<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2001:ZB9153</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-04T20:12:02</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB9153</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-03-14</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">99/1535 WW, 99/1536 WW, 00/2921 WW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0004045&amp;artikel=24&amp;g=2001-03-14">Werkloosheidswet 24</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0004045&amp;artikel=27&amp;g=2001-03-14">Werkloosheidswet 27</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0004045&amp;artikel=68&amp;g=2001-03-14">Werkloosheidswet 68</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 2001/105 met annotatie van Redactie</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2001:ZB9153">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2001:ZB9153</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:58:20</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-10-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2001:ZB9153 Centrale Raad van Beroep , 14-03-2001 / 99/1535 WW, 99/1536 WW, 00/2921 WW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2001:ZB9153:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2001:ZB9153:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>99/1535 WW</para>
      <para>99/1536 WW</para>
      <para>00/2921 WW</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in de gedingen tussen:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>[A.], wonende te [B.], en</para>
      <para>[C.], wonende te [D.], appellanten</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellanten heeft mr. H.B.Th. Koekkoek, werkzaam bij de Hout- en Bouwbond CNV, op</para>
      <para>bij onderscheiden beroepschriften aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de</para>
      <para>Arrondissementsrechtbank te Leeuwarden op 3 februari 1999 tussen partijen afzonderlijk gegeven</para>
      <para>uitspraken met de nummers 98/808 WW respectievelijk 98/197 WW, waarnaar hierbij wordt</para>
      <para>verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Gedaagde heeft in beide gedingen een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorts heeft gedaagde in het geding betreffende [C.] een nader besluit d.d. 15 oktober 1999</para>
      <para>toegezonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In beide zaken heeft mr. Koekkoek, voornoemd, namens appellanten nog nadere stukken</para>
      <para>toegezonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de Raad van 31 januari 2001, waar</para>
      <para>appellanten zijn verschenen bij hun gemachtigde mr. Koekkoek en waar gedaagde zich heeft doen</para>
      <para>vertegenwoordigen door mr. H.B. Heij en mr. W.H. Beishuizen, beiden werkzaam bij SFB</para>
      <para>Uitvoeringsorganisatie Sociale verzekering NV.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad stelt voorop dat het in deze gedingen aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan</para>
      <para>de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden</para>
      <para>ten tijde als hier van belang.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Aan de gedingstukken ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellanten waren werkzaam bij [X.] te [Y.] (hierna: [X.]), welk bedrijf als onderaannemer</para>
      <para>werkzaamheden in de bouw verrichtte.</para>
      <para>In verband met het op 24 april 1997 uitgesproken faillissement van [X.] hebben appellanten zich</para>
      <para>tezamen met een groot aantal collega?s tot gedaagde gewend met het verzoek op grond van</para>
      <para>artikelen 61 en volgende van de WW de door [X.] niet nagekomen betalingsverplichtingen, te</para>
      <para>weten niet ontvangen vakantierechten, ook wel aangeduid als RBS-rechten, over te nemen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant I</para>
      <para>Met betrekking tot appellant [A.] (hierna: appellant I), bij [X.] in dienst geweest van 26 augustus</para>
      <para>1996 tot en met 29 november 1996, heeft gedaagde bij besluit van 18 juni 1997 de door hem</para>
      <para>gevraagde uitkering ter zake van vakantierechten over voornoemde periode op grond van artikel</para>
      <para>62 van de WW geweigerd. Het hiertegen ingediende bezwaarschrift heeft gedaagde bij besluit van</para>
