<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2001:ZB9151</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T17:04:29</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB9151</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AK6714</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-02-15</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">97/9416 AW, 97/9417 AW, 97/9418 AW, 97/10122 AW, 97/10123 AW, 97/10124 AW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_ambtenarenrecht">Bestuursrecht; Ambtenarenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=8:73&amp;g=2001-02-15">Algemene wet bestuursrecht 8:73</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>TAR 2001/45</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2001:ZB9151">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2001:ZB9151</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:58:20</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-10-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2001:ZB9151 Centrale Raad van Beroep , 15-02-2001 / 97/9416 AW, 97/9417 AW, 97/9418 AW, 97/10122 AW, 97/10123 AW, 97/10124 AW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2001:ZB9151:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2001:ZB9151:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>97/9416 AW t/m 97/9418 AW</para>
      <para>97/10122 AW t/m 97/10124 AW</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in de gedingen tussen:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. het College van burgemeester en wethouders van de gemeente X, hierna te noemen:</para>
      <para>het College,</para>
      <para>2. de Raad van de gemeente X, hierna te noemen: de gemeenteraad,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>mr. A, wonende te B, hierna te noemen: betrokkene.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het College en de gemeenteraad hebben op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde</para>
      <para>gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Arrondissementsrechtbank</para>
      <para>te Rotterdam van 16 september 1997, nummers AW 93/150-G1, AW 95/5664-G1 en AW</para>
      <para>96/4290-G1, waarnaar hierbij wordt verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak is ook namens betrokkene hoger beroep ingesteld op de daartoe</para>
      <para>bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen hebben over en weer verweerschriften ingediend en daar nader op</para>
      <para>gereageerd. Voorts hebben beide partijen nog nadere stukken in geding gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 14 december 2000, waar het</para>
      <para>College en de gemeenteraad zich hebben doen vertegenwoordigen door mr. L.H.H. van</para>
      <para>Eijck, verbonden aan het Centraal Adviesbureau voor Publiek Recht en Administratie</para>
      <para>te Den Haag, en mr. drs. J.Th. Weijenberg, werkzaam bij de gemeente X. Betrokkene</para>
      <para>is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. R. Samkalden en mr. C.N.J. Kortmann,</para>
      <para>advocaten te Amsterdam.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <para>Feiten</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een uitgebreidere weergave van</para>
      <para>de hier van belang zijnde feiten volstaat de Raad met het volgende.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Betrokkene was sedert 1981 werkzaam als directeur Algemene Zaken, tevens Hoofd van</para>
      <para>Dienst, van het tot de openbare dienst van de gemeente X behorende Y (hierna: Y).</para>
      <para>Omdat de destijds verantwoordelijke wethouder geen mogelijkheden voor verdere</para>
      <para>samenwerking met betrokkene zag, is betrokkene met toepassing van artikel 74, onder</para>
      <para>d, van het Ambtenarenreglement X (hierna: AR) bij besluit van 12 november 1991 om</para>
      <para>redenen van dienstbelang met onmiddellijke ingang geschorst en is hem tevens de</para>
      <para>toegang tot de gebouwen en terreinen van het Y ontzegd. Bij besluit van 6 maart</para>
      <para>1992 is vervolgens afwijzend beslist op het verzoek van betrokkene hem in zijn</para>
      <para>functie terug te plaatsen. De tegen deze besluiten door betrokkene aangewende</para>
      <para>rechtsmiddelen hebben geleid tot de uitspraak van de Raad van 15 december 1994, TAR</para>
      <para>1995, 43, waarbij deze besluiten nietig zijn verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 5 maart 1993 (besluit I), aan betrokkene bekendgemaakt bij brief</para>
      <para>van 10 maart 1993, heeft het College besloten dat:</para>
      <para>-     de pogingen tot herplaatsing van betrokkene binnen de gemeentelijke</para>
      <para>organisatie worden gestaakt (a);</para>
      <para>-     het verzoek om in de eigen functie te worden hersteld niet wordt ingewilligd       (b);</para>
