<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2001:ZB9147</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-21T21:36:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB9147</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-01-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">98/1438 AAW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=8:47&amp;g=2001-01-10">Algemene wet bestuursrecht 8:47</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=6:21&amp;g=2001-01-10">Algemene wet bestuursrecht 6:21</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>AB 2001, 96 met annotatie van F.J.L. Pennings</rdf:li>
          <rdf:li>JB 2001/74</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2001:ZB9147">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2001:ZB9147</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:58:19</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2001:ZB9147 Centrale Raad van Beroep , 10-01-2001 / 98/1438 AAW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2001:ZB9147:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2001:ZB9147:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>98/1438 AAW</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>A, wonende te B, appellant,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale</para>
      <para>verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de</para>
      <para>Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt</para>
      <para>het Landelijk instituut sociale verzekeringen</para>
      <para>(Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het</para>
      <para>onderhavige geding is het Lisv in de plaats getreden van de</para>
      <para>Bedrijfsvereniging voor Bank- en Verzekeringswezen, Groothandel</para>
      <para>en Vrije Beroepen. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens</para>
      <para>verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 10 oktober 1994 heeft gedaagde geweigerd</para>
      <para>appellant na 11 juli 1994 in aanmerking te brengen voor</para>
      <para>uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW)</para>
      <para>en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) op de</para>
      <para>grond dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid na die datum</para>
      <para>gesteld dient te worden op minder dan 25 respectievelijk 15%.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch heeft bij</para>
      <para>uitspraak van 6 januari 1998 het tegen dat besluit ingestelde</para>
      <para>beroep ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellant is mr R.M.G.A. van der Mast, advocaat te</para>
      <para>Nijmegen, van die uitspraak in hoger beroep gekomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 20 oktober 2000, met bijlagen, heeft</para>
      <para>gedaagde enige vragen van de Raad beantwoord en te kennen gegeven</para>
      <para>het bestreden besluit niet langer volledig te handhaven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 29</para>
      <para>november 2000, waar namens appellant is verschenen mr H.W.</para>
      <para>Bemelmans, advocaat te Nijmegen, en waar gedaagde zich heeft doen</para>
      <para>vertegenwoordigen door mr P.J. Reith, werkzaam bij Gak Nederland</para>
      <para>B.V.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant was voltijds werkzaam als rayonmanager bij</para>
      <para>X te Y. Daarnaast was hij werkzaam als zelfstandig ondernemer.</para>
      <para>Met ingang van 3 mei 1993 is het dienstverband bij X beëindigd en</para>
      <para>is appellant voor drie dagen per week als verkoopmedewerker in</para>
      <para>loondienst getreden bij Z</para>
      <para>Vleeswaren. Aanvullend ontving hij met ingang van 6 mei 1993 een</para>
      <para>uitkering ingevolge de Werkloosheidswet.</para>
      <para>Op 13 juli 1993 heeft appellant zijn werkzaamheden moeten staken</para>
      <para>vanwege gezondheidsklachten na een hem overkomen verkeersongeval.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het bestreden besluit heeft gedaagde geweigerd appellant na</para>
      <para>11 juli 1994 in aanmerking te brengen voor uitkeringen ingevolge</para>
      <para>de AAW en de WAO. Aan die weigering lag gedaagdes standpunt ten</para>
      <para>grondslag dat appellant met</para>
      <para>inachtneming van zijn medische beperkingen in staat moest worden</para>
      <para>geacht in een combinatie van vol- en deeltijdfuncties</para>
      <para>werkzaamheden te verrichten en daarmee zodanige inkomsten te</para>
      <para>verwerven, dat in vergelijking met het voor hem geldende</para>