      <para>28 oktober 1997 gegrond verklaard onder de overweging dat een eerdere actie tegen de werkgever</para>
      <para>geen resultaat heeft gehad en dat derhalve toepassing wordt gegeven aan artikel 62, aanhef en</para>
      <para>onder b, van de WW. Vervolgens is appellant I bij primair besluit van 16 maart 1998 meegedeeld</para>
      <para>dat de door hem ingediende vordering over de periode van 26 augustus 1996 tot en met 29</para>
      <para>november 1997 niet wordt overgenomen. Omdat verzuimd was overeenkomstig het bepaalde in de</para>
      <para>van toepassing zijnde CAO voor het Bouwbedrijf de betreffende hoofdaannemers aan te spreken</para>
      <para>ter zake van het niet nakomen van de CAO-verplichtingen door [X.], is naar de mening van</para>
      <para>gedaagde sprake van een benadelingshandeling in de zin van artikel 68 in verbinding met artikel</para>
      <para>24, vijfde lid, van de WW op grond waarvan ingevolge het bepaalde in artikel 27, derde lid, van</para>
      <para>de WW aanleiding bestaat de uitkering blijvend geheel te weigeren.</para>
      <para>Bij besluit op bezwaar van 14 juli 1998 heeft gedaagde alsnog de vordering over</para>
      <para>26 augustus 1996 en over de periode van 25 tot en met 29 november 1996 overgenomen.</para>
      <para>Gedaagde heeft hiertoe overwogen dat appellant I op 26 augustus 1996 slechts 1 dag voor</para>
      <para>hoofdaannemer [E.] had gewerkt en dat bij minder dan 1 dag werken de hoofdaannemer niet</para>
      <para>aansprakelijk behoeft te worden gesteld. Gedurende de overige overgenomen dagen had appellant</para>
      <para>ADV ter zake waarvan geen hoofdaannemer aansprakelijk kan worden gesteld.</para>
      <para>De bezwaren van appellant zijn voor het overige ongegrond verklaard. Gedaagde heeft hiertoe</para>
      <para>overwogen dat appellant I de betreffende hoofdaannemers niet aansprakelijk heeft gesteld terwijl</para>
      <para>dit nog mogelijk was op het moment dat appellant I uit het rechtenoverzicht kon afleiden dat de</para>
      <para>RBS-rechten niet waren bijgeboekt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant II</para>
      <para>Appellant [C.] (hierna: appellant II) was van 15 april 1996 tot en met 9 december 1996 bij [X.] in</para>
      <para>dienst. Nadat [X.] in staat van faillissement was verklaard vraagt appellant II overneming van de</para>
      <para>RBS-rechten over de periode van 3 juni 1996 tot en met 9 december 1996. Bij primair besluit van</para>
      <para>6 augustus 1997 heeft gedaagde besloten dat de ingediende vordering over de periode van 1</para>
      <para>augustus 1996 tot en met 4 oktober 1996 niet wordt overgenomen omdat appellant II over die</para>
      <para>periode de betreffende hoofdaannemer niet aansprakelijk heeft gesteld. Bij besluit op bezwaar d.d.</para>
      <para>20 januari 1998 handhaaft gedaagde zijn eerder ingenomen standpunt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Oordeel van de rechtbank</para>
      <para>De rechtbank heeft de namens appellanten tegen de besluiten op bezwaar ingediende</para>
      <para>beroepschriften ongegrond verklaard.</para>
      <para>De rechtbank heeft daartoe ten aanzien van appellant I allereerst overwogen dat het beroep op het</para>
      <para>vertrouwensbeginsel wordt verworpen. Nadat het bezwaar tegen het primair besluit van 18 juni</para>
      <para>1997 gegrond was verklaard, kwam in principe wel vast te staan dat overneming kon plaats</para>
      <para>vinden, doch moest gedaagde nog nader beslissen of de vordering geheel dan wel gedeeltelijk</para>
      <para>diende te worden overgenomen. Niet is gebleken, aldus de rechtbank, dat appellant I</para>
      <para>gerechtvaardigde verwachtingen heeft mogen koesteren dat na de gegrondverklaring van zijn</para>
      <para>bezwaar de vordering geheel zou worden overgenomen.</para>
      <para>Voorts heeft de rechtbank ten aanzien van beide appellanten in nagenoeg dezelfde bewoordingen</para>
      <para>overwogen dat - samengevat - appellanten een benadelingshandeling hebben gepleegd door niet</para>
      <para>met toepassing van artikel 3 van de CAO voor het Bouwbedrijf de hoofdaannemer aansprakelijk</para>
      <para>te stellen. Gedaagde heeft, aldus de rechtbank, dan ook terecht een maatregel opgelegd. De door</para>
      <para>gedaagde op grond van artikel 7 van het Maatregelenbesluit Tica (Stb.1996,141) toegepaste</para>
