<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9180</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-04T20:17:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB9180</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-12-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">99/1796 NABW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=8:75&amp;g=2000-12-22">Algemene wet bestuursrecht 8:75</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0006358&amp;g=2000-12-22">Besluit proceskosten bestuursrecht</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JB 2001/40</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9180">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9180</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:58:25</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-12-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9180 Centrale Raad van Beroep , 22-12-2000 / 99/1796 NABW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9180:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9180:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>99/1796 NABW</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>A., wonende te B., appellant,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Tegelen, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Als gemachtigde van appellant heeft mr Z.M.K.J. Berger, advocaat te Venlo, op de bij het beroepschrift</para>
      <para>aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de Arrondissementsrechtbank te</para>
      <para>Roermond op 25 maart 1999 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van 14 november 2000, waar appellant is verschenen bij zijn</para>
      <para>gemachtigde mr Berger voornoemd, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen</para>
      <para>door C.W.M.G. Volleberg, werkzaam bij de gemeente Tegelen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <para>De Raad gaat voor zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant, van Marokkaanse nationaliteit, heeft op 23 augustus 1996 bij de korpschef van de Politie</para>
      <para>Regio Limburg-Noord een aanvraag ingediend tot het verlenen van een vergunning tot vestiging.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 26 augustus 1996 heeft appellant bij gedaagde een aanvraag ingediend om uitkering ingevolge de</para>
      <para>Algemene bijstandswet (Abw). In verband met die aanvraag heeft gedaagde aan de genoemde</para>
      <para>korpschef om een verklaring gevraagd als bedoeld in artikel 12 (oud) van de Abw. Na ontvangst van</para>
      <para>bedoelde, op 3 september 1996 gedateerde verklaring heeft gedaagde bij besluit van 17 september</para>
      <para>1996 de aanvraag van appellant afgewezen op de grond dat appellant niet beschikt over een geldige</para>
      <para>verblijfsvergunning. Tegen dat besluit heeft appellant geen rechtsmiddel aangewend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 15 december 1997 heeft appellant andermaal bij gedaagde een aanvraag ingediend om uitkering</para>
      <para>ingevolge de Abw, zulks met ingang van 23 augustus 1996. Daarbij heeft hij een brief d.d. 13 augustus</para>
      <para>1997 van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) overgelegd waarin de ontvangst van een</para>
      <para>administratief beroepschrift d.d. 2 april 1997 wordt bevestigd en waarin wordt gesteld dat uitzetting</para>
      <para>achterwege zal blijven totdat een reële beslissing is genomen. Op die brief heeft de gemachtigde van</para>
      <para>appellant, mr Berger voornoemd, een aantekening geplaatst, inhoudende dat appellant in verband met</para>
      <para>het achterwege blijven van uitzetting thans niet onrechtmatig in Nederland verblijft en met terugwerkende</para>
      <para>kracht vanaf 23 augustus 1996 recht heeft op een Abw-uitkering.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft ook in verband met de laatstvermelde aanvraag van appellant aan de eerdergenoemde</para>
      <para>korpschef om een verklaring gevraagd als in artikel 12 (oud) van de Abw bedoeld. Na ontvangst van die</para>
      <para>verklaring d.d. 17 december 1997, die inhoudt dat appellant anders dan op basis van artikel 9 of 10 van</para>
      <para>de Vreemdelingenwet in Nederland verblijft en dat op appellant het bepaalde in artikel 84, eerste lid,</para>
      <para>onder a en b, van de Algemene Bijstandswet (lees: artikel 12 van de Abw) van toepassing is, heeft</para>
      <para>gedaagde appellant bij primair besluit van 5 maart 1998 met ingang van 15 december 1997 een</para>
      <para>bijstandsuitkering toegekend. Op de aanvraag van appellant om bijstand over de periode van</para>
      <para>23 augustus 1996 tot 15 december 1997 is afwijzend beslist op de grond dat er geen sprake is van</para>