      <para>maatmaninkomen een verlies aan verdiencapaciteit in de zin van de</para>
      <para>AAW en de WAO resteerde van minder dan 15%.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het tegen dat besluit ingestelde beroep is door de rechtbank</para>
      <para>ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank</para>
      <para>overwogen dat op grond van de beschikbare medische gegevens,</para>
      <para>waarvan met name genoemd de ten behoeve van de gedingvoering in</para>
      <para>eerste aanleg uitgebrachte rapporten van D.A. Dartée,</para>
      <para>orthopedisch chirurg, d.d. 8 april 1997, en van P.L. The,</para>
      <para>zenuwarts-psychiater en klinisch neuro-fysioloog,</para>
      <para>d.d. 31 augustus 1997, ten aanzien van appellant de juiste</para>
      <para>medische beperkingen tot het verrichten van arbeid in aanmerking</para>
      <para>genomen zijn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellant is in hoger beroep in de eerste plaats</para>
      <para>aangevoerd dat hij niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard</para>
      <para>in zijn beroep omdat blijkens het schrijven van 8 september 1997</para>
      <para>gedaagde aan de rechtbank ondubbelzinnig heeft meegedeeld het</para>
      <para>bestreden besluit niet langer te handhaven en dat deze intrekking</para>
      <para>als onherroepelijk en onaantastbaar dient te worden beschouwd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>In aansluiting op evenvermeld schrijven van 8 september 1997</para>
      <para>heeft gedaagde bij brief van 10 oktober 1997 aan de rechtbank als</para>
      <para>volgt bericht:</para>
      <para>"Met uw brief van 14 mei 1997 zond u ons ondermeer een afschrift</para>
      <para>van de brief van gemachtigde van 15 april 1997 met als bijlagen</para>
      <para>rapportages van de neuroloog dr Notermans en de neuropsycholoog</para>
      <para>dr Cho.</para>
      <para>Naar aanleiding van met name het rapport van dr Cho, rees bij de</para>
      <para>verzekeringsarts de vraag op het belastbaarheidspatroon op</para>
      <para>onderdelen van de psychische belastbaarheid aanpassing behoefde.</para>
      <para>Zij achtte het noodzakelijk eiser ter beantwoording van deze</para>
      <para>vraag opnieuw te onderzoeken.</para>
      <para>Bij brief van 7 juli 1997 verzochten wij uw rechtbank om toestemming voor dit onderzoek.</para>
      <para>Bij brief van 10 juli 1997 berichtte u</para>
      <para>ons dat geen toestemming werd verleend.</para>
      <para>Na intern overleg werd, gelet op het onthouden van toestemming</para>
      <para>door de rechtbank, besloten de bestreden beslissing niet langer</para>
      <para>te handhaven om zodoende de handen vrij te hebben alsnog het</para>
      <para>noodzakelijk geacht onderzoek in te stellen.</para>
      <para>Zowel eiser als uw rechtbank werden van deze beslissing bij brief</para>
      <para>van 8 september 1997 op de hoogte gesteld.</para>
      <para>Op 9 september 1997 ontvingen wij van uw rechtbank een rapport</para>
      <para>opgesteld door de zenuwarts-psychiater dr The, alsmede enkele</para>
      <para>andere gedingstukken.</para>
      <para>Het bestaan van het rapport van dr The verraste ons volkomen, nu</para>
      <para>wij van uw rechtbank noch een mededeling ex artikel 8:47 lid 3</para>
      <para>AWB mochten ontvangen, noch van het onderzoek van dr The op de</para>
      <para>hoogte zijn gesteld naar aanleiding van ons verzoek van 7 juli</para>
      <para>1997.</para>
      <para>Het moge duidelijk zijn dat na het onderzoek van</para>
      <para>dr The onzerzijds geen enkele behoefte meer bestaat aan het nader</para>
      <para>in kaart brengen van de psychische beperkingen van eiser.</para>
      <para>Wij verzoeken u dan ook onze brief van 8 september 1997 als niet</para>
      <para>geschreven te beschouwen en het beroep tegen onze beslissing van</para>
      <para>10 oktober 1994 ongegrond te verklaren."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vervolgens heeft de rechtbank met betrekking tot dit</para>
      <para>schrijven partijen bij brieven van 31 oktober 1997 als volgt</para>
      <para>geïnformeerd:</para>
      <para>"Gebleken is dat de rechtbank abusievelijk heeft verzuimd</para>
      <para>partijen overeenkomstig het bepaalde in artikel 8:47, derde lid</para>
      <para>van de Awb mededeling te doen van het voornemen tot het benoemen</para>
      <para>van de zenuwarts-psychiater P.L. The als deskundige voor het</para>
      <para>instellen van een (aanvullend) onderzoek.</para>