      <para>maatregel, te weten een blijvend gehele weigering, kan de toets van de rechtbank doorstaan. Niet</para>
      <para>gebleken is dat gedaagde in redelijkheid de maatregel had moeten matigen, terwijl evenmin is</para>
      <para>gebleken van het ontbreken van iedere verwijtbaarheid dan wel van een dringende reden op grond</para>
      <para>waarvan het opleggen van een maatregel achterwege had moeten blijven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nader besluit</para>
      <para>Naar aanleiding van een namens appellant II bij gedaagde ingediend verzoek om herziening van</para>
      <para>het besluit op bezwaar van 20 januari 1998 heeft gedaagde op 15 oktober 1999 een nieuw besluit</para>
      <para>genomen. Gelet op de ter zitting van de Raad door partijen gegeven toelichting leidt dit besluit er</para>
      <para>feitelijk toe dat over de periode van 1 augustus 1996 tot en met 4 oktober 1996, ter zake waarvan</para>
      <para>aanvankelijk de maatregel van een blijvend gehele weigering was opgelegd, thans een maatregel</para>
      <para>wordt toegepast in de vorm van een korting van 30%. Gedaagde heeft daartoe overwogen dat</para>
      <para>appellant II op 16 december 1996 de hoofdaannemer aansprakelijk heeft gesteld en dat, zo</para>
      <para>begrijpt de Raad de door gedaagde ter zitting gegeven nadere toelichting, in verband hiermee</para>
      <para>ervan wordt uitgegaan dat ter zake van de perioden voorafgaande aan de hierop betrekking</para>
      <para>hebbende betalingsperiode sprake is van een verminderde mate van verwijtbaarheid, zodat op</para>
      <para>grond van artikel 7, tweede lid, onder c, van het Maatregelenbesluit Tica een maatregel in de</para>
      <para>vorm van een korting van 30% aangewezen is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het besluit van 15 oktober 1999 dient te worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel</para>
      <para>6:18 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Nu appellant II zich met de inhoud van dit</para>
      <para>besluit niet kan verenigen wordt, gelet op het bepaalde in artikel 6:19 in verbinding met artikel</para>
      <para>6:24 van de Awb, het hoger beroep van appellant geacht mede tegen dit besluit te zijn gericht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hoger beroep</para>
      <para>Hetgeen namens appellanten in hoger beroep wordt aangevoerd komt erop neer dat zij de</para>
      <para>opvatting zijn toegedaan dat artikel 3 van de ten tijde in geding van toepassing zijnde CAO voor</para>
      <para>het Bouwbedrijf een te onzekere grondslag vormt voor betaling door dan wel via de</para>
      <para>hoofdaannemer van de door de onderaannemer niet nagekomen CAO-verplichtingen. Appellanten</para>
      <para>hebben daartoe onder meer verwezen naar een uitspraak van de rechtbank te Assen d.d. 28 juli</para>
      <para>2000 alsmede naar een uitspraak van de rechtbank te Groningen d.d. 27 oktober 2000. Ter zitting</para>
      <para>van de Raad heeft de gemachtigde van appellanten ter nadere toelichting hiervan nog betoogd dat</para>
      <para>de betreffende bepaling in de CAO slechts bedoeld is om de hoofdaannemer onder druk te zetten</para>
      <para>en dat het geen basis biedt voor een civielrechtelijke aansprakelijkheid van de hoofdaannemer in</para>
      <para>die zin dat betaling van de hoofdaannemer kan worden afgedwongen. Appellanten stellen zich</para>
      <para>dan ook op het standpunt dat zij, door de betreffende hoofdaannemers niet dan wel niet tijdig aan</para>
      <para>te spreken, geen benadelingshandeling hebben gepleegd zodat er geen grondslag is voor het</para>
      <para>toepassen van een maatregel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Oordeel van de Raad</para>
      <para>De Raad overweegt  omtrent  hetgeen hiervoor is weergegeven als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 3 van de ten tijde hier in geding van toepassing zijnde CAO voor het Bouwbedrijf luidt,</para>
      <para>voor zover hier van belang als volgt:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"       1. De werkgever is verplicht in overeenkomsten van onderaanneming met zelfstandige</para>
      <para>ondernemers die als werkgever in de zin van deze CAO optreden, te bedingen dat zij de</para>
