<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9157</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T20:30:49</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB9157</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-12-19</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">98/8843 NABW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007333&amp;artikel=21&amp;g=2000-12-19">Algemene bijstandswet 21</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007333&amp;artikel=21&amp;g=2000-12-19">Algemene bijstandswet 21</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JABW 2001, 71</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 2001/70</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9157">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9157</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:58:21</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2003-07-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9157 Centrale Raad van Beroep , 19-12-2000 / 98/8843 NABW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9157:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bijstand om niet. Leenbijstand.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9157:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>98/8843 NABW</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>het College van burgemeester en wethouders van de gemeente</para>
      <para>Asten, appellant,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>A te B, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN  LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft op in een aanvullend beroepschrift</para>
      <para>uiteengezette gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de</para>
      <para>Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch op 10 november</para>
      <para>1998, nr. AWB 97/2270 NABW, tussen partijen gewezen uitspraak,</para>
      <para>waarnaar hierbij wordt verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens gedaagde heeft mr W.P.G. Berkers, advocaat te Helmond,</para>
      <para>een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van 7 november 2000. Daar</para>
      <para>heeft appellant zich doen vertegenwoordigen door</para>
      <para>W.M.H. Martens, werkzaam bij de gemeente Asten, en is gedaagde</para>
      <para>verschenen bij zijn gemachtigde mr Berkers voornoemd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan de aangevallen uitspraak - waarin appellant is aangeduid</para>
      <para>als verweerder en gedaagde als eiser - ontleent de Raad de</para>
      <para>volgende feiten en omstandigheden:</para>
      <para>"Eiser is afkomstig uit Iran en heeft sinds januari 1993 een</para>
      <para>A-status. Bij besluit van 1 november 1993 is aan hem naast een</para>
      <para>algemene bijstandsuitkering onder meer bijzondere bijstand in</para>
      <para>de vorm van een geldlening toegekend tot een bedrag van</para>
      <para>f 4.551,- - het maximum voor een alleenstaande volgens het</para>
      <para>indertijd vigerende beleid - voor de kosten van</para>
      <para>woninginrichting. Eiser heeft daartoe een schuldbekentenis</para>
      <para>ondertekend, waarmee hij zich tevens akkoord heeft verklaard</para>
      <para>met een aflossing in 58 maandelijkse termijnen van f 78,- en</para>
      <para>1 termijn van f 27,-. In september 1995 zijn eisers vrouw en</para>
      <para>zijn drie kinderen definitief overgekomen uit Iran in het</para>
      <para>kader van gezinshereniging. Hierdoor werd het noodzakelijk om</para>
      <para>naar een grotere woning te verhuizen, hetgeen ook is geschied.</para>
      <para>Bij besluit van 18 december 1995 is in dat verband aan eiser</para>
      <para>en zijn vrouw onder meer (opnieuw) leenbijstand voor de kosten</para>
      <para>van woninginrichting toegekend tot een bedrag van f 5.710,-.</para>
      <para>Blijkens de motivering van het toekenningsbesluit was dit</para>
      <para>bedrag het maximum waarop volgens verweerder nog recht</para>
      <para>bestond, zijnde het maximale bedrag volgens het geldende</para>
      <para>beleid voor een gezin van vijf personen minus de eerder aan</para>
      <para>eiser toegekende leenbijstand. Bij datzelfde besluit is het</para>