      <para>Nu de intrekking van verweerders besluit d.d. 10 oktober 1994 in</para>
      <para>belangrijke mate is ingegeven bij gebrek aan wetenschap omtrent</para>
      <para>dit voorgenomen onderzoek, acht de rechtbank het aangewezen, mede</para>
      <para>om redenen van proceseconomie, het verzoek van verweerder om de</para>
      <para>brief van 8 september 1997 als niet geschreven te beschouwen in</para>
      <para>te willigen en de behandeling van het beroep tegen het besluit</para>
      <para>van 10 oktober 1994 voort te zetten. Omtrent de verdere afdoening</para>
      <para>van deze zaak zult u op korte termijn nader bericht ontvangen."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Volgens vaste rechtspraak van de Raad -onder meer blijkens de</para>
      <para>uitspraak gepubliceerd in USZ 2000/271- kan een bevoegd gedane</para>
      <para>intrekking van een beroep na het verstrijken van de beroepstermijn</para>
      <para>niet ongedaan worden gemaakt, tenzij er sprake is van aan</para>
      <para>betrokkene niet toe te rekenen omstandigheden waardoor hij in een</para>
      <para>situatie van dwaling verkeerde of blijkt van dwang of bedrog van</para>
      <para>enige zijde teneinde de betrokkene ertoe te bewegen het (hoger)</para>
      <para>beroep in te trekken. De Raad voegt hieraan toe met</para>
      <para>betrekking tot een uitvoeringsorgaan niet anders van oordeel te</para>
      <para>zijn indien dit orgaan onder vergelijkbare omstandigheden het</para>
      <para>bestreden besluit of het hoger beroep intrekt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In aanmerking genomen de inhoud van gedaagdes evenvermeld</para>
      <para>schrijven van 10 oktober 1997 is de Raad van oordeel dat gedaagde</para>
      <para>als gevolg van de omstandigheid dat de rechtbank verzuimd heeft</para>
      <para>overeenkomstig het bepaalde in artikel 8:47, derde lid, van de</para>
      <para>Algemene wet bestuursrecht (Awb) hem mededeling te doen van het</para>
      <para>voornemen tot het benoemen van de deskundige P.L. The in een</para>
      <para>situatie van dwaling verkeerde ten tijde van de verzending van</para>
      <para>zijn brief van 8 september 1997.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet hierop is de Raad -evenals kennelijk de rechtbank- van</para>
      <para>oordeel dat de in de brief van 8 september 1997 opgenomen</para>
      <para>intrekking van het bestreden besluit als vervallen is te</para>
      <para>beschouwen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Derhalve dient appellants primaire grief te worden verworpen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met betrekking tot de medische grondslag waarop het</para>
      <para>bestreden besluit berust heeft de Raad geen aanleiding gezien</para>
      <para>anders te oordelen dan door de rechtbank bij de aangevallen</para>
      <para>uitspraak is gedaan. Ook de Raad is van oordeel dat</para>
      <para>doorslaggevende betekenis toekomt aan evenvermelde</para>
      <para>rapporten van D.A. Dartée, orthopedisch chirurg, d.d. 8</para>
      <para>april 1997, en van P.L. The, zenuwarts-psychiater en klinisch</para>
      <para>neurofysioloog, d.d. 31 augustus 1997, en voorts, dat op grond</para>
      <para>van de in die rapporten neergelegde conclusies gedaagde ten</para>
      <para>aanzien van appellant de juiste medische beperkingen tot het</para>
      <para>verrichten van arbeid in aanmerking heeft genomen. De deskundige</para>
      <para>D.A. Dartée is tot de conclusie gekomen dat bij orthopedisch</para>
      <para>onderzoek geen afwijkingen worden gevonden die de klachten van</para>
      <para>appellant kunnen verklaren. De deskundige P.L. The is tot de</para>
      <para>conclusie gekomen dat op psychisch terrein bij appellant geen</para>
      <para>sprake is van beperkingen ten aanzien van zijn psychische</para>
      <para>belastbaarheid en dat op neurologisch gebied bij appellant geen</para>
      <para>afwijkingen zijn vastgesteld. Beide deskundigen kunnen zich</para>
      <para>verenigen met de aan het bestreden besluit ten grondslag</para>
      <para>liggende, ten aanzien van</para>
      <para>appellant vastgestelde beperkingen. Tevens achten zij appellant</para>
      <para>op medische gronden in staat tot een gecombineerde vervulling van de geselecteerde vol- en</para>
      <para>deeltijdfuncties.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In hoger beroep heeft appellant met betrekking tot de medische</para>
      <para>grondslag aangevoerd dat hij ten gevolge van het hem op 13 juli</para>
      <para>1993 overkomen verkeersongeval nog slechts zeer ten dele in staat</para>