      <para>-     de gemeenteraad zal worden voorgesteld betrokkene eervol ongeschiktheidsontslag te verlenen (c);</para>
      <para>-     zal worden begonnen met de werving van een nieuw Hoofd van Dienst van het Y (d).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen dit besluit heeft betrokkene op grond van de Ambtenarenwet 1929 beroep bij</para>
      <para>de rechtbank ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 3 februari 1994 heeft de gemeenteraad op voorstel van het College</para>
      <para>betrokkene met ingang van 1 mei 1994 met toepassing van artikel 91 van het AR</para>
      <para>eervol ontslag verleend op grond van ongeschiktheid anders dan ten gevolge van</para>
      <para>ziekten of gebreken. Dit besluit is na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij besluit van</para>
      <para>27 oktober 1994 (besluit II). Betrokkene heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar aanleiding van bovenvermelde uitspraak van de Raad van 15 december 1994 heeft</para>
      <para>betrokkene het College verzocht om toekenning van schadevergoeding ten bedrage van</para>
      <para>- f 37.900,01 aan kosten van juridische bijstand,</para>
      <para>- f 928,- aan overige kosten,</para>
      <para>- f 500.000,- voor vergoeding van immateriële schade.</para>
      <para>Het College heeft dit verzoek bij besluit van 16 januari 1996 afgewezen voorzover</para>
      <para>dat betrekking had op de kosten van rechtsbijstand ten bedrage van f 37.900,01. Bij</para>
      <para>dat besluit is toegekend het bedrag van f 928,- aan overige kosten en voorts een</para>
      <para>immateriële schadevergoeding van f 2.500,-. Na gemaakt bezwaar heeft het College</para>
      <para>bij besluit van 17 september 1996 (besluit III) alsnog f 2.130,- toegekend als</para>
      <para>vergoeding voor kosten van rechtsbijstand gemaakt in de procedure voor de rechtbank</para>
      <para>ter zake van het nietig verklaarde schorsingsbesluit.</para>
      <para>Het bezwaar is voor het overige ongegrond verklaard.</para>
      <para>Betrokkene heeft ook tegen dit besluit beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen besluit I</para>
      <para>niet-ontvankelijk verklaard.</para>
      <para>Hiertegen heeft betrokkene hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft voorts het beroep tegen besluit II gegrond verklaard en dat</para>
      <para>besluit vernietigd en overwegingen inzake proceskosten en griffierecht gegeven.</para>
      <para>Hiertegen richt zich het hoger beroep van de gemeenteraad, voorzover besluit II is</para>
      <para>vernietigd, en het hoger beroep van betrokkene, voorzover is nagelaten (ook) het</para>
      <para>primaire ontslagbesluit te vernietigen en het verzoek om toekenning van een schadevergoeding</para>
      <para>met toepassing van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht is afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tenslotte heeft de rechtbank het beroep tegen besluit III gegrond verklaard, dit</para>
      <para>besluit gedeeltelijk vernietigd, bepalingen omtrent griffierecht gegeven en de</para>
      <para>gemeenteraad veroordeeld in de proceskosten ad f 1.420,-. Voorts heeft de</para>
      <para>rechtbank, kennelijk toepassing gevend aan artikel 8:72, vierde lid, van de</para>
      <para>Algemene wet bestuursrecht, bepaald dat de gemeenteraad de schade die betrokkene</para>
      <para>lijdt, dient te voldoen, welke schade door de rechtbank is bepaald op f 9.500,- (f 12.000,- minus</para>
      <para>de reeds betaalde f 2.500,-), te vermeerderen met het bedrag dat betrokkene blijkens</para>
      <para>vaststelling door de bevoegde fiscale autoriteiten over het jaar van uitbetaling</para>
      <para>van deze vergoeding aan belasting verschuldigd zal zijn. Hiertegen heeft betrokkene</para>
      <para>hoger beroep ingesteld voorzover niet een hoger - in goede justitie te bepalen -</para>
      <para>bedrag aan immateriële schadevergoeding is toegekend en voorzover in het dictum van</para>
      <para>de uitspraak geen veroordeling tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten ad</para>
      <para>f 7.950,- is uitgesproken. Het College heeft hiertegen hoger beroep ingesteld</para>
      <para>voorzover de toegekende schadevergoeding het bedrag van f 2.500,- overschrijdt en</para>
      <para>voorzover in de overwegingen is opgenomen dat de buitengerechtelijke kosten voor</para>
      <para>vergoeding in aanmerking komen. Het College heeft daarbij opgemerkt dat de rechtbank abusievelijk</para>
      <para>de gemeenteraad en niet het College tot schadevergoeding heeft veroordeeld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting is gebleken dat inmiddels uitvoering is gegeven aan de aangevallen</para>