      <para>maandelijkse aflossingsbedrag op de eerdere lening - dat op</para>
      <para>dat moment f 102,- bedroeg - verhoogd naar f 114,- in verband</para>
      <para>met de wijziging van de algemene bijstandsuitkering van eiser</para>
      <para>in een gezamenlijke uitkering naar de norm voor een gezin.</para>
      <para>Daarbij heeft verweerder bepaald dat eerst de restantschuld</para>
      <para>van de eerdere lening dient te worden afgelost alvorens de</para>
      <para>aflossing van de nieuwe lening een aanvang zou nemen.</para>
      <para>Bij besluit van 20 november 1996 is de uitkering ingevolge de</para>
      <para>Algemene bijstandswet (Abw) van eiser en zijn echtgenote</para>
      <para>beëindigd, omdat zij voldoende inkomsten uit arbeid ontvingen</para>
      <para>om zelf in de noodzakelijke kosten van het bestaan te kunnen</para>
      <para>voorzien.</para>
      <para>Bij datzelfde besluit is de restantschuld ad f 957,- van de in</para>
      <para>november 1993 aan eiser toegekende leenbijstand omgezet in een</para>
      <para>bedrag om niet, omdat gedurende 36 maanden correct was</para>
      <para>afgelost. Voorts is bij dat besluit bepaald dat de in december</para>
      <para>1995 aan eiser en zijn echtgenote toegekende leenbijstand ad</para>
      <para>f 5.710,- volledig dient te worden afgelost, waarbij het</para>
      <para>aflossingsbedrag per 1 december 1996 is gesteld op f 165,-.</para>
      <para>Het tegen deze aflossingsverplichting gerichte bezwaarschrift</para>
      <para>is bij besluit van 29 januari 1997 ongegrond verklaard.".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Die feiten en omstandigheden worden door partijen niet betwist</para>
      <para>en vormen ook voor de Raad het uitgangspunt van zijn</para>
      <para>oordeelsvorming. Hieraan voegt de Raad enkel toe dat, zoals</para>
      <para>namens appellant ter zitting desgevraagd is verklaard, de</para>
      <para>eerst aan gedaagde toegekende uitkering op grond van de</para>
      <para>Algemene Bijstandswet (ABW) bij besluit van 1 augustus 1996</para>
      <para>ingaande die datum is omgezet in een uitkering op grond van de</para>
      <para>Abw.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep dat</para>
      <para>gedaagde tegen het besluit van 29 januari 1997 heeft</para>
      <para>ingediend, gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en</para>
      <para>bepaald dat appellant een nieuwe beslissing op bezwaar dient</para>
      <para>te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is</para>
      <para>overwogen; voorts zijn beslissingen inzake proceskosten en</para>
      <para>griffierecht gegeven.</para>
      <para>De rechtbank heeft het bestreden besluit beoordeeld aan de</para>
      <para>hand van artikel 21 van de Abw. Zij heeft vervolgens eerst het</para>
      <para>beleid besproken dat appellant ten aanzien van het verstrekken</para>
      <para>van leenbijstand onder de ABW voerde en onder de Abw voert.</para>
      <para>Beschreven is dat dit beleid onder meer inhoudt dat bijstand</para>
      <para>voor de aanschaf van noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen</para>
      <para>in beginsel wordt verstrekt in de vorm van leenbijstand en dat</para>
      <para>daarbij het uitgangspunt is dat drie jaar correct dient te</para>
      <para>worden afgelost waarna het eventueel bestaande restant wordt</para>
      <para>omgezet in bijstand om niet. In dat verband kunnen individuele</para>
      <para>omstandigheden onder meer leiden tot opschorting, verlaging of</para>
      <para>bekorting van de duur van de aflossing, dan wel omzetting van</para>
      <para>de lening in bijstand om niet. De rechtbank is tot de</para>
      <para>gegrondverklaring van het beroep gekomen, omdat appellant naar</para>
      <para>haar oordeel in het bestreden besluit onvoldoende heeft</para>
      <para>gemotiveerd waarom een onverkorte handhaving van de</para>
      <para>verplichting om (ook) op de lening uit 1995 tenminste drie</para>
      <para>jaren af te lossen, in dit geval gerechtvaardigd is, zodat het</para>
      <para>bestreden besluit strijdt met artikel 7:12, eerste lid van de</para>
      <para>Algemene wet bestuursrecht (Awb). Aangezien bij het besluit</para>
