<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2001:ZB9129</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-04T20:11:55</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB9129</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-01-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">98/2333 AAW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=4:6&amp;g=2001-01-17">Algemene wet bestuursrecht 4:6</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=4:6&amp;g=2001-01-17">Algemene wet bestuursrecht 4:6</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=4:6&amp;g=2001-01-17">Algemene wet bestuursrecht 4:6</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JB 2001/75</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2001:ZB9129">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2001:ZB9129</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:58:16</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-10-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2001:ZB9129 Centrale Raad van Beroep , 17-01-2001 / 98/2333 AAW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2001:ZB9129:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2001:ZB9129:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>98/2333 AAW                                                        Q.</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>A te B, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale</para>
      <para>verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet</para>
      <para>Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk</para>
      <para>instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken</para>
      <para>bedrijfsvereniging.  In het onderhavige geval is appellant in de</para>
      <para>plaats getreden van de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging. In deze</para>
      <para>uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het</para>
      <para>bestuur van deze bedrijfsvereniging.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 20 februari 1997 heeft appellant geweigerd terug te</para>
      <para>komen van zijn besluit van 12 oktober 1995 op de grond dat er geen</para>
      <para>nieuwe feiten of omstandigheden zijn die ertoe leiden dat deze</para>
      <para>beslissing onjuist zou zijn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Arrondissementsrechtbank te Leeuwarden heeft bij uitspraak van 10</para>
      <para>februari 1998 het tegen het besluit van</para>
      <para>20 februari 1997 ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit</para>
      <para>vernietigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld op in een</para>
      <para>aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens gedaagde heeft mr B.I. Klaassens, advocaat te Groningen, een</para>
      <para>verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 6</para>
      <para>december 2000, waar appellant zich niet heeft doen vertegenwoordigen,</para>
      <para>en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door zijn vader,</para>
      <para>C, wonende te B en door mr A.A. Kootstra, advocaat</para>
      <para>te Leeuwarden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft op 3 oktober 1994 bij appellant een uitkering</para>
      <para>ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) aangevraagd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 12 oktober 1995 heeft appellant gedaagde een</para>
      <para>uitkering ingevolge die wet toegekend naar een mate van</para>
      <para>arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 3 oktober 1993.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dat besluit berust op appellants standpunt dat gedaagde op 30 juni</para>
      <para>1990 gedurende 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest en</para>
      <para>dat een uitkering ingevolge de AAW niet eerder kan ingaan dan een</para>
      <para>jaar voor de datum van de aanvraag. Appellant heeft geen bijzondere</para>
      <para>omstandig-heden aanwezig geacht op grond waarvan de uitkering</para>
      <para>ingevolge de AAW met ingang van een eerder tijdstip dan</para>
      <para>3 oktober 1993 kan worden toegekend. Daarbij heeft appellant</para>
      <para>overwogen dat gedaagde die uitkering niet eerder heeft aangevraagd</para>
      <para>omdat hij niet bekend was met de mogelijkheid een uitkering ingevolge</para>
      <para>de AAW aan te vragen en dat dit niet als een bijzondere omstandigheid</para>
      <para>kan worden aangemerkt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft bij schrijven van 6 november 1996 tegen het besluit</para>
      <para>van 12 oktober 1995 beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij uitspraak</para>
      <para>van 24 januari 1997 heeft de rechtbank dat beroep niet-ontvankelijk</para>
      <para>verklaard. Het door gedaagde tegen deze uitspraak gerichte verzet is</para>
      <para>door de rechtbank bij uitspraak van 13 maart 1997 ongegrond</para>
      <para>verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 7 februari 1997 heeft gedaagde appellant verzocht terug</para>
      <para>te komen van zijn besluit van 12 oktober 1995, voorzover daarbij is</para>
      <para>bepaald dat gedaagde een uitkering ingevolge de AAW wordt toegekend</para>
      <para>met ingang van</para>