      <para>uitspraak wat betreft besluit III. Het College heeft aangegeven dat de door de</para>
      <para>rechtbank vastgestelde hoogte van de vergoeding voor immateriële schade van zijn</para>
      <para>zijde niet meer wordt betwist.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Besluit I</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met betrekking tot besluit I staat in de eerste plaats ter beoordeling of de rechtbank betrokkene</para>
      <para>terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn beroep tegen dit besluit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zoals de rechtbank reeds heeft opgemerkt, dient de ontvankelijkheid te worden</para>
      <para>beoordeeld aan de hand van artikel 24 van de Ambtenarenwet 1929 zoals dat tot 1</para>
      <para>januari 1994 luidde. In dat artikel (voorzover hier van belang) was bepaald dat de</para>
      <para>ambtenaar die door het aangevallen besluit rechtstreeks in zijn belang wordt</para>
      <para>getroffen bevoegd is tot het instellen van beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft overwogen dat betrokkene door de onderdelen a (de mededeling dat</para>
      <para>de pogingen tot herplaatsing worden gestaakt), c (het ontslagvoorstel aan de</para>
      <para>gemeenteraad) en d (de mededeling dat wordt gestart met de werving van een nieuw</para>
      <para>Hoofd van Dienst) van besluit I niet rechtstreeks in zijn belang is getroffen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad kan de rechtbank hierin volgen. Ook naar zijn oordeel is hier geen sprake</para>
      <para>van concrete, definitieve besluiten met betrekking tot betrokkenes rechtspositie</para>
      <para>waardoor hij rechtstreeks in zijn belang is getroffen, zoals bedoeld in voornoemde bepaling.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Onderdeel b van besluit I (de weigering betrokkene in zijn functie te herstellen)</para>
      <para>heeft de rechtbank aangemerkt als een weigering van het College om terug te komen</para>
      <para>van zijn eerder genomen schorsingsbesluit. Naar het oordeel van de rechtbank is het</para>
      <para>belang aan betrokkenes beroep tegen dit onderdeel komen te ontvallen door de</para>
      <para>gegrondverklaring van zijn beroep tegen het schorsingsbesluit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad kan de rechtbank hierin niet volgen. Besluit I behelst de weigering een</para>
      <para>einde te maken aan de opgelegde schorsing en de weigering betrokkene in zijn</para>
      <para>functie te herstellen. Aan de hand van de op dat moment geldende omstandigheden</para>
      <para>dient te worden bezien of die weigering rechtens houdbaar was. Het betreft hier een</para>
      <para>zelfstandig beslissingsmoment en de Raad vermag niet in te zien dat het belang van</para>
      <para>de betrokken ambtenaar bij beoordeling van het desbetreffende besluit komt te</para>
      <para>vervallen als de oorspronkelijke schorsing onrechtmatig is gebleken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het vorenstaande leidt de Raad tot het oordeel dat betrokkenes beroep tegen</para>
      <para>onderdeel b van besluit I ontvankelijk is. Voorzover dit beroep tegen dit onderdeel</para>
      <para>van besluit I bij de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk is verklaard, dient</para>
      <para>die uitspraak dus te worden vernietigd. Nu de zaak naar het oordeel van de Raad</para>
      <para>geen nadere behandeling behoeft en geen der partijen om terugwijzing naar de</para>
      <para>rechtbank heeft verzocht, zal hij de zaak zonder terugwijzing afdoen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan het besluit van het College tot het laten voortduren van de schorsing lagen</para>
      <para>geen andere overwegingen ten grondslag dan aan het inmiddels onrechtmatig</para>
      <para>geoordeelde schorsingsbesluit. Op dezelfde gronden als de Raad heeft neergelegd in</para>
      <para>zijn meergenoemde uitspraak van 15 december 1994 aangaande het schorsingsbesluit,</para>
      <para>komt hij tot het oordeel dat het besluit tot voortzetting van de schorsing geen</para>
      <para>stand kan houden. Onderdeel b van besluit I moet derhalve worden vernietigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar aanleiding van betrokkenes verzoek het College te veroordelen tot vergoeding</para>
      <para>van schade als bedoeld in artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht overweegt</para>
      <para>de Raad dat hem niet is gebleken dat uit het onderhavige, onrechtmatig gebleken</para>
      <para>besluit meer of andere voor vergoeding in aanmerking komende schade is</para>
      <para>voortgevloeid, dan reeds bij besluit III aan de orde komt. Naar het oordeel van de Raad is geen</para>