      <para>is werkzaamheden te verrichten. Hij heeft ter ondersteuning van</para>
      <para>zijn standpunt met name gewezen op het door hem bij de rechtbank</para>
      <para>in het geding gebracht rapport van prof. dr S.L.H. Notermans,</para>
      <para>d.d.</para>
      <para>25 maart 1996. In dat rapport komt prof. Notermans tot de</para>
      <para>diagnose "posttraumatisch ernstig laat rest post whiplash-beeld"</para>
      <para>en concludeert hij dat appellant slechts tot maximaal 4 uur per</para>
      <para>dag in staat is tot werken, ook bij aangepast werk met</para>
      <para>neksparende arbeid.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In hetgeen namens appellant is aangevoerd en in hetgeen prof.</para>
      <para>Notermans heeft uiteengezet in zijn rapport van</para>
      <para>25 maart 1996 heeft de Raad onvoldoende aanleiding kunnen vinden</para>
      <para>om tot een ander dan zijn hogervermeld oordeel te komen. Te dien</para>
      <para>aanzien overweegt de Raad dat, mede gelet op de bevindingen en</para>
      <para>conclusies van voornoemde deskundigen D.A. Dartée en P.L. The, er onvoldoende grond</para>
      <para>bestaat om op medische gronden naar objectieve maatstaven</para>
      <para>gemeten, appellant verder beperkt te achten dan door gedaagde is</para>
      <para>vastgesteld en te oordelen dat bij appellant ten tijde in geding</para>
      <para>sprake was van een zodanige ongeschiktheid tot werken, dat hij</para>
      <para>slechts in staat was tot halve dagen arbeid.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De namens appellant aangevoerde grief dat de betrokken</para>
      <para>verzekeringsgeneeskundige heeft gehandeld in strijd met het</para>
      <para>bepaalde in de zogeheten Tica-richtlijn, treft reeds daarom geen</para>
      <para>doel, omdat deze richtlijn, betreffende het medisch</para>
      <para>arbeidsongeschiktheidscriterium, dateert van</para>
      <para>19 september 1996, zodat die verzekeringsgeneeskundige daarmee</para>
      <para>geen rekening heeft kunnen houden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Omdat de Raad zich door de thans voorhanden medische</para>
      <para>gegevens voldoende voorgelicht acht over appellants</para>
      <para>gezondheidstoestand ten tijde in geding ziet hij geen aanleiding</para>
      <para>te voldoen aan het namens appellant gedane verzoek hem te doen</para>
      <para>onderzoeken door een andere deskundige.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden</para>
      <para>besluit overweegt de Raad als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het in rubriek I vermeld schrijven van 20 oktober 2000 heeft</para>
      <para>gedaagde meegedeeld dat de zienswijze die ten grondslag lag aan</para>
      <para>het bestreden besluit niet volledig gehandhaafd kan blijven.</para>
      <para>Gedaagde is thans van mening dat met betrekking tot de WAO de</para>
      <para>omvang van de maatgevende arbeid te stellen is op 36 uur per week</para>
      <para>en dat het maatmaninkomen bepaald dient te worden op f 4.530,22</para>
      <para>per maand. De totale omvang van de maatman in het kader van de</para>
      <para>AAW dient, gelet op de omvang van appellants werkzaamheden als</para>
      <para>zelfstandige, gesteld te worden op 66 uur per week. Het standpunt</para>
      <para>dat de aan appellant voorgehouden vol- en deeltijdse functies</para>
      <para>combineerbaar zijn, wordt niet langer gehandhaafd gelet op de aan</para>
      <para>die combineerbaarheid conform de jurisprudentie van de Raad te</para>
      <para>stellen eisen. Gedaagde is thans van mening dat de vaststelling</para>
      <para>van de resterende verdiencapaciteit slechts kan plaatsvinden op</para>
      <para>basis van voltijdse functies. Alhoewel een aantal van de aan</para>
      <para>appellant voorgehouden voltijdse functies afvallen, resteren naar</para>
      <para>de mening van gedaagde voldoende (voltijdse) functies om daarop</para>
      <para>een schatting te baseren.</para>
      <para>Naar het oordeel van gedaagde zou een en ander leiden tot een</para>
      <para>mate van arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO van 25 tot</para>
      <para>35%. Voor de vaststelling van de mate van</para>
      <para>arbeidsongeschiktheid in het kader van de AAW is volgens gedaagde</para>
      <para>een nader onderzoek naar appellants resterende verdiencapaciteit</para>
      <para>in zijn eigen bedrijf noodzakelijk.</para>
      <para>Mede gelet hierop heeft gedaagde afgezien van nadere</para>