      <para>bepalingen van deze CAO zullen naleven en op de door hen af te sluiten individuele</para>
      <para>arbeidsovereenkomsten van toepassing zullen verklaren. Deze verplichting geldt niet indien</para>
      <para>op de werknemer een andere CAO van toepassing is.</para>
      <para>2. a. De hoofdaannemer kan door of namens een werknemer van een onderaannemer als</para>
      <para>bedoeld in lid 1 aansprakelijk worden gesteld voor de nakoming door de onderaannemer</para>
      <para>van zijn CAO-verplichtingen tegenover die werknemer, voor wat het loon betreft over de</para>
      <para>laatst verstreken loonbetalingsperiode waarover geen loon is betaald en wat de overige</para>
      <para>CAO-verplichtingen betreft over de laatst verstreken periode waarover de werknemer van</para>
      <para>het Sociaal Fonds Bouwnijverheid een overzicht heeft ontvangen van de door de</para>
      <para>werkgever te zijnen name betaalde bijdragen en premies, althans voor zover en zolang</para>
      <para>deze werknemer op de bouwplaats van die hoofdaannemer werkzaam is dan wel is geweest.</para>
      <para>b. Een dergelijke aansprakelijkstelling dient voor wat het loon betreft binnen 5 x 24 uur</para>
      <para>per aangetekend schrijven dan wel via post met ontvangstbevestiging bij de</para>
      <para>hoofdaannemer te worden ingediend (te rekenen vanaf de dag waarop het loon door de</para>
      <para>werkgever betaald had moeten zijn).</para>
      <para>Voor wat betreft de overige CAO-verplichtingen dient de aansprakelijkstelling per</para>
      <para>aangetekend schrijven dan wel via post met ontvangstbevestiging bij de hoofdaannemer te</para>
      <para>worden ingediend binnen 5 x 24 uur nadat de werknemer ervan heeft kennis kunnen</para>
      <para>nemen dat de onderaannemer deze verplichtingen niet is nagekomen. (.....)</para>
      <para>c. Wanneer blijkt dat de desbetreffende onderaannemer zijn CAO-verplichtingen een</para>
      <para>volgende keer opnieuw niet nakomt, dient de werknemer de hoofdaannemer daarvoor</para>
      <para>opnieuw en op dezelfde wijze aansprakelijk te stellen.</para>
      <para>d. De werknemer die met betrekking tot hetzelfde werkobject binnen een periode van een</para>
      <para>jaar de hoofdaannemer aldus 3 x aansprakelijk heeft gesteld voor wat betreft het loon</para>
      <para>respectievelijk 3 x voor de overige CAO-verplichtingen, is van verdere</para>
      <para>aansprakelijkstellingen ontslagen. De hoofdaannemer is dan zonder meer aansprakelijk</para>
      <para>voor al het door de onderaannemer niet-betaalde loon en alle door de onderaannemer</para>
      <para>niet-nagekomen overige CAO-verplichtingen.".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad kan uit de bewoordingen van deze artikelonderdelen niet afleiden dat het slechts de</para>
      <para>bedoeling van de bij de totstandkoming van de CAO betrokken partijen was de hoofdaannemer</para>
      <para>onder druk te zetten en dat er aldus alleen sprake is van een "morele aansprakelijkheid", zoals</para>
      <para>namens appellanten ter zitting is gesteld. De Raad verwijst in dit verband in het bijzonder naar</para>
      <para>artikel 3,  tweede lid, onder a, in verbinding met de slotzin van het tweede lid, onder d, van</para>
      <para>genoemde bepaling. Ook het feit dat artikel 3, tweede lid, van de CAO een zogeheten</para>
      <para>kan-bepaling is en, aldus de gemachtigde van appellanten, de werknemers slechts de mogelijkheid</para>
      <para>biedt de hoofdaannemer aansprakelijk te stellen, leidt de Raad niet tot een andere conclusie. De</para>
      <para>gehoudenheid van de hoofdaannemer om de aansprakelijkstelling te honoreren wordt niet bepaald</para>
      <para>door het feit dat artikel 3 van de CAO de werknemer een keuze biedt, maar is onder meer</para>
      <para>afhankelijk van het feit of de hoofdaannemer gebonden is aan de CAO. In het geval van</para>
      <para>appellanten is niet betwist dat de betreffende hoofdaannemers aan die CAO waren gebonden.</para>
      <para>Voorts is van de zijde van appellanten niet aangevoerd, en is de Raad ook overigens niet</para>
      <para>gebleken, dat die hoofdaannemers niet solvabel waren, zodat niet kan worden gezegd dat de kans</para>
      <para>op succes bij een adequate reactie van appellanten om die reden niet als overwegend positief kon</para>