      <para>sprake van afzonderlijke aantasting van betrokkenes eer of goede naam door dit besluit. De</para>
      <para>Raad neemt daarbij in aanmerking dat hem niet is gebleken dat aan dit besluit enige ruchtbaarheid</para>
      <para>is gegeven. Betrokkenes verzoek wordt derhalve afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het vorenstaande ziet de Raad aanleiding het College met toepassing van artikel 8:75 van de</para>
      <para>Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in eerste aanleg en</para>
      <para>in hoger beroep tot een bedrag van in totaal f 2.130,- aan kosten van rechtsbijstand.</para>
      <para>Tevens wordt bepaald dat de gemeente X aan betrokkene het door hem in eerste aanleg</para>
      <para>en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal f 322,50 vergoedt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Besluit II</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad moet hier in de eerste plaats de vraag beantwoorden of het (gehandhaafde) ontslagbesluit</para>
      <para>op voldoende feitelijke grondslag berust.</para>
      <para>Dienaangaande overweegt hij als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan het besluit betrokkene ontslag te verlenen heeft de gemeenteraad in navolging van het advies</para>
      <para>van de Algemene Beroepscommissie van 9 december 1993 ten grondslag gelegd dat uit de</para>
      <para>handelingen en gedragingen van betrokkene af te leiden is dat hij kennelijk behept is met</para>
      <para>eigenschappen van karakter, geest en gemoed, die hem ongeschikt doen zijn voor de vervulling van</para>
      <para>zijn betrekking. Bepalend voor een goede vervulling daarvan acht de gemeenteraad met name de wijze</para>
      <para>van optreden en het beschikken over goede contactuele eigenschappen. Aangezien betrokkene naar</para>
      <para>het oordeel van de gemeenteraad aan deze voorwaarden niet voldoet en gelet op zijn afwijzende</para>
      <para>houding is er ook elders in de gemeente voor hem geen plaats.</para>
      <para>Bij het bestreden besluit is deze grond voor ontslag onverkort gehandhaafd.</para>
      <para>Daaraan is naderhand toegevoegd, zoals ter zitting is herhaald, dat aan het ontslag uitdrukkelijk niet</para>
      <para>ten grondslag is gelegd dat betrokkene op het vlak van het financiële beheer te kort zou zijn geschoten.</para>
      <para>Ten tijde van de behandeling in eerste aanleg is van de zijde van de gemeenteraad dit verwijt</para>
      <para>overigens wel gemaakt, hetgeen betrokkene heeft genoopt tot een gemotiveerde weerlegging daarvan.</para>
      <para>De Raad zal dit aspect in het kader van het ontslag terzijde laten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter onderbouwing van zijn standpunt dat betrokkene ongeschikt is voor zijn functie heeft de</para>
      <para>gemeenteraad, kort samengevat, verklaard dat betrokkene ten onrechte een eenzijdige visie had op</para>
      <para>zijn plaats en taak binnen de gemeentelijke organisatie. Vanuit deze visie opererend kwam hij steeds</para>
      <para>in botsing met anderen.</para>
      <para>Voor hem gold slechts het belang van het Y en het gemeentelijk belang werd daarbij uit het oog</para>
      <para>verloren. Betrokkene vertoonde geen loyale houding bij het voorbereiden of uitvoeren van</para>
      <para>bestuursbesluiten waarmee hij het niet eens was.</para>
      <para>Dit laatste is met name naar voren gekomen bij de kwesties rondom het Centraal Bacteriologisch</para>
      <para>Laboratorium, de Gemeentelijke Apotheek en de voorgenomen fusie met het St. Claraziekenhuis.</para>
      <para>Betrokkene beroept zich voorts naar de mening van de gemeenteraad ten onrechte op zijn bijzondere,</para>
      <para>zelfstandige positie ten opzichte van de gemeentelijke organisatie, aangezien voor die postitie geen</para>
      <para>formele basis is. Ter illustratie van het standpunt dat betrokkene voortdurend in botsing kwam met</para>
      <para>anderen is gewezen op een viertal verklaringen afkomstig van de hiervoor bedoelde wethouder</para>
      <para>en drie ambtenaren. Die verklaringen hebben mede gediend als onderbouwing van het</para>
      <para>verleende ontslag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Betrokkene heeft de gestelde ongeschiktheid gemotiveerd betwist. Zo heeft hij</para>
      <para>gewezen op goede resultaten van het Y door toedoen van het (mede) door hem</para>
      <para>gevoerde management. Hij heeft voorts gewezen op een goede beoordeling, nog in</para>
      <para>1989, en op de hem in 1990 nog toegekende koop- en behoudtoelage voor een</para>
      <para>periode van vijf jaar. Het hem verweten optreden in bovenvermelde kwesties heeft</para>
      <para>hij van geval tot geval bestreden. Bij dit een en ander heeft hij de aandacht</para>