      <para>van 18 december 1995 voor gedaagde de facto een</para>
      <para>aflossingstermijn van (tenminste) zes jaar aaneengesloten in</para>
      <para>het leven is geroepen, had van appellant mogen worden</para>
      <para>verlangd dat, zo al een langere aflossingstermijn dan (in</para>
      <para>totaal) drie jaren aangewezen werd geacht, binnen dat kader</para>
      <para>een meer op de individuele situatie van gedaagde toegesneden</para>
      <para>- en dus gunstiger - aflossingsmodaliteit was vastgesteld,</para>
      <para>aldus de rechtbank.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In hoger beroep heeft appellant zich gekeerd tegen het oordeel</para>
      <para>van de rechtbank dat het bestreden besluit strijdt met artikel</para>
      <para>7:12, eerste lid, van de Awb. Hij heeft uiteengezet dat bij</para>
      <para>het besluit van 20 november 1996 - alsook bij het bestreden</para>
      <para>besluit - wel degelijk acht is geslagen op de individuele</para>
      <para>situatie van gedaagde.</para>
      <para>De Raad ziet ambtshalve aanleiding eerst na te gaan of het</para>
      <para>bestreden besluit op andere dan door de rechtbank in</para>
      <para>aanmerking genomen gronden voor vernietiging in aanmerking</para>
      <para>dient te komen. Hierbij neemt hij het volgende in aanmerking.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het bestreden besluit is, blijkens haar overwegingen, onder</para>
      <para>meer - voorzover thans van belang - gebaseerd op de artikelen</para>
      <para>1 en 4 van de ABW, het bepaalde in artikel 1, 18a en 18d,</para>
      <para>eerste lid, van het Bijstandsbesluit landelijke normering en</para>
      <para>het bepaalde in de artikelen 7 en 40 van de Abw.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad heeft reeds vastgesteld dat gedaagde met ingang van</para>
      <para>1 augustus 1996 een uitkering op grond van de Abw ontvangt.</para>
      <para>Dit betekent dat het bestreden besluit, voorzover het berust</para>
      <para>op bepalingen bij en krachtens de ABW, strijdt met de wet.</para>
      <para>Voorts overweegt de Raad dat in dit geval de artikelen 7 en 40</para>
      <para>van de Abw niet (mede) van toepassing zijn en dat, zoals de</para>
      <para>rechtbank heeft gedaan, het bestreden besluit dient te worden</para>
      <para>beoordeeld aan de hand van artikel 21 van de Abw. Derhalve is</para>
      <para>het bestreden besluit ook in zoverre met de wet in strijd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het voorgaande leidt de Raad tot het oordeel dat de rechtbank</para>
      <para>terecht is gekomen tot gegrondverklaring van het beroep van</para>
      <para>appellant en tot vernietiging van het bestreden besluit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad zal vervolgens onderzoeken of er aanleiding bestaat</para>
      <para>met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te</para>
      <para>bepalen dat de rechtsgevolgen van het met inachtneming van het</para>
      <para>voorgaande te vernietigen bestreden besluit in stand te laten.</para>
      <para>Hiertoe neemt de Raad tot uitgangspunt hetgeen appellant in</para>
      <para>hoger beroep naar voren heeft gebracht. Hij overweegt het</para>
      <para>volgende.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 21, eerste lid, oud, van de Abw kan</para>
      <para>bijzondere bijstand voor de kosten van noodzakelijke duurzame</para>
      <para>gebruiksgoederen worden verleend in de vorm van een geldlening</para>
      <para>of borgtocht, dan wel in de vorm van een bedrag om niet. In</para>
      <para>het tweede lid van dit artikel (oud)  is onder andere bepaald</para>
      <para>dat burgemeester en wethouders, indien een geldlening als</para>
      <para>bedoeld in het eerste lid wordt verstrekt, de</para>
      <para>aflossingsbedragen en de duur van de aflossing mede afstemmen</para>
      <para>op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de</para>
      <para>belanghebbende.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad herinnert eraan dat appellant bij het besluit van 18</para>
      <para>december 1995 heeft bepaald dat ook de daarbij toegekende</para>