      <para>3 oktober 1993 en niet met ingang van een eerdere datum.</para>
      <para>Gedaagde heeft daarbij aangevoerd dat het besluit van</para>
      <para>12 oktober 1995 niet duidelijk was en dat appellant bij de</para>
      <para>besluitvorming die tot dat besluit heeft geleid geen rekening heeft</para>
      <para>gehouden met gedaagdes brief van</para>
      <para>4 september 1995 aan appellant.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het bestreden besluit van 20 februari 1997 heeft appellant</para>
      <para>geweigerd terug te komen van zijn besluit van 12 oktober 1995 op de</para>
      <para>grond dat gedaagde geen nieuwe</para>
      <para>feiten of omstandigheden heeft vermeld die tot het oordeel moeten</para>
      <para>leiden dat de laatstgenoemde beslissing onjuist is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In zijn tegen het besluit van 20 februari 1997 gerichte beroepschrift</para>
      <para>heeft gedaagde het standpunt ingenomen dat in dat besluit appellant</para>
      <para>er ten onrechte vanuit is gegaan dat de onbekendheid met de</para>
      <para>desbetreffende regeling er de oorzaak van is geweest dat gedaagde</para>
      <para>niet eerder een aanvraag om een uitkering ingevolge de AAW heeft</para>
      <para>ingediend. Voorts heeft gedaagde gesteld dat nieuwe feiten en</para>
      <para>veranderde omstandigheden rechtvaardigen dat appellant terugkomt van</para>
      <para>zijn besluit van 12 oktober 1995 voorzover daarbij de desbetreffende</para>
      <para>uitkering niet met ingang van een eerdere datum dan 3 oktober 1993</para>
      <para>wordt toegekend. Volgens gedaagde zijn die omstandigheden vermeld in</para>
      <para>zijn aan appellant gerichte brief van 4 september 1995. In deze brief</para>
      <para>stelt gedaagde onder meer dat, hoewel zijn vader bij de aanvragen om</para>
      <para>kinderbijslag op 25 september 1992 en 22 december 1992 duidelijk</para>
      <para>heeft vermeld dat gedaagde arbeidsongeschikt was, de Sociale</para>
      <para>Verzekeringsbank hem niet had gewezen op de mogelijkheid een</para>
      <para>uitkering ingevolge de AAW aan te vragen doch hem in plaats daarvan</para>
      <para>heeft verwezen naar het Arbeidsbureau. Eerst nadat het Arbeidsbureau</para>
      <para>had medegedeeld dat gedaagde niet bemiddelbaar was wegens</para>
      <para>arbeidsongeschiktheid heeft gedaagde op 29 september 1994 een</para>
      <para>aanvraag om een uitkering op grond van de AAW verzonden. Gedaagde</para>
      <para>verzoekt in die brief de geschetste gang van zaken als een bijzondere</para>
      <para>omstandigheid te erkennen, de aanvraagdatum te stellen op</para>
      <para>25 september 1992 en hem een uitkering ingevolge de AAW toe te kennen</para>
      <para>met ingang van 1 juli 1992.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het volgende</para>
      <para>overwogen:</para>
      <para>"Vast staat dat het besluit van verweerder van</para>
      <para>12 oktober 1995 tengevolge van het onherroepelijk worden van de</para>
      <para>uitspraken van de rechtbank van</para>
      <para>4 januari en 13 maart 1997 rechtens onaantastbaar is geworden.</para>
      <para>Ingevolge artikel 4:6 Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan -kort</para>
      <para>gezegd- indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking</para>
      <para>een nieuwe aanvraag wordt gedaan, het bestuursorgaan de aanvraag</para>
      <para>afwijzen wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde</para>
      <para>omstandigheden zijn gesteld.</para>
      <para>Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat dergelijke feiten</para>
      <para>en omstandigheden niet gebleken zijn en dat reeds om die reden de</para>
      <para>aanvraag dient te worden afgewezen.</para>
      <para>Naar het oordeel van de rechtbank geeft verweerder door deze</para>
      <para>opvatting geen juiste toepassing aan</para>
      <para>artikel 4:6 Awb. In de onderhavige zaak, waar geen derden zijn aan te</para>
      <para>wijzen die belang hebben bij een weigering van eisers aanvraag,</para>
      <para>brengt het gegeven dat in artikel 4:6 Awb uitdrukkelijk wordt</para>
      <para>gesproken over een bevoegdheid tot vereenvoudigd afwijzen, (lees:)</para>
      <para>met zich dat verweerder niet zonder meer voorbij mag gaan aan de</para>
      <para>vraag in hoeverre er onmiskenbare onjuistheden kleven aan het besluit</para>
      <para>waarvan herziening wordt gevraagd.</para>
      <para>Door eiser is in zijn verzoek om terug te komen op het onderhavige</para>
      <para>besluit aangegeven dat hij eerst in 1994 en niet reeds in 1989 een</para>
      <para>aanvraag indiende voor een AAW-uitkering aangezien hij in 1989 er</para>
      <para>niet mee bekend was arbeidsongeschikt te zijn. Uit de gedingstukken</para>
      <para>betreffende beroepszaak verbandhoudend met het beroep tegen het</para>
      <para>besluit van verweerder van 12 oktober 1995 blijkt dat namens eiser</para>
      <para>voorafgaande aan het nemen van dat besluit, bij brief aan het GAK van</para>
      <para>4 september 1995, uitvoerig is uiteengezet waarom eiser pas in 1994</para>
      <para>de aanvraag indiende. In het besluit van 12 oktober 1995 is</para>