      <para>gevestigd op de eigen positie van de directeur van het Y tegenover de centrale</para>
      <para>gemeentelijke organisatie. Zowel de inhoud van de verklaringen van de</para>
      <para>ambtenaren, als de wijze waarop die tot stand zijn gekomen is door betrokkene</para>
      <para>aan de kaak gesteld. Tot slot heeft hij betoogd dat de gemeenteraad, indien deze</para>
      <para>al in enig tekortschieten van hem een grond voor ontslag zou hebben kunnen</para>
      <para>vinden, niet in redelijkheid tot het verlenen van ontslag op grond van artikel</para>
      <para>91 van het AR had kunnen overgaan. Met het gestelde disfunctioneren is</para>
      <para>betrokkene immers, na een lange en ook recente periode van kennelijk goed</para>
      <para>functioneren, niet geconfronteerd en hem is niet de gelegenheid geboden de</para>
      <para>noodzakelijk geachte verbetering in zijn functioneren aan te brengen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad kan het betoog van betrokkene in grote lijnen volgen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit de stukken leidt de Raad af dat betrokkene van 1981 tot ongeveer 1990, in</para>
      <para>welke periode hij het in financiële nood verkerende Y er bovenop hielp, naar</para>
      <para>tevredenheid functioneerde. Het verslag van het beoordelingsgesprek met</para>
      <para>betrokkene in 1989 geeft daar ook blijk van. Voorts is aan betrokkene in juni</para>
      <para>1990, gelet op de arbeidsmarkt, een zogeheten koop- en behoudtoelage toegekend</para>
      <para>met een termijn van vijf jaar, waaruit minst genomen blijkt dat men betrokkene</para>
      <para>voorlopig voor de dienst wilde behouden. Uit de stukken komt ook naar voren dat</para>
      <para>betrokkene gedurende een reeks van jaren door het bestuur in de praktijk grote</para>
      <para>vrijheid van handelen werd gelaten waar het de bedrijfsvoering van het Y betrof.</para>
      <para>De Raad heeft niet kunnen vaststellen dat betrokkene er op enig moment</para>
      <para>uitdrukkelijk op is gewezen dat aan die periode een einde was gekomen, niet bij</para>
      <para>de komst van een nieuwe wethouder in 1986 en ook niet bij het aantreden van de</para>
      <para>Bestuursdienst per 1 mei 1990. Het vorenstaande neemt niet weg dat ook voor de</para>
      <para>Raad duidelijk is geworden dat betrokkene niet altijd een juiste inschatting van</para>
      <para>zijn positie had en, door op sommige momenten te kiezen voor een formele</para>
      <para>opstelling, niet steeds een positieve bijdrage heeft geleverd aan de onderlinge</para>
      <para>verhoudingen. Zo doet de stelling van betrokkene dat hij zich nimmer heeft</para>
      <para>verzet tegen genomen bestuursbesluiten en de uitvoering daarvan, maar dat het</para>
      <para>hem vrijstond voorgenomen bestuursbesluiten ter discussie te stellen, onvoldoende recht</para>
      <para>aan het besluitvormingsproces binnen de gemeente, waarin ook de uitvoering van</para>
      <para>principe-besluiten door ambtenaren als betrokkene loyaal ter hand behoort te worden</para>
      <para>genomen. Voor het - plotselinge - oordeel dat betrokkene kennelijk behept is met</para>
      <para>eigenschappen van karakter, geest en gemoed die hem ongeschikt doen zijn voor</para>
      <para>de vervulling van zijn functie, biedt dit toch bepaald onvoldoende basis.</para>
      <para>De vier hiervoor genoemde verklaringen geven weliswaar een indruk van hoe</para>
      <para>betrokkenes optreden soms werd beleefd, maar zij bevatten, mede gelet op de</para>
      <para>gemotiveerde betwisting daarvan door betrokkene, naar het oordeel van Raad</para>
      <para>evenwel volstrekt onvoldoende objectieve gegevens om het standpunt, dat</para>
      <para>betrokkene niet beschikte over voldoende contactuele vaardigheden en overigens</para>
      <para>ongeschikt was voor zijn functie, staande te kunnen houden. Dit geldt eveneens</para>
      <para>voor het in juni 1991 gehouden beoordelingsgesprek. De discussienota aan de hand</para>
      <para>waarvan gesproken is en het verslag van dit gesprek doen zien dat geen</para>
      <para>gebruikelijk beoordelingsgesprek is gevoerd, maar dat betrokkene duidelijk is</para>
      <para>gemaakt dat de samenwerking met de wethouder te wensen overliet. Daaruit blijkt</para>
      <para>niet dat betrokkene de gelegenheid is geboden de gesignaleerde tekortkomingen in</para>
      <para>zijn functioneren te verbeteren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad komt op grond van al het vorenstaande tot de slotsom dat het gewraakte</para>
      <para>ontslagbesluit (besluit II) niet kan worden gedragen door de daaraan ten</para>
      <para>grondslag gelegde feiten en deswege niet in stand kan blijven. De aangevallen</para>
      <para>uitspraak kan in zoverre worden bevestigd. Aangezien dit gebrek evenzeer geldt</para>