      <para>worden ingeschat.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant I heeft niet overeenkomstig de bepalingen van de CAO de betreffende hoofdaannemers</para>
      <para>aansprakelijk gesteld. Appellant II heeft omstreeks het einde van zijn dienstverband met [X.]</para>
      <para>alleen hoofdaannemer [F.] op de wijze als voorgeschreven in artikel 3 van de CAO aansprakelijk</para>
      <para>gesteld.</para>
      <para>De Raad is niet gebleken van feiten en omstandigheden op grond waarvan het voor appellanten</para>
      <para>niet mogelijk was geweest de hoofdaannemers (al dan niet tijdig) aansprakelijk te stellen, zoals</para>
      <para>veel andere werknemers van [X.] blijkens hetgeen is gesteld in beroep en hoger beroep wel</para>
      <para>hebben gedaan.</para>
      <para>Niet gebleken is dat appellanten er niet mee op de hoogte waren bij welke hoofdaannemers zij ten</para>
      <para>tijde hier in geding werkzaam waren. Voorts zijn appellanten door de afdeling CAO-Regelingen</para>
      <para>van het Sociaal Fonds Bouwnijverheid vierwekelijks schriftelijk op de hoogte gesteld van het feit</para>
      <para>dat er ten behoeve van hen geen rechten waren bijgeschreven.</para>
      <para>Met betrekking tot de stelling van appellant I dat hem niet eerder dan op grond van het</para>
      <para>rechtenoverzicht van 25 oktober 1996 duidelijk was dat er geen rechten waren bijgeboekt,</para>
      <para>overweegt de Raad dat deze appellant ook nadien de hoofdaannemer(s) niet aansprakelijk heeft</para>
      <para>gesteld. Uit het verslag van de in de bezwaarfase op 23 juni 1998 gehouden hoorzitting leidt de</para>
      <para>Raad bovendien af dat toen appellant I bij hoofdaannemer [Z.] B.V. werkzaam was - en dit was</para>
      <para>voorafgaande aan 25 oktober 1996 - er al met de uitvoerder van [Z.]  B.V. is gesproken over het</para>
      <para>betalingsgedrag van [X.]. Dat appellant aannam, zoals namens hem ter zitting is gesteld, dat dit</para>
      <para>betalingsgedrag van [X.] slechts collega's betrof en niet ook op hem betrekking had, acht de Raad</para>
      <para>niet aannemelijk.</para>
      <para>Nu  voorts blijkens de vaste jurisprudentie van de Raad,  zoals de rechtbank terecht heeft</para>
      <para>overwogen, de in hoofdstuk IV van de WW opgenomen overnemingsregeling naar aard en</para>
      <para>strekking moet worden aangemerkt als een laatste redmiddel voor een werknemer om het niet</para>
      <para>door zijn werkgever voldane loon betaald te krijgen, had van appellanten in de gegeven</para>
      <para>omstandigheden verlangd mogen worden dat zij met toepassing van artikel 3 van de CAO de</para>
      <para>hoofdaannemers (tijdig) aansprakelijk hadden gesteld. Met de rechtbank is de Raad van oordeel</para>
      <para>dat appellanten door zulks na te laten een benadelingshandeling als bedoeld in artikel 68 in</para>
      <para>verbinding met  artikel 24, vijfde lid, van de WW hebben gepleegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolgde artikel 27, derde lid, van de WW is gedaagde in beginsel gehouden een maatregel toe</para>
      <para>te passen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zake van de door gedaagde met betrekking tot appellant I met toepassing van het, op artikel</para>
      <para>27 van de WW gebaseerde, Maatregelenbesluit Tica opgelegde maatregel, een volledige weigering</para>
      <para>over de periode van 27 augustus 1996 tot en met 24 november 1996, is de Raad evenals de</para>
      <para>rechtbank van oordeel dat niet gezegd kan worden dat gedaagde hierbij in strijd heeft gehandeld</para>
      <para>met enig geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel. Niet</para>
      <para>gebleken is van feiten en omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat</para>
      <para>sprake is van een verminderde verwijtbaarheid.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met betrekking tot de grief van appellant I dat gedaagde met het besluit op bezwaar van 28</para>
      <para>oktober 1997 bij hem het vertrouwen had gewekt dat zijn vordering alsnog zou worden</para>
      <para>toegewezen en dat derhalve niet zou worden besloten tot een volledige weigering, verwijst de</para>
      <para>Raad naar hetgeen door de rechtbank dienaangaande is overwogen. De Raad sluit zich hierbij aan.</para>