      <para>leenbijstand gedurende drie jaar (volgens het besluit van 20</para>
      <para>november 1996 te beginnen op 1 december 1996) moet worden</para>
      <para>afgelost. Dit besluit is tussen partijen rechtens verbindend</para>
      <para>geworden en staat in het kader van dit geding niet ter</para>
      <para>beoordeling. Dit laat echter onverlet dat appellant bij het</para>
      <para>nemen van het besluit van 20 november 1996 op het bepaalde in</para>
      <para>artikel 21, tweede lid, oud, van de Abw acht diende te slaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad is - anders dan de rechtbank - van opvatting dat</para>
      <para>appellant bij het besluit van 20 november 1996 dat laatste</para>
      <para>heeft gedaan. Het bestreden besluit laat dit ook gemotiveerd</para>
      <para>zien. Zoals in dat besluit is neergelegd, is bij het besluit</para>
      <para>van 20 november 1996 in aanmerking genomen dat gedaagde een</para>
      <para>inkomen had dat hoger is dan de voor hem geldende</para>
      <para>bijstandsnorm; het vastgestelde aflossingsbedrag van</para>
      <para>f 165,-- per maand ingaande 1 december 1996, tast dit</para>
      <para>meerinkomen ad f 243,67 per maand derhalve niet volledig aan.</para>
      <para>Tevens heeft appellant blijkens het bestreden besluit</para>
      <para>aandacht geschonken aan de gevolgen die het inkomen van</para>
      <para>gedaagde heeft op de hoogte van de door hem te ontvangen</para>
      <para>huursubsidie. Ter zijde - want voor de beslissing van dit</para>
      <para>geschil niet van betekenis - wijst de Raad erop dat appellant</para>
      <para>hangende de behandeling van het bezwaar van gedaagde tegen het</para>
      <para>besluit van 20 november 1996 de aflossing van de leenbijstand</para>
      <para>heeft opgeschort en in die fase rekening heeft gehouden met</para>
      <para>het feit dat gedaagde na 1 december 1996 een korte periode</para>
      <para>(tot 24 februari 1997) geen inkomsten had.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van het vorenstaande acht de Raad het geraden de</para>
      <para>rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit</para>
      <para>volledig in stand te laten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu de vernietiging van het bestreden besluit op een geheel</para>
      <para>andere grond geschiedt dan de rechtbank in de aangevallen</para>
      <para>uitspraak heeft gebezigd, zal de Raad deze uitspraak</para>
      <para>vernietigen, behoudens voorzover daarin omtrent de vergoeding</para>
      <para>van het griffierecht en de proceskosten in beroep is beslist.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht, ten slotte, termen aanwezig om op grond van</para>
      <para>artikel 8:75 van de Awb appellant te veroordelen in de</para>
      <para>proceskosten van gedaagde in hoger beroep. Deze kosten worden</para>
      <para>begroot op f 1.420,-- voor verleende rechtsbijstand.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Beslist wordt als volgt.</para>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voorzover</para>
      <para>daarin over de vergoeding van griffierecht en proceskosten in</para>
      <para>beroep is beslist;</para>
      <para>Verklaart het inleidende beroep gegrond;</para>
      <para>Vernietigt het bestreden besluit;</para>
      <para>Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in</para>
      <para>stand blijven;</para>
      <para>Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger</para>
      <para>beroep tot een bedrag groot f 1.420,--, te betalen door de</para>
      <para>gemeente Asten aan de griffier van de Raad.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr J.G. Treffers als voorzitter en</para>
      <para>mr G.A.J. van den Hurk en</para>
      <para>mr drs N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van</para>
      <para>mr M.C.M. Hamer als griffier, en uitgesproken</para>
      <para>in het openbaar op 19 december 2000.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>(get.) J.G. Treffers.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>(get.) M.C.M. Hamer.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>GdJ</para>
      <para>15/01</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>