<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2001:ZB9143</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T17:04:49</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB9143</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-01-25</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">98/7473 AW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>TAR 2001/41</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2001:ZB9143">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2001:ZB9143</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:58:18</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-05-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2001:ZB9143 Centrale Raad van Beroep , 25-01-2001 / 98/7473 AW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2001:ZB9143:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2001:ZB9143:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>98/7473 AW</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>A, wonende te B, appellante,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Den</para>
      <para>Haag, gedaagde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellante is op bij aanvullende beroepschriften</para>
      <para>aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de</para>
      <para>Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage op 9 september 1998,</para>
      <para>onder nummer AWB 97/3362 AW, gegeven uitspraak, waarnaar</para>
      <para>hierbij wordt verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van 14 december 2000.</para>
      <para>Gedaagde heeft zich daar laten vertegenwoordigen door</para>
      <para>mr. A.H. Hamar de la Brethonière. Voor appellante is,</para>
      <para>zoals tevoren bericht, niemand verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellante was op basis van een vaste aanstelling werkzaam bij</para>
      <para>de Gemeentelijke X (hierna: X) van de gemeente Den Haag toen in</para>
      <para>het kader van de privatisering van de X per 1 december 1996 de</para>
      <para>taken van de X zijn overgedragen aan de Stichting Y (hierna: de</para>
      <para>Stichting Y).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 20 september 1996 is namens gedaagde aan</para>
      <para>appellante met ingang van 1 december 1996 eervol ontslag</para>
      <para>verleend in verband met de opheffing van de X per die datum.</para>
      <para>Gedaagde heeft het daartegen gerichte bezwaar bij de thans in</para>
      <para>geding zijnde beslissing op bezwaar van 11 februari 1997</para>
      <para>kennelijk ongegrond verklaard en het ontslagbesluit</para>
      <para>gehandhaafd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep,</para>
      <para>voorzover gericht tegen de Overgangsregeling Privatisering X,</para>
      <para>niet-ontvankelijk verklaard en het beroep voor het overige</para>
      <para>ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hoger beroep van appellante is allereerst gericht tegen de</para>
      <para>door de rechtbank uitgesproken niet-ontvankelijkverklaring.</para>
      <para>Appellante heeft er terecht op gewezen dat zij niet</para>
      <para>rechtstreeks beroep heeft ingesteld tegen voornoemde Overgangsregeling.</para>
      <para>Appellante heeft blijkens het bij de rechtbank</para>
      <para>ingediende beroepschrift beoogd haar bezwaren tegen de</para>
      <para>Overgangsregeling aan de orde te stellen in het kader van de</para>
      <para>beoordeling van het ontslagbesluit. Daarvan uitgaande heeft de</para>
      <para>rechtbank het beroep van appellante ten onrechte mede gericht</para>
      <para>geacht tegen de Overgangsregeling zelf. De door de rechtbank</para>
      <para>uitgesproken niet-ontvankelijkverklaring dient dan ook te</para>
      <para>worden vernietigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met betrekking tot het door gedaagde na bezwaar gehandhaafde</para>
      <para>ontslagbesluit overweegt de Raad het volgende.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft appellante eervol ontslagen wegens de opheffing</para>
      <para>van haar betrekking. Naar vaste jurisprudentie van de Raad</para>
      <para>wordt de inhoud van een betrekking niet alleen bepaald door het</para>
      <para>samenstel van werkzaamheden, maar ook door andere</para>
      <para>omstandigheden, zoals de organisatorische inbedding. De Raad</para>
      <para>stelt vast dat de privatisering van de X inhoudt dat de onder</para>
      <para>gezag van gedaagde staande X is opgeheven en daarmee ook de</para>
      <para>betrekkingen van appellante en haar collega's. Op grond van</para>
      <para>artikel 113, derde lid, aanhef en onder d, van het</para>
      <para>Ambtenarenreglement van de gemeente Den Haag brengt opheffing</para>
      <para>van de betrekking voor gedaagde de bevoegdheid mee om het</para>
      <para>dienstverband met appellante op die grond te beëindigen, met</para>
      <para>dien verstande dat ingevolge het bepaalde in artikel 117,</para>
      <para>eerste lid, van dat reglement een zodanig ontslag slechts kan</para>
      <para>worden verleend indien het na een zorgvuldig onderzoek niet</para>
      <para>mogelijk is gebleken betrokkene binnen het bereik van het tot</para>
      <para>ontslag bevoegde gezag andere passende werkzaamheden op te</para>
      <para>dragen dan wel betrokkene weigert werkzaamheden, als</para>
      <para>evenbedoeld, te aanvaarden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellante heeft in bezwaar aangevoerd, en in beroep en in</para>
      <para>hoger beroep herhaald, dat zij haar rechtspositie als ambtenaar</para>
      <para>in vaste dienst wenst te behouden en dat een onderzoek</para>
      <para>ingesteld moet worden naar herplaatsingsmogelijkheden binnen de</para>
      <para>gemeente, alvorens tot ontslag overgegaan mag worden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft een dergelijk herplaatsingsonderzoek niet nodig</para>