      <para>bijzondere omstandigheden die het toekennen van bijstand met ingang van een datum gelegen vóór</para>
      <para>de datum van aanvraag, rechtvaardigen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft tegen dat besluit bij bezwaarschrift d.d. 17 maart 1998 bezwaar gemaakt. Hij heeft zich</para>
      <para>daarbij op het standpunt gesteld dat gedaagde dient terug te komen van het hiervoor vermelde besluit</para>
      <para>van 17 september 1996.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 17 juli 1998 heeft appellant bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een</para>
      <para>besluit op het bezwaar tegen het besluit van 5 maart 1998.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 13 augustus 1998 heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit</para>
      <para>van 5 maart 1998 alsnog ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 3 september 1998 heeft appellant onder meer bezwaren tegen het besluit van</para>
      <para>13 augustus 1998 naar voren gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat de aanvraag van appellant d.d.</para>
      <para>15 december 1997 had moeten worden opgevat:</para>
      <para>a. als een verzoek om bijstand met terugwerkende kracht vanaf 23 augustus 1996 en</para>
      <para>b. als een verzoek om terug te komen van het besluit van 17 september 1996.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het beroep van appellant, voorzover gericht tegen het besluit van gedaagde om geen uitkering met</para>
      <para>terugwerkende kracht te verlenen, heeft de rechtbank ongegrond verklaard.</para>
      <para>Het beroep van appellant, voorzover gericht tegen het besluit van gedaagde om niet terug te komen</para>
      <para>van het besluit van 17 september 1996, heeft de rechtbank, met vernietiging van het bestreden besluit</para>
      <para>in zoverre, gegrond verklaard wegens een motiveringsgebrek; de rechtbank heeft vervolgens bepaald</para>
      <para>dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit in stand blijven.</para>
      <para>Voorts heeft de rechtbank bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het niet tijdig nemen van een</para>
      <para>besluit op het bezwaar van 17 maart 1998 wegens verlies van belang niet-ontvankelijk verklaard.</para>
      <para>Gedaagde is ter zake veroordeeld in de proceskosten van appellant, begroot op f 1420,-- voor</para>
      <para>verleende rechtsbijstand, te betalen door de gemeente Tegelen aan de griffier van de rechtbank.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hoger beroep van appellant is gericht tegen de aangevallen uitspraak voorzover daarbij is bepaald</para>
      <para>dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit in stand blijven en tegen</para>
      <para>de daarin vastgestelde hoogte van de proceskostenveroordeling.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad heeft met betrekking tot het eerstvermelde punt het volgende overwogen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De aanvraag d.d. 15 december 1997 van appellant strekte er mede toe gedaagde te verzoeken om</para>
      <para>terug te komen van het besluit van 17 september 1996.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft dat verzoek niet gehonoreerd omdat appellant blijkens de verklaring d.d. 3 september</para>
      <para>1996 van de korpschef alstoen niet aan het bepaalde in artikel 12 (oud) van de Abw voldeed en uit de</para>
      <para>eerder vermelde brief van de IND van 13 augustus 1997 niet blijkt dat appellant ook vóór 2 april 1997</para>
      <para>- de datum van indiening van een administratief beroepschrift - met instemming van de</para>
      <para>vreemdelingendienst hier te lande verbleef.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zoals de Raad reeds vaker heeft overwogen dient de weigering om van een in rechte onaantastbaar</para>
      <para>geworden besluit terug te komen te worden geëerbiedigd, tenzij aan het eerdere besluit dusdanige</para>
      <para>gebreken kleven dan wel zich dusdanige omstandigheden hebben voorgedaan dat het bestuursorgaan</para>
      <para>in redelijkheid niet had mogen weigeren dat eerdere besluit ongedaan te maken.</para>
      <para>Daarbij ligt het op de weg van degene die van het bestuursorgaan verlangt dat het terugkomt van het</para>
      <para>eerdere besluit om feiten of omstandigheden aan te dragen die bij de eerdere besluitvorming geen rol</para>
      <para>hebben gespeeld en evenmin destijds als beroepsgrond naar voren hadden kunnen worden</para>
      <para>gebracht, dan wel de evidente onjuistheid van dat besluit aan te tonen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft bij zijn verzoek om herziening de hiervoor vermelde brief d.d. 13 augustus 1997 van de</para>
