
    <para />
    <para>het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift (met bijlagen) aangevoerde </para>
      <para>gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te</para>
      <para>Haarlem van 16 april 1998, nr. 97/8748 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Van de zijde van gedaagde is een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <para>Desgevraagd heeft gedaagde aan de Raad nadere inlichtingen verstrekt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van 4 januari 2001, waar appellant in persoon is</para>
      <para>verschenen, bijgestaan door mr. R.J. Wiebosch, advocaat te Haarlem en waar gedaagde zich</para>
      <para>heeft laten vertegenwoordigen door A. van der Kooij en S. Beijer, beiden werkzaam bij de</para>
      <para>gemeente Haarlem.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten verwijst de</para>
      <para>Raad naar rubriek 2 van de aangevallen uitspraak. Hier wordt volstaan met het volgende.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant is sinds 1966 in dienst van gedaagde als vakleerkracht lichamelijke opvoeding.</para>
      <para>Laatstelijk was hij werkzaam in een volledig dienstverband en tewerkgesteld op twee</para>
      <para>openbare basisscholen in Haarlem, te weten voor 21 uur op [X.] en voor 17 uur op de [Y.].</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nadat omtrent appellant klachten waren ingediend is daarnaar nader onderzoek verricht en</para>
      <para>heeft gedaagde appellant in afwachting van de resultaten van dat onderzoek geschorst. Naar</para>
      <para>aanleiding van de resultaten van dit onderzoek heeft gedaagde geconcludeerd dat sprake</para>
      <para>was van ernstig verstoorde verhoudingen tussen appellant en de leiding van de [Y.], een</para>
      <para>groot deel van het team en de ouders van de leerlingen van die school.</para>
      <para>Bij besluit van 29 april 1997, aan appellant medegedeeld bij brief van 12 mei 1997, heeft</para>
      <para>gedaagde aan appellant met ingang van 1 augustus 1997 ontslag verleend uit zijn 40%</para>
      <para>deeltijdbetrekking aan de openbare basisschool [Y.] op grond van artikel II-D3, tweede lid</para>
      <para>onder f, van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel (Rpbo). Als grond voor dit besluit</para>
      <para>is gehanteerd ernstig en blijvend verstoorde verhoudingen en aan het ontslag is het</para>
      <para>predikaat eervol onthouden. Tevens is bij dit besluit de schorsing verlengd tot de datum van</para>
      <para>ontslag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het in dit geding bestreden besluit van 15 oktober 1997 heeft gedaagde, na namens</para>
      <para>appellant tegen het ontslagbesluit gemaakt bezwaar, dit besluit  gehandhaafd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het namens appellant tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond</para>
      <para>verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht en de in</para>
      <para>dit geding voorhanden zijnde gegevens overweegt de Raad als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant was laatstelijk op grond van artikel 20a van de Wet op het basisonderwijs  in</para>
      <para>algemene dienst van gedaagde aangesteld (een zogeheten bestuursaanstelling). De strekking</para>
      <para>van het bij het bestreden besluit gehandhaafde ontslagbesluit was appellants tewerkstelling</para>
      <para>bij de [Y.] van 17 uren per week te beëindigen en appellant als uitvloeisel daarvan voor</para>
      <para>40% uit zijn betrekking te ontslaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad kan het van de zijde van appellant ingenomen standpunt dat onder meer</para>
      <para>voornoemd artikel 20a aan ontslag uit een deel van appellants betrekking in de weg zou</para>
      <para>staan, niet volgen. Weliswaar voorzien de toepasselijke bepalingen, waaronder artikel II-D3,</para>
      <para>tweede lid, van het Rpbo, niet uitdrukkelijk in de mogelijkheid het dienstverband</para>
      <para>gedeeltelijk te beëindigen, maar dit belet niet dat deeltijdontslag bijvoorbeeld als uitvloeisel</para>
      <para>van het beëindigen van een deeltijdtewerkstelling geoorloofd kan zijn, mits voor die</para>
      <para>beëindiging en dat ontslag voldoende gronden zijn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant voert vervolgens aan dat het aan hem verleende deeltijdontslag niet mogelijk was</para>
      <para>omdat hij gezien zijn akte van aanstelling en de daarop betrekking hebbende addenda ten</para>
      <para>tijde van dat ontslag niet bij de [Y.] tewerkgesteld was.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad overweegt dienaangaande dat bij akte van aanstelling van 23 januari 1996 is</para>
      <para>bepaald dat appellants totale betrekkingsomvang met ingang van 1 augustus 1995 38.00</para>
      <para>klokuren/minuten omvatte en dat appellants werkzaamheden voor 4.15 klokuren/minuten</para>
      <para>aan de openbare basisschool [Z.] de basis en voor 33.45 klokuren/minuten aan [X.] werden</para>
      <para>uitgevoerd. In deze aanstellingsakte is bij gedaagdes addenda van 18 april 1997 - kort voor</para>
      <para>het ontslagbesluit - de bepaling opgenomen dat de werkzaamheden met ingang van 1</para>
      <para>augustus 1996 voor 17.00 klokuren/minuten aan de [Y.]  en voor 21.00 klokuren/minuten</para>
      <para>aan [X.] werden uitgevoerd. Bij gedaagdes addenda van 29 september 1997 - kort voor het</para>
      <para>bestreden besluit - is in voormelde aanstellingsakte de bepaling opgenomen dat de</para>
      <para>werkzaamheden met ingang van 1 augustus 1996 voor 4.19 klokuren/minuten aan de [Z.] de</para>
