<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2001:ZB9197</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-21T16:42:17</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB9197</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-04-04</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">99/117 AAW/WAO</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=7:1&amp;g=2001-04-04">Algemene wet bestuursrecht 7:1</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=7:11&amp;g=2001-04-04">Algemene wet bestuursrecht 7:11</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 2001, 146</rdf:li>
          <rdf:li>JB 2001/137 met annotatie van A.R. Neerhof</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 2001/163 met annotatie van W. den Ouden</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2001:ZB9197">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2001:ZB9197</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:58:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-10-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2001:ZB9197 Centrale Raad van Beroep , 04-04-2001 / 99/117 AAW/WAO</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2001:ZB9197:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2001:ZB9197:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>99/117 AAW/WAO</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>[A.], wonende te [B.], gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 4 september 1997 heeft appellant de aan gedaagde toegekende uitkeringen</para>
      <para>ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de</para>
      <para>arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 2 november 1997 ingetrokken</para>
      <para>op de grond dat gedaagde met ingang van die datum minder dan 15% arbeidsongeschikt is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij beslissing op bezwaar van 24 februari 1998 (hierna: het bestreden besluit) heeft</para>
      <para>appellant het bezwaar van gedaagde tegen het besluit van 4 september 1997 gegrond</para>
      <para>verklaard, dat besluit herroepen, bepaald dat de aan gedaagde toegekende uitkeringen</para>
      <para>ingevolge de AAW en de WAO vanaf 2 november 1997 ongewijzigd worden voortgezet en</para>
      <para>dat de WAO-uitkering van gedaagde ingaande 13 maart 1998 wordt herzien naar een mate</para>
      <para>van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Arrondissementsrechtbank te Dordrecht heeft zich bij uitspraak van 11 december 1998</para>
      <para>onbevoegd verklaard, met opdracht aan de griffier het beroepschrift van gedaagde aan</para>
      <para>appellant te zenden ter behandeling als bezwaarschrift, met veroordeling van appellant in de</para>
      <para>proceskosten en tot vergoeding van het griffierecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden van die uitspraak in</para>
      <para>hoger beroep gekomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Namens gedaagde heeft mr. S.J.M.H. Willems, advocaat te Utrecht, een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 24 januari 2001, waar</para>
      <para>appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. H.R. Schimmel, werkzaam bij</para>
      <para>Gak Nederland B.V., en waar namens gedaagde is verschenen mr. Willems, voornoemd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft op 1 mei 1995 zijn werk als constructietekenaar in dienst van een</para>
      <para>adviesbureau voor bouwconstructies gestaakt wegens hoofd- en nekpijn en</para>
      <para>spanningsklachten. Ingaande 29 april 1996 heeft hij uitkeringen ingevolge de AAW en de</para>
      <para>WAO ontvangen van appellant, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het primaire besluit van 4 september 1997 heeft appellant deze uitkeringen ingaande</para>
      <para>2 november 1997 ingetrokken, omdat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid minder dan</para>
      <para>15% zou bedragen. Aan dit besluit ligt een medische beoordeling ten grondslag van een</para>
      <para>verzekeringsarts, die op grond van de diagnose hoofdpijn en een persisterende somatoforme</para>
      <para>pijnstoornis een belastbaarheidspatroon voor gedaagde heeft opgesteld. Hierop is een</para>
      <para>arbeidskundige beoordeling gevolgd, volgens welke er met inachtneming van die</para>
      <para>belastbaarheid sprake is van geschiktheid voor een vijftal functies, leidend tot een mate van</para>
      <para>arbeidsongeschiktheid van 8,7%.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar aanleiding van de door gedaagde in bezwaar aangevoerde bezwaren heeft de bezwaar</para>