      <para>geacht, waarbij hij zich heeft beroepen op artikel 35, tweede</para>
      <para>lid, van de Sociale Leidraad, die door gedaagde wordt</para>
      <para>gehanteerd indien een reorganisatie aan de orde is. Daarin is</para>
      <para>bepaald dat in geval van overgang van een ambtenaar naar een</para>
      <para>ander publiek of (een) privaatrechtelijk lichaam in verband met</para>
      <para>overdracht van gemeentelijke taken of verandering van de</para>
      <para>beheersvorm geldt, dat het dienstverband met de gemeente wordt</para>
      <para>beëindigd. Uitzondering op deze regel is, volgens die bepaling,</para>
      <para>alleen mogelijk in een bepaalde, hier niet aan de orde zijnde</para>
      <para>situatie, ter behoud van VUT-rechten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad overweegt dienaangaande dat de Sociale Leidraad geen</para>
      <para>algemeen verbindende voorschriften bevat, maar beleidsregels.</para>
      <para>Dit betekent dat, nu artikel 35, tweede lid, voornoemd in ongunstige</para>
      <para>zin afwijkt van hetgeen in artikel 117, eerste lid,</para>
      <para>van het Ambtenarenreglement van de gemeente Den Haag is bepaald</para>
      <para>omtrent de rechtspositie van de ambtenaar, gedaagde zich had</para>
      <para>dienen te richten naar laatstgenoemde bepaling en de Sociale</para>
      <para>Leidraad in zoverre buiten beschouwing had dienen te laten.</para>
      <para>De Raad merkt hierbij op dat ook de door gedaagde genoemde</para>
      <para>Overgangsregeling Privatisering X, waarin een soortgelijke</para>
      <para>regeling is opgenomen als in meergenoemd artikel 35, tweede</para>
      <para>lid, niet kan afdoen aan hetgeen is bepaald in artikel 117,</para>
      <para>eerste lid, van het Ambtenarenreglement. Deze</para>
      <para>Overgangsregeling, die is getroffen om de overgang van het</para>
      <para>personeel te regelen van de X naar de Stichting Y, houdt</para>
      <para>enerzijds een sociaal statuut in tussen de gemeente Den Haag en</para>
      <para>de vakorganisaties en anderzijds een convenant tussen de</para>
      <para>gemeente Den Haag en de Stichting Y, maar bevat geen algemeen</para>
      <para>verbindende voorschriften die derogeren aan het bepaalde in het</para>
      <para>Ambtenarenreglement.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het vorenstaande volgt dat gedaagde - die zich voorafgaand</para>
      <para>aan het nemen van de ontslagbesluiten niet ervan had vergewist</para>
      <para>of er bij de betrokken ambtenaren bezwaren leefden tegen</para>
      <para>omzetting van hun ambtelijke aanstelling in een dienstverband</para>
      <para>bij de Stichting Y- in ieder geval naar aanleiding van het door</para>
      <para>appellante ingediende bezwaar, met het oog op een juiste</para>
      <para>toepassing van het bepaalde in artikel 117, eerste lid, van het</para>
      <para>Ambtenarenreglement, had dienen te onderzoeken waaruit de</para>
      <para>bezwaren van appellante bestonden en of er, in aanmerking</para>
      <para>genomen de bezwaren, mogelijkheden waren tot herplaatsing in</para>
      <para>een functie binnen het gezagsbereik van gedaagde. Doordat</para>
      <para>gedaagde het zelfs niet nodig heeft geacht een hoorzitting te</para>
      <para>houden teneinde te vernemen waaruit de bezwaren van appellante</para>
      <para>bestonden, is eerst in beroep gebleken dat appellante</para>
      <para>arbeidsongeschikt was wegens een conflict met haar</para>
      <para>leidinggevende en dat zij om die reden herplaatsing binnen de</para>
      <para>gemeente nastreefde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Door een zodanig herplaatsingsonderzoek na te laten heeft</para>
      <para>gedaagde gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 117,</para>
      <para>eerste lid, van het Ambtenarenreglement van de gemeente Den</para>
      <para>Haag, zodat het bestreden besluit om die reden dient te worden</para>
      <para>vernietigd. Dat laatste geldt ook voor de aangevallen</para>
      <para>uitspraak, waarbij dat besluit ten onrechte in stand is</para>
      <para>gelaten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding om gedaagde op</para>
      <para>grond van artikel 8:75 van de Algemene Bestuurswet te</para>
      <para>veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten</para>
      <para>worden begroot op f 1.420,- wegens in eerste aanleg verleende</para>
      <para>rechtsbijstand en op f 710,- wegens rechtsbijstand in hoger</para>
      <para>beroep, derhalve op in totaal f 2.130,-.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>III. BESLISSING</para>
      <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak;</para>
      <para>Verklaart het inleidend beroep alsnog gegrond en vernietigt het</para>
      <para>bestreden besluit van 11 februari 1997;</para>
      <para>Bepaalt dat gedaagde een nieuwe beslissing op bezwaar neemt met</para>
      <para>inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;</para>
      <para>Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een</para>
      <para>bedrag van f 2130,-, te betalen door de gemeente Den Haag;</para>
      <para>Verstaat dat de gemeente Den Haag aan appellante het gestorte</para>
      <para>recht van f 525,- vergoedt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr. W. van den Brink als voorzitter en mr.</para>
      <para>J.C.F. Talman en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in</para>
      <para>tegenwoordigheid van mr. S.P. Madunic als griffier, en</para>
      <para>uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2001.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>(get.) W. van den Brink.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>(get.) S.P. Madunic.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>HD</para>
      <para>22.12</para>
      <para>Q</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>