      <para>voor het primaire ontslagbesluit en de Raad niet ziet dat de gemeenteraad alsnog</para>
      <para>voldoende feitelijke grondslag voor het ongeschiktheidsontslag zal kunnen</para>
      <para>vinden, zal de Raad dat besluit met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van</para>
      <para>de Algemene wet bestuursrecht alsnog vernietigen. De aangevallen uitspraak dient</para>
      <para>voorzover daarbij is verzuimd het primaire besluit te vernietigen in zoverre te worden vernietigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen hebben de Raad met klem verzocht om, nu terugkeer van betrokkene in de</para>
      <para>ambtelijke dienst van de gemeente door beide partijen niet meer mogelijk wordt</para>
      <para>geacht, bij vernietiging de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand</para>
      <para>te laten. De Raad zal aan dit verzoek voldoen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Betrokkene heeft verzocht om toekenning van schadevergoeding op basis van</para>
      <para>artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht. Gelet op het uitdrukkelijke</para>
      <para>verzoek van beide partijen om een definitief einde te maken aan dit sedert zeer</para>
      <para>vele jaren lopende geschil en de bij hen ontbrekende behoefte - ook na vragen</para>
      <para>daaromtrent ter zitting - om in het kader van de voorbereiding van een nadere</para>
      <para>uitspraak op grond van het tweede lid van artikel 8:73 van de Algemene wet</para>
      <para>bestuursrecht terzake nog nadere gegevens in het geding te brengen, ziet de Raad</para>
      <para>in dit bijzondere geval aanleiding reeds thans op het verzoek om</para>
      <para>schadevergoeding van betrokkene te beslissen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Betrokkene heeft de volgende posten gesteld:</para>
      <para>a. inkomensschade: betrokkene wenst doorbetaling van zijn salarisbedrag tot aan</para>
      <para>zijn pensioendatum in 2007 en vergoeding van eventuele pensioenschade;</para>
      <para>b. wettelijke rente;</para>
      <para>c. kosten van juridische bijstand in de voorprocedure en overige buitengerechtelijke kosten;</para>
      <para>d. immateriële schade;</para>
      <para>e. fiscale schade.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De onder a. opgevoerde post betreft het verschil in hoogte tussen het wachtgeld</para>
      <para>dat betrokkene is toegekend en het laatstelijk door hem genoten volledige</para>
      <para>salaris en voorts de gevolgen die het ontvangen van wachtgeld heeft voor zijn</para>
      <para>pensioenopbouw (pensioenschade). Deze door en namens betrokkene deugdelijk</para>
      <para>gestelde en voor de Raad aannemelijk gemaakte salaris- en pensioenschade is door</para>
      <para>of namens de gemeenteraad niet betwist; voor een vermindering van de</para>
      <para>vergoedingsplicht, bijvoorbeeld gelegen in de omstandigheid dat betrokkene</para>
      <para>tekortgeschoten zou zijn in het nemen van maatregelen ter beperking van zijn</para>
      <para>schade, zijn in de gedingstukken en ter zitting in het geheel geen gegevens</para>
      <para>gesteld of aanknopingspunten naar voren gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu betrokkene onterecht ontslag is verleend en er geen gegevens zijn verschaft</para>
      <para>die het aannemelijk maken dat betrokkene niet tot zijn pensionering in dienst</para>
      <para>zou zijn gebleven van  het Y, terwijl voorts onbetwist is gesteld dat het</para>
      <para>betrokkene als gevolg van het onrechtmatig verleende ontslag niet meer mogelijk</para>
      <para>is (geweest) een andere betrekking te verkrijgen, ziet de Raad aanleiding om</para>
      <para>betrokkene een schadevergoeding toe te kennen in de vorm van een periodieke</para>
      <para>uitkering in die zin dat het bedrag van het betrokkene toegekende maandelijke</para>
      <para>wachtgeld gelijk is aan 100% van het laatstelijk genoten salaris. De Raad ziet</para>
      <para>voorts aanleiding de gemeente X te veroordelen tot het vergoeden van de door</para>
      <para>betrokkene eventueel te lijden pensioenschade. De stelling van de gemeenteraad</para>
      <para>dat aanleiding voor matiging van het schadebedrag bestaat, omdat ook betrokkene</para>
      <para>- althans volgens de rechtbank - een aandeel heeft gehad in het ontslag, verwerpt</para>
      <para>de Raad. Hij ziet niet dat de toekenning van volledige schadevergoeding in</para>
      <para>de gegeven omstandigheden tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen leidt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht de onder b. vermelde post toewijsbaar. Uit vaste jurisprudentie</para>
      <para>volgt dat de renteschade wordt berekend op de voet van de artikelen 6:119 en</para>