      <para>basis en voor 33.41 klokuren/minuten aan [X.] werden uitgevoerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad stelt vast dat appellant ingevolge de addenda van 29 september 1997 bij het</para>
      <para>ingaan van zijn ontslag niet bij de [Y.], maar slechts bij de [Z.] de basis en [X.] was</para>
      <para>tewerkgesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens gedaagde is hiertegen aangevoerd dat appellant bij zijn ontslag feitelijk voor 17 uur</para>
      <para>per week bij de [Y.] was tewerkgesteld. De besluiten van 23 januari 1996 en de addenda</para>
      <para>van 29 september 1997 stemden hiermee niet overeen, omdat ze uitsluitend waren</para>
      <para>afgestemd op de voor de onderscheidene basisscholen beschikbare formatieruimte en niet de</para>
      <para>werkelijkheid weergaven. Gedaagde acht een dergelijk gebruik van</para>
      <para>tewerkstellingsbeslissingen geen probleem, omdat deze besluiten en addenda naar zijn</para>
      <para>oordeel geen rechtspositionele maar slechts administratieve bekenis hadden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad kan gedaagde hierin niet volgen. De aanstelling in algemene dienst bracht</para>
      <para>ingevolge de destijds toepasselijke bepalingen mee dat het bevoegd gezag moest beslissen</para>
      <para>bij welke school en in welke omvang de leraar tewerkgesteld werd. Die</para>
      <para>tewerkstellingsbeslissing is mede bepalend voor de rechtspositie van betrokkene en derhalve</para>
      <para>van rechtspositionele aard. In het onderhavige geval is dat op juiste wijze tot uitdrukking</para>
      <para>gebracht door de tewerkstellingsbeslissingen van 23 januari 1996 in de akte van aanstelling</para>
      <para>van die datum op te nemen en de latere tewerkstellingsbeslissingen door middel van nadere</para>
      <para>besluiten - zogeheten addenda - op die akte vast te leggen en aan appellant bekend te</para>
      <para>maken. Terecht is in al deze stukken steeds de mogelijkheid van bezwaar op grond van de</para>
      <para>Algemene wet bestuursrecht (Awb) vermeld. Dat de aanduiding van de plaats en omvang</para>
      <para>van de tewerkstellingen slechts werd bepaald door budgettaire overwegingen is een keuze</para>
      <para>van gedaagde, die niet aan de rechtspositionele betekenis van de tewerkstellingsbeslissingen</para>
      <para>kan afdoen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu appellant van de mogelijkheid van bezwaar tegen die beslissingen geen gebruik heeft</para>
      <para>gemaakt, staat rechtens vast dat hij ten tijde van zijn ontslag slechts bij de [Z.] de basis en</para>
      <para>[X.] was tewerkgesteld. Dat de tewerkstellingsbeslissingen geen realiteitswaarde hadden kan</para>
      <para>hieraan, gezien de rechtspositionele betekenis van die beslissingen, niet afdoen. Nu</para>
      <para>appellant niet bij de [Y.] tewerkgesteld was, kon die tewerkstelling niet beëindigd worden.</para>
      <para>Als gevolg daarvan was er ook geen grond voor het aan appellant verleende ontslag voor</para>
      <para>40% uit zijn betrekking in algemene dienst.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Reeds daarom kan het bestreden besluit, evenals het daaraan ten grondslag liggende</para>
      <para>primaire besluit, niet in stand blijven, zodat de overige grieven van appellant geen</para>
      <para>bespreking meer behoeven. Gelet hierop moet de aangevallen uitspraak en, met toepassing</para>
      <para>van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, ook het primaire besluit van 29 april 1997 worden</para>
      <para>vernietigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad wijst het verzoek van appellant om vergoeding van immateriële schade af, nu niet</para>
      <para>is gebleken van een tot vergoeding aanleiding gevend geschaad zijn van appellant in zijn</para>
      <para>eer of goede naam of van een aantasting in zijn persoon op andere wijze in de zin van</para>
      <para>artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek. In dit verband acht de Raad van belang dat het</para>
      <para>onderhavige ontslag geen beletsel is geweest voor appellant om zijn werkzaamheden bij</para>
      <para>[X.] normaal te kunnen blijven verrichten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tenslotte acht de Raad termen aanwezig om gedaagde op grond van artikel 8:75 van de</para>
      <para>Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep,</para>
      <para>ten bedrage van respectievelijk f 1.420,- en f 1.420,- aan kosten van juridische bijstand.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Derhalve wordt beslist als volgt.</para>
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak;</para>
      <para>Verklaart het inleidend beroep tegen het bestreden besluit van 15 oktober 1997 alsnog</para>
      <para>gegrond en vernietigt dat besluit;</para>
      <para>Vernietigt het primaire besluit van 29 april 1997;</para>
      <para>Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep</para>
      <para>ten bedrage van in totaal f 2.840,-, te betalen door de gemeente Haarlem;</para>
      <para>Bepaalt dat de gemeente Haarlem aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger</para>
      <para>beroep betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van f 210,- voor het geding in eerste</para>
      <para>aanleg en f 315,- voor het geding in hoger beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. A. Beuker-Tilstra en mr.</para>
      <para>J.H. van Kreveld als leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Dierdorp als griffier en</para>
      <para>uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2001.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) H.A.A.G. Vermeulen.</para>
    <para />
    <para>(get.) C. Dierdorp.</para>
    <para />
    <para />
    <para>HD</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>