      <para>besluitvorming.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu aan het bestreden besluit de arbeidskundige grondslag is komen</para>
      <para>te ontvallen, komt dat besluit wegens strijd met het toenmalige</para>
      <para>artikel 4:16 (thans 3:46) van de Awb voor vernietiging in</para>
      <para>aanmerking. Ook de aangevallen uitspraak, waarbij dat besluit in</para>
      <para>stand is gelaten, dient te worden vernietigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde zal met inachtneming van het in deze uitspraak</para>
      <para>overwogene een nieuw besluit dienen te nemen terzake van</para>
      <para>appellants aanspraak op uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO na</para>
      <para>11 juli 1997. Dienaangaande overweegt de Raad, voor dit geding</para>
      <para>ten overvloede, nog het navolgende.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad stelt vast dat naar aanleiding van gedaagdes evenvermeld</para>
      <para>schrijven van 20 oktober 2000 appellants</para>
      <para>gemachtigde ter zitting de grieven met betrekking tot de</para>
      <para>vaststelling van het maatmaninkomen ingevolge de WAO heeft laten</para>
      <para>varen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorts heeft gedaagdes gemachtigde ter zitting erkend dat bij een</para>
      <para>van de drie geselecteerde voltijdse functies die resteren bij de</para>
      <para>onderhavige schatting, te weten: de verkooptelefonist (Fb-code:</para>
      <para>4817), onvoldoende duidelijk is of het MAVO-diploma -waarover</para>
      <para>appellant niet beschikt- een vereiste is. Derhalve staat thans</para>
      <para>onvoldoende vast dat die functie een juist beeld van de</para>
      <para>verdiencapaciteit van appellant geeft.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met betrekking tot het namens appellant gedane verzoek om</para>
      <para>gedaagde te veroordelen tot vergoeding van de door appellant</para>
      <para>geleden schade, bestaande uit de wettelijke rente, is de Raad van</para>
      <para>oordeel dat dit verzoek thans niet voor toewijzing in aanmerking</para>
      <para>komt, omdat de Raad, gezien het vorenstaande, onvoldoende inzicht</para>
      <para>heeft in de vraag of er schade wordt geleden en zo ja, welke</para>
      <para>omvang deze schade heeft. Wel zal gedaagde wanneer hij een nieuw</para>
      <para>besluit neemt met inachtneming van hetgeen de Raad in deze</para>
      <para>uitspraak heeft overwogen, bij de voorbereiding van dat</para>
      <para>besluit tevens aandacht dienen te besteden aan de vraag in</para>
      <para>hoeverre er termen zijn om schade te vergoeden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht ten slotte termen aanwezig om op grond van artikel</para>
      <para>8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van</para>
      <para>appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden</para>
      <para>begroot op f 1.775,-- voor verleende rechtsbijstand in eerste</para>
      <para>aanleg en op f 1.420,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger</para>
      <para>beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Derhalve dient te worden beslist als volgt.</para>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak;</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart het inleidend beroep tegen het bestreden</para>
      <para>besluit gegrond en vernietigt dit besluit;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bepaalt dat gedaagde een nader besluit zal nemen met</para>
      <para>inachtneming van deze uitspraak;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in eerste</para>
      <para>aanleg tot een bedrag groot f 1.775,- en in hoger beroep tot een</para>
      <para>bedrag groot f 1.420,-;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bepaalt dat gedaagde aan appellant het door hem zowel in eerste</para>
      <para>aanleg als in hoger beroep gestorte griffierecht van in totaal f</para>
      <para>215,-- vergoedt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr W.D.M. van Diepenbeek als voorzitter en mr</para>
      <para>T. Hoogenboom en mr C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid</para>
      <para>van mr J.W.P. van der Hoeven als griffier en uitgesproken in het</para>
      <para>openbaar op 10 januari 2001.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>(get.) W.D.M. van Diepenbeek.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>(get.) J.W.P. van der Hoeven.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>AB</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>