      <para>6:120 van het Burgerlijk Wetboek (BW) over de brutobedragen en dat de rente is</para>
      <para>verschuldigd vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de</para>
      <para>betalingen zouden hebben moeten plaatsvinden, in casu vanaf juni 1994.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De onder c. opgevoerde post acht de Raad onder verwijzing naar zijn vaste</para>
      <para>jurisprudentie ter zake niet toewijsbaar. Daarbij heeft de Raad in aanmerking</para>
      <para>genomen dat het primaire ontslagbesluit naar zijn oordeel niet tegen beter weten</para>
      <para>in is genomen, zoals betoogd is door betrokkene. Ten tijde van het nemen van dat</para>
      <para>besluit was het naderhand door de Raad nietig verklaarde schorsingsbesluit in</para>
      <para>stand gelaten door de rechtbank en de Raad ziet ook overigens geen aanwijzingen</para>
      <para>dat de primaire besluitvorming zodanige ernstige gebreken vertoont dat op grond</para>
      <para>daarvan gezegd moet worden dat de gemeenteraad tegen beter weten in een</para>
      <para>onrechtmatig besluit heeft genomen. Waar de kosten in de bezwarenfase niet voor</para>
      <para>vergoeding in aanmerking komen, komen de overige buitengerechtelijke kosten van</para>
      <para>rechtsbijstand a fortiori niet voor vergoeding in aanmerking.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verzoek om veroordeling tot vergoeding van de onder post d. vermelde schade</para>
      <para>stelt de Raad naar billijkheid vast op een bedrag van f 5.000,-. De Raad is van</para>
      <para>oordeel dat betrokkenes eer en goede naam in de zin van artikel 6:106, eerste</para>
      <para>lid, aanhef en onder b, van het BW als gevolg van het onrechtmatige</para>
      <para>ontslagbesluit en de daarmee gepaard gaande publiciteit, ook op het gebied van</para>
      <para>beweerd financieel wanbeheer, ernstig zijn aangetast.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De post vermeld onder e. komt voor toewijzing in aanmerking met inachtneming van</para>
      <para>eventuele beperking van die schade die bereikt kan worden door gebruikmaking van</para>
      <para>een middelings- of uitsmeerregeling inzake nabetaalde inkomsten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het hiervoor overwogene acht de Raad termen aanwezig om met toepassing</para>
      <para>van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht de gemeenteraad te</para>
      <para>veroordelen tot vergoeding van de proceskosten van betrokkene ten bedrage van f</para>
      <para>1.775,-. Voorts ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 1, aanhef</para>
      <para>en onder b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht de gemeenteraad te</para>
      <para>veroordelen tot vergoeding van de kosten die betrokkene redelijkerwijs heeft</para>
      <para>moeten maken naar aanleiding van het hem in de loop van de procedure gemaakte</para>
      <para>verwijt betreffende het financiële beheer. De Raad bepaalt die vergoeding op de</para>
      <para>helft van de kosten van het rapport van Berk &amp; Snijder, accountants en</para>
      <para>belastingsadviseurs, te weten f 12.272,80.</para>
      <para>Van de gemeente X wordt een griffierecht geheven van f 675,-.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Besluit III</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tussen partijen is nog in geschil:</para>
      <para>- de vergoeding van buitengerechtelijke kosten;</para>
      <para>- de door de rechtbank vastgestelde vergoeding voor immateriële schade.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Met betrekking tot het eerste geschilpunt overweegt de Raad het volgende.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het betreft hier buitengerechtelijke kosten, gemaakt vóór 1 januari 1993.</para>
      <para>Volgens de op deze periode betrekking hebbende vaste jurisprudentie komen</para>
      <para>dergelijke kosten slechts in uitzonderlijke gevallen voor vergoeding in</para>
      <para>aanmerking, bijvoorbeeld indien het administratief orgaan op een zodanige</para>
      <para>(laakbare) wijze jegens de ambtenaar heeft gehandeld dat voor deze in</para>
      <para>redelijkheid geen andere mogelijkheid overbleef dan zich van rechtskundige bijstand</para>
      <para>te voorzien. Naar het oordeel van de Raad is in casu geen sprake van een</para>
      <para>dergelijk uitzonderlijk geval. De Raad heeft voorts geen aanknopingspunten</para>
      <para>gevonden voor het oordeel dat het College tegen beter weten in tot schorsing van</para>
      <para>betrokkene is overgegaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het vorenstaande vloeit voort dat de rechtbank ten onrechte heeft beslist</para>
