<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2001:ZB9058</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-04T20:11:53</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB9058</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-01-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">99/2537 AAW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 2001/73</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2001:ZB9058">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2001:ZB9058</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:58:03</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-10-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2001:ZB9058 Centrale Raad van Beroep , 16-01-2001 / 99/2537 AAW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2001:ZB9058:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2001:ZB9058:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>99/2537 AAW</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>A., wonende te B., appellant,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 10 maart 1998 is appellant vanwege gedaagde in kennis gesteld van</para>
      <para>het besluit, inhoudende een verlaging van de hem - in het kader van artikel 57</para>
      <para>van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) - toegekende vergoeding voor het</para>
      <para>gebruik van de auto ten behoeve van het vervoer naar zijn werk van f 124,63 per</para>
      <para>werkdag naar f 26,80 per werkdag, ingaande 6 maanden na dagtekening van dat besluit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het tegen dat besluit ingediend bezwaar heeft gedaagde bij besluit van 17</para>
      <para>augustus 1998 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Arrondissementsrechtbank te Roermond heeft het tegen laatstgenoemd besluit</para>
      <para>ingestelde beroep bij uitspraak van 15 april 1999 ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Van die uitspraak is mr M.W. Kok, advocaat te Tegelen, namens appellant in hoger</para>
      <para>beroep gekomen op daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Gedaagde heeft bij schrijven van 30 juli 1999 van verweer gediend.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 5 december 2000,</para>
      <para>waar appellant is verschenen bij zijn gemachtigde mr Kok, voornoemd, en waar</para>
      <para>gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr R.H.J.A. Cremers, werkzaam</para>
      <para>bij Gak Nederland B.V.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De gegevens van feitelijke aard, zoals weergegeven in rubriek II, pagina 1 tot</para>
      <para>en met pagina 4 van de aangevallen uitspraak, vormen, gelet op de inhoud van de</para>
      <para>gedingstukken, ook voor de Raad het uitgangspunt bij de beoordeling van dit geding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan het bestreden besluit van 17 augustus 1998 tot verlaging van de toegekende</para>
      <para>vergoeding voor vervoer naar en van het werk ligt het standpunt ten grondslag</para>
      <para>dat een vergoeding voor een maximale reisafstand van 30 km woon-werkverkeer (60</para>
      <para>km per werkdag) redelijk wordt geacht, dat appellant reeds op 7 maart 1997 door</para>
      <para>de arbeidsdeskundige is voorgehouden dat hij een afweging zal moeten maken</para>
      <para>tussen verhuizen naar de regio Veenendaal dan wel ander werk zoeken in de regio</para>
      <para>Tegelen, en dat appellant een voldoende uitlooptermijn is geboden om zich op de</para>
      <para>nieuwe situatie in te stellen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het bestreden besluit in stand gelaten. Naar het oordeel van</para>
      <para>de rechtbank kan dit besluit, mede in aanmerking genomen dat het hier een</para>
      <para>discretionaire bevoegdheid van gedaagde betreft, de rechterlijke toetsing doorstaan.</para>
      <para>De Rechtbank heeft onder meer het volgende overwogen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"Verweerder heeft ter onderbouwing van de verlaging van de</para>
      <para>kilometervergoeding aangevoerd dat de eerder aan eiser toegekende</para>
      <para>vergoeding buitensporig is te achten en dat bij een dergelijke</para>
      <para>vergoeding, gelet ook op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van</para>
      <para>4 april 1989 (RSV 1989/317), van eiser verlangd mag worden dat hij zich</para>
      <para>serieus beijvert om door verhuizing de afstand tot zijn arbeidsplaats te</para>
      <para>verkleinen. De weigering van de kilometervergoeding is dan ook niet,</para>
      <para>zoals eiser stelt, ongemotiveerd. In beroep wordt dit standpunt van</para>
      <para>verweerder verder niet bestreden. Eiser beroept zich wel op het feit dat</para>