      <para>IND overgelegd. De Raad is van oordeel dat met die brief niet wordt aangetoond dat het besluit van</para>
      <para>17 september 1996 (evident) onjuist was.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorts heeft appellant gewezen op de verklaring van de korpschef d.d. 17 december 1997 die in verband</para>
      <para>met zijn aanvraag d.d. 15 december 1997 is afgegeven. Naar het oordeel van appellant volgt uit die</para>
      <para>verklaring dat hij vanaf 23 augustus 1996 rechtmatig in Nederland heeft verbleven en daarmee dat het</para>
      <para>besluit van 17 september 1996 onjuist is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad kan appellant in dat oordeel niet volgen omdat uit evenbedoelde verklaring niet blijkt dat deze</para>
      <para>terugwerkende kracht heeft tot de geclaimde datum 23 augustus 1996, terwijl bij die verklaring evenmin</para>
      <para>de eerdere verklaring van de korpschef d.d. 3 september  1996 is ingetrokken of herzien.</para>
      <para>In dit verband wijst de Raad erop dat gedaagde gehouden was naar aanleiding van de aanvraag van</para>
      <para>appellant d.d. 15 december 1997 aan de korpschef een schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel</para>
      <para>45a van het Voorschrift Vreemdelingen te vragen. De daarop gevolgde positieve verklaring d.d</para>
      <para>17 december 1997 heeft, nu daaruit van het tegendeel niet blijkt, slechts betekenis voor de aanspraken</para>
      <para>van appellant op bijstand op en na 15 december 1997 maar mist betekenis voorzover appellant vanaf</para>
      <para>23 augustus 1996 aanspraak op bijstand wil maken.</para>
      <para>Uit het vorenoverwogene volgt dat het hoger beroep van appellant voor wat betreft het hier beoordeelde</para>
      <para>onderdeel niet slaagt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met betrekking tot het hoger beroep, voorzover gericht tegen de door de rechtbank uitgesproken</para>
      <para>proceskostenveroordeling, overweegt de Raad het volgende.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft gedaagde wegens het niet tijdig besluiten op het bezwaar van appellant tegen het</para>
      <para>besluit van 5 maart 1998 veroordeeld in de proceskosten van appellant tot een bedrag van f 1420,--.</para>
      <para>Dienaangaande bevat de aangevallen uitspraak de volgende overweging:</para>
      <para>"De rechtbank acht verder termen aanwezig om verweerder op grond van het bepaalde in</para>
      <para>artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eiser redelijkerwijs heeft</para>
      <para>moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, een en ander overeenkomstig</para>
      <para>de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor de in aanmerking te nemen</para>
      <para>proceshandelingen worden 2 punten toegekend. Het gewicht van de zaak wordt bepaald op</para>
      <para>gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor 1.".</para>
      <para>Appellant kan zich met deze proceskostenveroordeling niet verenigen en heeft daartoe in het</para>
      <para>beroepschrift het volgende doen aanvoeren:</para>
      <para>"Ten aanzien van de proceskosten stelt appellant dat de rechtbank aan de proceshandelingen</para>
      <para>zijdens appellant ten onrechte slechts twee punten heeft toegekend. De rechtbank heeft ten</para>
      <para>onrechte geen rekening gehouden met de uitvoerige brief namens appellant</para>
      <para>d.d. 3 september 1998, waarin inzake procedurenr. 98/680 een repliek is te lezen waarvoor</para>
      <para>ook een punt had moeten worden toegekend.</para>
      <para>Ook had de rechtbank een punt dienen toe te kennen aan de verdere inhoud van deze brief</para>
      <para>inzake procedurenr. 98/792, temeer daar de rechtbank op grond van dit schriftuur het beroep</para>
      <para>gegrond heeft verklaard met vernietiging van dat - deel van het - besluit. Aan de</para>
      <para>proceshandelingen zijdens appellant hadden derhalve minimaal vier punten in totaal</para>
      <para>moeten worden toegekend.".</para>
      <para>De Raad is allereerst van opvatting dat de Bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht geen</para>
      <para>aanknopingspunten biedt om aan de schriftuur van appellant d.d. 3 september 1998, voorzover</para>
      <para>betrekking hebbend op het niet tijdig besluiten op zijn bezwaarschrift d.d.17 maart 1998, een punt toe</para>
      <para>te kennen omdat met dat geschrift niet is gereageerd op een daartoe strekkend verzoek van</para>
      <para>de rechtbank.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorts is de Raad van opvatting dat de omstandigheid dat een beroep dat zich richt tegen het niet</para>