      <para>dat aan betrokkene een vergoeding van buitengerechtelijke kosten ten bedrage van</para>
      <para>f 7.950,- toekomt. De aangevallen uitspraak komt in zoverre voor vernietiging in aanmerking.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten aanzien van de vergoeding van immateriële schade gaat de Raad er evenals</para>
      <para>partijen van uit dat de veroordeling door de rechtbank van de gemeenteraad, die</para>
      <para>geen partij was in het geding met betrekking tot besluit III, als een kennelijke</para>
      <para>misslag moet worden aangemerkt. Voorts stelt de Raad vast dat partijen er niet</para>
      <para>over van mening verschillen dat betrokkene immateriële schade heeft geleden</para>
      <para>doordat hij ten gevolge van het onrechtmatig gebleken schorsingsbesluit in zijn</para>
      <para>eer en goede naam is aangetast. De rechtbank heeft het bedrag van deze schade</para>
      <para>gesteld op f 12.000,-. Nu het College zich niet (meer) tegen de hoogte van dit</para>
      <para>bedrag verzet, dient de Raad de vraag te beantwoorden of de schadevergoeding op</para>
      <para>een hoger bedrag dient te worden gesteld. De Raad beantwoordt die vraag</para>
      <para>ontkennend. De aantasting van betrokkenes eer en goede naam ten gevolge van het</para>
      <para>schorsingsbesluit kan niet als ernstiger worden aangemerkt dan die als gevolg</para>
      <para>van het ontslagbesluit. Gezien hetgeen de Raad heeft overwogen ten aanzien van</para>
      <para>de schadevergoeding in verband met laatstgenoemde schade, kan een bedrag van</para>
      <para>f 12.000,- als schadevergoeding voor de ten gevolge van het schorsingbesluit</para>
      <para>geleden immateriële schade zeker niet als te laag worden aangemerkt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De aangevallen uitspraak moet daarom worden bevestigd, voorzover aangevochten.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de</para>
      <para>Algemene wet bestuursrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Gelet op al het vorenstaande beslist de Raad als volgt.</para>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover daarbij het beroep tegen de</para>
      <para>weigering betrokkene in zijn functie te herstellen, neergelegd in onderdeel b.</para>
      <para>van besluit I, niet-ontvankelijk is verklaard;</para>
      <para>Verklaart het beroep in zoverre alsnog gegrond en vernietigt dat besluit in zoverre;</para>
      <para>Wijst het verzoek om schadevergoeding ter zake van dit gegrond verklaarde beroep af;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover daarbij is verzuimd het primaire</para>
      <para>ontslagbesluit van 3 februari 1994 te vernietigen en vernietigt dat besluit;</para>
      <para>Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 3 februari 1994 en</para>
      <para>van het door de rechtbank vernietigde besluit van 27 oktober 1994 (besluit II)</para>
      <para>geheel in stand blijven;</para>
      <para>Veroordeelt de gemeente X tot vergoeding van schade zoals hierboven aangegeven</para>
      <para>bij de posten a, b, d en e, en wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding</para>
      <para>van schade voor het overige af;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover daarbij is beslist dat aan</para>
      <para>betrokkene een vergoeding van buitengerechtelijke kosten toekomt ten bedrage van f 7.950,-;</para>
      <para>Verklaart het beroep tegen besluit III in zoverre alsnog ongegrond;</para>
      <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten voor het overige;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Veroordeelt het College in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van f</para>
      <para>2.130,-, te betalen door de gemeente X;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Veroordeelt de gemeenteraad in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van</para>
      <para>f 14.047,80, te betalen door de gemeente X;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bepaalt dat de gemeente X aan betrokkene het door hem betaalde griffierecht tot</para>
      <para>een bedrag van f 322,50 vergoedt;</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Bepaalt tot slot dat van de gemeente X een griffierecht wordt geheven van f 675,-.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. M.M. van der Kade en</para>
      <para>mr. K. Zeilemaker als leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Dierdorp als griffier en</para>
      <para>uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2001.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) H.A.A.G. Vermeulen.</para>
    <para />
    <para>(get.) C. Dierdorp.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>HD</para>
      <para>17.01</para>
      <para>Q</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>