      <para>verzekeringsarts van appellant het belastbaarheidspatroon van gedaagde aangevuld met een</para>
      <para>beperking ten aanzien van conflicthantering. Uitgaande van de aldus aangepaste</para>
      <para>belastbaarheid van gedaagde is de bezwaar arbeidsdeskundige tot de slotsom gekomen dat</para>
      <para>met uitzondering van de functie monteur koffiezetters de aan gedaagde voorgehouden</para>
      <para>functies als niet passend moeten worden beschouwd. Vervolgens heeft de bezwaar</para>
      <para>arbeidsdeskundige nieuwe functies voor gedaagde geselecteerd, welke op 13 januari 1998</para>
      <para>met hem zijn besproken en leiden tot een mate van arbeidsongeschiktheid van 21,7%.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het bestreden besluit heeft appellant het bezwaar van gedaagde gegrond verklaard, het</para>
      <para>primaire besluit van 4 september 1997 herroepen en bepaald dat gedaagdes uitkeringen</para>
      <para>ingevolge de AAW en de WAO ingaande 2 november 1997 worden voortgezet naar een</para>
      <para>mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Voorts heeft appellant besloten gedaagdes</para>
      <para>WAO-uitkering ingaande 13 maart 1998 te herzien en nader vast te stellen naar een mate</para>
      <para>van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Daarbij heeft appellant nog overwogen dat de</para>
      <para>AAW ingaande 1 januari 1998 is ingetrokken, zodat geen beslissing meer genomen hoefde</para>
      <para>te worden omtrent de aanspraak op uitkering ingevolge die wet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft zich onbevoegd verklaard kennis te nemen van het geschil. Daarbij heeft</para>
      <para>zij overwogen dat uit de aard van een besluit als hier aan de orde voortvloeit dat</para>
      <para>heroverweging en eventueel gedeeltelijke herroeping als bedoeld in artikel 7:11 van de</para>
      <para>Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient plaats te vinden per dezelfde datum als waarop</para>
      <para>het primaire besluit betrekking had en dat zij niet inziet op welke grond in het kader van</para>
      <para>een heroverweging als evenbedoeld een nieuwe uitlooptermijn in acht genomen zou moeten</para>
      <para>worden. Nu appellant gedaagdes WAO-uitkering heeft herzien met ingang van een datum</para>
      <para>gelegen ruim vier maanden na 2 november 1997, is er naar het oordeel van de rechtbank</para>
      <para>sprake van een nieuw primair besluit, waartegen op grond van het bepaalde in artikel 7:1</para>
      <para>van de Awb eerst een bezwaarschrift moet worden ingediend bij appellant.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft dit oordeel in hoger beroep bestreden, aanvoerende dat de heroverweging</para>
      <para>wel dient plaats te vinden per dezelfde datum als waarop het primaire besluit betrekking</para>
      <para>had, maar dat een eventuele herroeping van dat besluit niet steeds per dezelfde datum dient</para>
      <para>te geschieden. Daarbij heeft appellant erop gewezen dat uit 's Raads vaste rechtspraak</para>
      <para>voortvloeit dat wanneer de aanvankelijk voorgehouden functies niet langer geschikt worden</para>
      <para>geacht, opnieuw een uitlooptermijn van ten minste twee maanden in acht genomen moet</para>
      <para>worden vanaf het moment dat andere - nieuwe - functies met betrokkene zijn besproken.</para>
      <para>Voorts heeft appellant nog gewezen op het bepaalde in artikel 36b van de WAO.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad overweegt het volgende.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 7:11, eerste lid, van de Awb vindt op de grondslag van het bezwaar</para>
      <para>heroverweging plaats van het in bezwaar bestreden besluit. Voorts vloeit uit het bepaalde in</para>
      <para>het tweede lid van dit artikel voort dat het bestuursorgaan dat besluit, voor zover de</para>
      <para>heroverweging daartoe aanleiding geeft, herroept en voor zover nodig in de plaats daarvan</para>
      <para>een nieuw besluit neemt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het primaire besluit van appellant van 4 september 1997 ziet op de intrekking van</para>
      <para>gedaagdes uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO per 2 november 1997.</para>
      <para>Heroverweging van dat besluit heeft appellant tot de slotsom gebracht dat voor gedaagde</para>
      <para>meer beperkingen golden en dat uitgaande van het aangepaste belastbaarheidspatroon de aan</para>
      <para>gedaagde voorgehouden functies op één na niet langer geschikt werden geacht, maar dat</para>