      <para>Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel, in die zin dat ten aanzien van appellant I een</para>
      <para>maatregel in de vorm van een korting van 30% had moeten worden opgelegd,  kan naar het</para>
      <para>oordeel van de Raad niet slagen. Uit de gedingstukken kan worden afgeleid dat gedaagde heeft</para>
      <para>aangenomen dat in die gevallen waarin op enig moment tijdens dan wel bij of omstreeks het</para>
      <para>einde van het dienstverband een hoofdaannemer aansprakelijk is gesteld, er sprake is van een</para>
      <para>verminderde mate van verwijtbaarheid in verband waarmee een korting van 30% is opgelegd. De</para>
      <para>Raad verwijst in dit kader naar het besluit van gedaagde d.d. 15 oktober 1996 ter zake van</para>
      <para>appellant II. Appellant I heeft, onbetwist, in het geheel geen aansprakelijkheidstelling doen</para>
      <para>uitgaan. Voor zover appellant I  beoogt te stellen dat gedaagde ook in dit soort gevallen heeft</para>
      <para>volstaan met het opleggen van een maatregel van 30%, overweegt de Raad dat op grond van de</para>
      <para>ter zake vanwege gedaagde gedane mededelingen ervan moet worden uitgegaan dat, indien</para>
      <para>hiervan al sprake is geweest, zulks slechts in een enkel geval heeft plaatsgevonden. Het</para>
      <para>gelijkheidsbeginsel leidt er niet toe dat, indien een onjuiste beslissing is genomen, ook ten aanzien</para>
      <para>van appellant I een dergelijke beslissing moet worden genomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ook het ten aanzien van appellant II op 15 oktober 1999 genomen besluit, inhoudende een</para>
      <para>maatregel in de vorm van een korting van 30%, kan de rechterlijke toetsing doorstaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu met het besluit van 15 oktober 1999 het eerder genomen en door de rechtbank in stand</para>
      <para>gelaten besluit van 20 januari 1998, voor zover betrekking hebbend op de periode van 1 augustus</para>
      <para>1996 tot 7 oktober 1996, niet langer wordt gehandhaafd moet dit besluit in zoverre worden</para>
      <para>vernietigd. Ditzelfde geldt voor de aangevallen uitspraak waarbij het laatstgenoemde besluit in</para>
      <para>stand is gelaten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet hierop acht de Raad termen aanwezig om met betrekking tot appellant II gedaagde met</para>
      <para>toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze</para>
      <para>kosten worden begroot op f 1.420,-- als kosten van in eerste aanleg verleende rechtsbijstand en op</para>
      <para>eveneens f 1.420,-- als kosten van in hoger beroep verleende rechtsbijstand. Van overige voor</para>
      <para>vergoeding in aanmerking komende kosten is de Raad niet gebleken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met betrekking tot het hoger beroep van appellant I ziet de Raad geen aanleiding toepassing te</para>
      <para>geven aan artikel 8:75 van de Awb.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Derhalve moet als volgt worden beslist.</para>
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak met nummer 98/808 WW gewezen tussen appellant I en</para>
      <para>gedaagde;</para>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak met nummer 98/197 WW gewezen tussen appellant II en</para>
      <para>gedaagde voor zover ziende op de periode van 1 augustus 1996 tot 7 oktober 1996;</para>
      <para>Verklaart het inleidend beroep in zoverre alsnog gegrond en vernietigt het besluit van</para>
      <para>20 januari 1998 in zoverre;</para>
      <para>Verklaart het beroep tegen het besluit van 15 oktober 1999 ongegrond;</para>
      <para>Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant II, in eerste aanleg tot een bedrag groot</para>
      <para>f 1.420,-- en in hoger beroep tot een bedrag groot f 1.420,--;</para>
      <para>Bepaalt dat gedaagde aan appellant II het gestorte recht van in totaal f 225,-- vergoedt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. Th.C. van Sloten en</para>
      <para>mr. P.G.M. Zwartkruis als leden, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, en uitgesproken in</para>
      <para>het openbaar op 14 maart 2001.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) M.A. Hoogeveen.</para>
    <para />
    <para>(get.) P. Boer.</para>
    <para />
    <para>GdJ/193</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>