      <para>tijdig nemen van een besluit, op grond van artikel 6:20, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht</para>
      <para>(Awb) wordt geacht ook gericht te zijn tegen het reële besluit er niet aan in de weg staat om het geschrift</para>
      <para>waarin de grieven tegen dat reële besluit zijn opgenomen, als een beroepschrift aan te merken in de</para>
      <para>zin van onderdeel A1 van de Bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht. Dat geschrift en de</para>
      <para>eventuele proceshandelingen die daarop nog volgen kunnen in overeenstemming met het gewicht van</para>
      <para>de zaak ten materiële zo nodig anders worden gewaardeerd dan de proceshandelingen in de zaak die</para>
      <para>betrekking heeft op het uitblijven van het besluit op bezwaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad stelt vervolgens vast dat het reële besluit op bezwaar, voorzover daarbij is geweigerd terug te</para>
      <para>komen van het besluit van 17 september 1996, is vernietigd wegens een motiveringsgebrek. De Raad</para>
      <para>is onder die omstandigheden van oordeel dat zowel aan het indienen van het als beroepschrift aan te</para>
      <para>merken geschrift d.d. 3 september 1998 als aan het verschijnen ter zitting in verband met de</para>
      <para>behandeling van het beroep tegen het reële besluit, uitgaande van de gewichtsfactor gemiddeld,</para>
      <para>ingevolge de Bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht één punt (in totaal derhalve twee</para>
      <para>punten) moet worden toegekend. Het feit dat de rechtbank aanleiding heeft gezien te bepalen dat de</para>
      <para>rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit in stand blijven, maakt dat</para>
      <para>niet anders.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad stelt vervolgens vast dat het beroepschrift van 17 juli 1998, gelet op zijn inhoud, slechts gericht</para>
      <para>was op het verkrijgen van een besluit op bezwaar. Het gewicht ervan moet worden bepaald op licht, als</para>
      <para>bedoeld in onderdeel C1 van de Bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, zodat hieraan</para>
      <para>0,5 punt moet worden toegekend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het bedrag van de vergoeding van de in eerste aanleg verleende rechtsbijstand dient derhalve te worden</para>
      <para>vastgesteld op 2,5 maal f 710,-- = f 1.775,--.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Doende hetgeen de rechtbank had behoren te doen, zal de Raad, onder vernietiging van de aangevallen</para>
      <para>uitspraak in zoverre, het bedrag van de proceskosten in eerste aanleg alsnog overeenkomstig het</para>
      <para>hiervoor vermelde bedrag vaststellen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde eveneens te</para>
      <para>veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Omdat appellant slechts in het</para>
      <para>gelijk is gesteld voorzover het de door de rechtbank uitgesproken veroordeling in de proceskosten</para>
      <para>betreft en omdat het hoger beroep in zoverre als licht wordt aangemerkt in de zin van onderdeel C van</para>
      <para>de Bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, worden deze kosten vastgesteld op f 710,-- voor</para>
      <para>verleende rechtsbijstand.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Mitsdien wordt als volgt beslist:</para>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover gedaagde daarbij is veroordeeld in de proceskosten van</para>
      <para>appellant in eerste aanleg tot een bedrag van f 1420,--;</para>
      <para>Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in eerste aanleg tot een bedrag groot f 1.775,--</para>
      <para>en in hoger beroep tot een bedrag groot f 710,--, te betalen door de gemeente Tegelen aan de griffier</para>
      <para>van de Raad;</para>
      <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;</para>
      <para>Gelast de gemeente Tegelen aan appellant het door hem in hoger beroep gestorte griffierecht van</para>
      <para>f 170,-- te vergoeden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr M.I.'t Hooft als voorzitter en mr J.M.A. van der Kolk-Severijns en mr R.M. van Male</para>
      <para>als leden, in tegenwoordigheid van mr E.W.F. Menkveld-Botenga als griffier en uitgesproken in het</para>
      <para>openbaar op 22 december 2000.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) M.I. 't Hooft.</para>
    <para />
    <para>(get.) E.W.F. Menkveld-Botenga.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>GdJ</para>
      <para>0401</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>