      <para>gedaagde toen wel in staat was te achten andere functies te verrichten, welke op</para>
      <para>13 januari 1998 met hem zijn besproken. Met inachtneming van de uit 's Raads rechtspraak</para>
      <para>voortvloeiende eisen ten aanzien van de in acht te nemen uitlooptermijn, in gevallen waarin</para>
      <para>de eerder genoemde functies niet langer worden gehandhaafd en geheel nieuwe functies</para>
      <para>voorgehouden worden, heeft appellant de WAO-uitkering van gedaagde ingaande 13 maart</para>
      <para>1998 herzien naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 15 tot 25%.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad is, gelet op het karakter van de bezwaarprocedure, van oordeel dat de</para>
      <para>heroverweging van besluiten als hier aan de orde, zich er niet tegen verzet dat de</para>
      <para>herroeping van het primaire besluit en de vervanging daarvan door een nieuw besluit ertoe</para>
      <para>leidt dat - op grond van eisen van zorgvuldigheid - de intrekking of herziening van de</para>
      <para>arbeidsongeschiktheidsuitkering met ingang van een later tijdstip plaatsvindt. Daarbij acht</para>
      <para>de Raad van belang dat het bestreden besluit is gebaseerd op hetzelfde feitencomplex als</para>
      <para>het primaire besluit van 4 september 1997 en derhalve blijft binnen de grondslag en</para>
      <para>reikwijdte van het - herroepen - primaire besluit. Een vergelijkbaar criterium wordt door de</para>
      <para>Raad gehanteerd bij de toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb. Ten slotte</para>
      <para>acht de Raad in dit verband nog van belang dat gedaagde door deze gang van zaken niet is</para>
      <para>benadeeld, nu hij na de bespreking van de nieuwe functies op 13 januari 1998 tijdens de</para>
      <para>hoorzitting op 10 februari 1998 gelegenheid heeft gehad eventuele opmerkingen over die</para>
      <para>functies en de nader vastgestelde belastbaarheid naar voren te brengen, en dat aldus de</para>
      <para>proceseconomie wordt bevorderd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit betekent dat de grond waar de rechtbank bij de aangevallen uitspraak de</para>
      <para>onbevoegdverklaring op heeft gebaseerd in verband met artikel 7:11 van de Awb in rechte</para>
      <para>niet kan stand houden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorts is de Raad van oordeel dat het geding nadere behandeling door de rechtbank</para>
      <para>behoeft, nu de rechtbank haar toetsing van het bestreden besluit heeft beperkt tot het</para>
      <para>hiervoor besproken geschilpunt en gedaagde expliciet om terugwijzing heeft verzocht.</para>
      <para>Voorts acht de Raad hierbij nog van belang dat bij alle nader aan gedaagde voorgehouden</para>
      <para>functies markeringen zijn vermeld, terwijl de overschrijdingen van gedaagdes belastbaarheid</para>
      <para>in die functies niet op een voldoende (overtuigende) wijze zijn toegelicht door de bezwaar</para>
      <para>verzekeringsarts. De Raad acht het derhalve gewenst de zaak met toepassing van artikel 26,</para>
      <para>eerste lid, aanhef en onder b, van de Beroepswet terug te wijzen naar de rechtbank te Dordrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met betrekking tot de proceskosten overweegt de Raad het volgende. Nu de rechtbank zich</para>
      <para>omtrent de inhoudelijke aspecten van de zaak nog dient uit te spreken, ziet de Raad</para>
      <para>aanleiding appellant op grond van artikel 8:75 van de Awb voorwaardelijk - voor het geval</para>
      <para>het bestreden besluit niet in stand kan blijven - te veroordelen in de proceskosten van</para>
      <para>gedaagde in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op f 1420,- voor verleende</para>
      <para>rechtsbijstand in hoger beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Beslist wordt mitsdien als volgt.</para>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak;</para>
      <para>Wijst de zaak terug naar de rechtbank te Dordrecht;</para>
      <para>Veroordeelt appellant voorwaardelijk in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep ad f</para>
      <para>1420,- te betalen aan gedaagde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en mr. T.L. de Vries en</para>
      <para>mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B. van der Putten als griffier en</para>
      <para>uitgesproken in het openbaar op 4 april 2001.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) N.J. Haverkamp.</para>
    <para />
    <para>(get.) J.J.B. van der Putten.</para>
    <para />
    <para>RL</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>