      <para>verweerder formeel geen aanzegging heeft gedaan aan eiser om zich te</para>
      <para>beijveren middels verhuizing de afstand tussen woon- en arbeidsplaats te</para>
      <para>verkleinen en dat bij het bestreden besluit zijn persoonlijke</para>
      <para>omstandigheden niet zijn betrokken.</para>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat hiermee geen steekhoudende argumenten</para>
      <para>zijn gegeven het besluit te vernietigen. Niet valt in te zien waarom er</para>
      <para>ook nog een formele aanzegging zou dienen plaats te vinden dat eiser</para>
      <para>wordt geacht te verhuizen alvorens de kilometervergoeding kan worden</para>
      <para>herzien. Anders dan eiser kennelijk doet, leest de rechtbank in het</para>
      <para>besluit van verweerder van 9 januari 1997 tot verhoging van de</para>
      <para>kilometervergoeding naar 240 kilometer per dag niet dat verweerder</para>
      <para>daarmee tevens heeft beslist dat eiser niet hoeft te verhuizen. De</para>
      <para>rechtbank verwijst voor het overige naar het standpunt van verweerder,</para>
      <para>zoals verwoord in het verweerschrift, met welk standpunt de rechtbank</para>
      <para>zich kan verenigen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eisers beroep op het vertrouwensbeginsel kan evenmin leiden tot een</para>
      <para>vernietiging van het onderhavige besluit nu hem gelijktijdig met het</para>
      <para>besluit betreffende de voortzetting van de al eerder toegekende</para>
      <para>vergoeding is meegedeeld dat deze vergoeding na zes maanden zal worden</para>
      <para>verlaagd. Beide besluiten dateren immers van 10 maart 1998. Daarenboven</para>
      <para>kon eiser, gelet op het besluit op bezwaar van 23 oktober 1997 en het</para>
      <para>gesprek dat hij naderhand nog heeft gehad met de arbeidsdeskundige op 23</para>
      <para>januari 1998, geen gerechtvaardigde verwachtingen ontlenen aan het</para>
      <para>besluit van 10 maart 1998, althans in de zin zoals door hem is gesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank kan begrijpen dat eiser onder de huidige omstandigheden</para>
      <para>problemen heeft met de sterk verlaagde kilometervergoeding maar dat</para>
      <para>betekent nog niet dat het onderhavige besluit de rechterlijke toets niet</para>
      <para>kan doorstaan. Daarbij is in aanmerking genomen dat er inmiddels geruime</para>
      <para>tijd is verstreken sedert het tijdstip waarop eiser voor het eerst is</para>
      <para>geconfronteerd met verweerders opvatting terzake de hoogte van de hem</para>
      <para>toegekende vergoeding.</para>
      <para>De in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep bedoelde</para>
      <para>uitlooptermijn is daarmee ook ruimschoots in acht genomen".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In hoger beroep is namens appellant onder meer aangevoerd dat appellant geboren</para>
      <para>en getogen is in de omgeving van B. en dat hij niet naar Veenendaal wil of kan</para>
      <para>verhuizen omdat de huizen aldaar duurder zijn dan in de omgeving waar appellant woont.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad is van opvatting dat de gedragslijn die gedaagde in het kader van de</para>
      <para>vervoersvergoeding voor het woon-werkverkeer hanteert, inhoudende dat in</para>
      <para>beginsel een vergoeding wordt gegeven om een afstand van ten hoogste circa 30 km</para>
      <para>(enkele reis) te overbruggen, de hier aan de orde zijnde beperkte rechterlijke</para>
      <para>toetsing kan doorstaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de in eerste aanleg en in hoger beroep aangevoerde (deels herhaalde, deels</para>
      <para>nieuwe) grieven heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel</para>
      <para>dat gedaagde in het geval van appellant op grond van zeer bijzondere</para>
      <para>omstandigheden toepassing van evenvermelde gedragslijn achterwege had moeten</para>
      <para>laten en een voor appellant gunstiger vervoersvergoeding had behoren te treffen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad kan zich overigens geheel verenigen met hetgeen de rechtbank heeft</para>
      <para>overwogen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in</para>
      <para>artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr M.I. 't Hooft als voorzitter en</para>
      <para>mr J.M.A. van der Kolk-Severijns en mr R.M. van Male als leden, in</para>
      <para>tegenwoordigheid van A.H. Huls als griffier, en uitgesproken in het openbaar op</para>
      <para>16 januari 2001.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) M.I. 't Hooft.</para>
    <para />
    <para>(get.) A.H. Huls.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>JdB</para>
      <para>2912</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>