      <para>verweerder naar het oordeel van de rechtbank aan het gestelde in deze</para>
      <para>brief geheel, dan wel nagenoeg geheel voorbijgegaan.</para>
      <para>Nu niet is gebleken dat verweerder bij het in behandeling nemen van</para>
      <para>eisers aanvraag onderzoek heeft gedaan naar de vraag of het besluit</para>
      <para>waarvan herziening wordt gevraagd mank gaat aan evidente</para>
      <para>onjuistheden, terwijl gelet op het in de vorige alinea gestelde</para>
      <para>daartoe aanleiding bestond, heeft verweerder het bestreden besluit</para>
      <para>niet met de vereiste zorgvuldigheid genomen zodat het beroep gegrond</para>
      <para>dient te worden verklaard en het bestreden besluit voor vernietiging</para>
      <para>in aanmerking komt."</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Appellant kan zich niet met de aangevallen uitspraak verenigen.</para>
    <para />
    <para>De Raad overweegt het volgende.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met partijen stelt de Raad vast dat appellant in zijn besluit van 20</para>
      <para>februari 1997 van zijn in artikel 4:6, tweede lid, van de Awb</para>
      <para>neergelegde bevoegdheid gebruik heeft gemaakt. Op grond van deze</para>
      <para>bepaling is het</para>
      <para>bestuursorgaan, in het geval een aanvrager na een geheel of</para>
      <para>gedeeltelijke afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag heeft</para>
      <para>gedaan, waarbij die aanvrager niet aan zijn ingevolge het eerste lid</para>
      <para>van dat artikel op hem rustende gehoudenheid heeft voldaan nieuw</para>
      <para>gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden, bevoegd om</para>
      <para>de aanvraag af te wijzen onder verwijzing naar zijn eerdere</para>
      <para>afwijzende beschikking zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van</para>
      <para>de Awb.</para>
      <para>Gelet op de bewoordingen van de leden één en twee van</para>
      <para>artikel 4:6 van de Awb zal de rechter eerst hebben te beoordelen of</para>
      <para>de aanvrager, indien hij van een bestuursorgaan verlangt dat het</para>
      <para>terugkomt van een eerder besluit, heeft voldaan aan zijn in het</para>
      <para>eerste lid van artikel 4:6 van de Awb vermelde gehoudenheid nieuw</para>
      <para>gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Indien</para>
      <para>zulks niet het geval is, dient vervolgens door de rechter de vraag te</para>
      <para>worden beantwoord of het bestuursorgaan niet in redelijkheid tot het</para>
      <para>besluit om de desbetreffende aanvraag slechts onder verwijzing naar</para>
      <para>het eerdere besluit af te wijzen heeft kunnen komen dan wel dusdoende</para>
      <para>anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of</para>
      <para>ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad is met appellant van oordeel dat gedaagde bij zijn verzoek</para>
      <para>terug te komen van het besluit van</para>
      <para>12 oktober 1995 geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden</para>
      <para>heeft vermeld. Hierbij neemt de Raad in aanmerking dat</para>
      <para>gedaagdes brief van 4 september 1995, welk schrijven volgens gedaagde</para>
      <para>nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden vermeldt, geruime</para>
      <para>tijd voordat het besluit van 12 oktober 1995 is genomen bij appellant</para>
      <para>bekend was, zoals gedaagde heeft erkend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het zojuist overwogene betekent dat appellant bevoegd was onder</para>
      <para>verwijzing naar het eerdere besluit van 12 oktober 1995 gedaagdes</para>
      <para>verzoek terug te komen van dat besluit af te wijzen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad is voorts van oordeel dat de afwijzing van het desbetreffende</para>
      <para>verzoek, zoals deze is neergelegd in</para>
      <para>appellants besluit van 20 februari 1997, de de Raad toekomende,</para>
      <para>hiervoor omschreven terughoudende toetsing kan doorstaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het voorgaande betekent dat appellants besluit van</para>
      <para>20 februari 1997 in rechte in stand kan blijven. Dit besluit is</para>
      <para>derhalve ten onrechte door de rechtbank vernietigd. Die uitspraak</para>
      <para>komt dan ook voor vernietiging in aanmerking.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het</para>
      <para>bepaalde in artikel 8:75 van de Awb inzake de proceskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak;</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart het inleidend beroep tegen het besluit van</para>
      <para>20 februari 1997 alsnog ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr H. van Leeuwen als voorzitter en</para>
      <para>mr W.D.M. van Diepenbeek en mr T. Hoogenboom als leden, in</para>
      <para>tegenwoordigheid van mr J.W.P. van der Hoeven als griffier en</para>
      <para>uitgesproken in het openbaar op 17 januari 2001.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>(get.) H. van Leeuwen.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>(get.) J.W.P. van der Hoeven.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>AB</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>