<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9116</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-21T22:15:09</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB9116</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-09-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">98/6943 WAO</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002524&amp;artikel=46a&amp;g=2000-09-21">Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 46a</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 2000, 241</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9116">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9116</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:58:14</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-10-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9116 Centrale Raad van Beroep , 21-09-2000 / 98/6943 WAO</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9116:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9116:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>98/6943 WAO</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>A, wonende te B, appellant,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
      <para>Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale</para>
      <para>verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet</para>
      <para>Organisatiewet Sociale Verzekeringen 1997 treedt het Landelijk</para>
      <para>instituut sociale verzekeringen (hierna: Lisv) in de plaats van de</para>
      <para>betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv</para>
      <para>in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor Hotel-,</para>
      <para>Restaurant, Café-, Pensioen- en Aanverwante Bedrijven. In deze</para>
      <para>uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze</para>
      <para>bedrijfsvereniging.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant is bij gemachtigde mr B.I. Klaassens, advocaat te</para>
      <para>Groningen, op bij aanvullend beroepschrift van 15 januari 1999</para>
      <para>aangegeven gronden in hoger beroep gekomen van een door de</para>
      <para>rechtbank te Groningen onder dagtekening 4 augustus 1998 tussen</para>
      <para>partijen gegeven uitspraak, voorzover daarin het beroep ongegrond</para>
      <para>is verklaard tegen gedaagdes besluiten van 16 september 1992 en 19</para>
      <para>november 1996.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens gedaagde is onder dagtekening 7 april 1999 een</para>
      <para>verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 29</para>
      <para>juni 2000. Bij deze gelegenheid is voor appellant, daartoe</para>
      <para>ambtshalve opgeroepen bij gemachtigde, verschenen mr L.J. van der</para>
      <para>Veen, eveneens advocaat te Groningen en heeft gedaagde, eveneens</para>
      <para>daartoe ambtshalve opgeroepen door de Raad, zich doen</para>
      <para>vertegenwoordigen door mr T. Martens, werkzaam bij Gak Nederland</para>
      <para>B.V.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant is vanaf 1978 in loondienst geweest als klusjesman bij</para>
      <para>een stationrestauratie gedurende ca 3,5 uur per dag. Vanaf 1980 is</para>
      <para>hij daarnaast als zelfstandig venter van eieren en kippen gaan</para>
      <para>werken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 16 september 1992 is aan appellant met ingang van</para>
      <para>6 oktober 1983 een uitkering ingevolge de Algemene</para>
      <para>Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de</para>
      <para>arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, naar een mate</para>
      <para>van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. De AAW-uitkering is</para>
      <para>gebaseerd op de algemene grondslag van f. 77,62, de WAO-uitkering</para>
      <para>op een dagloon van f. 44,16.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 19 november 1996 is aan appellant meegedeeld dat</para>
      <para>met ingang van 1 augustus 1993 de AAW-uitkering met toepassing van</para>
      <para>artikel 33 AAW zal worden uitbetaald, alsof appellant zou zijn</para>
      <para>ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 45 tot 55% en dat de</para>
      <para>WAO-uitkering onder toepassing van artikel 44 WAO niet meer zou</para>
      <para>worden uitbetaald, omdat appellant voor minder dan 15%</para>
      <para>arbeidsongeschikt wordt geacht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In hoger beroep is uitsluitend in geschil of gedaagde terecht en op</para>
      <para>goede gronden geen toepassing heeft gegeven aan het bij en</para>
      <para>krachtens de artikelen 36a AAW en 46a WAO bepaalde, zoals die</para>
      <para>bepalingen ten tijde hier van belang luidden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het bijzonder spitst het geding zich toe op de vraag of gedaagde</para>
      <para>terecht geen toepassing heeft gegeven aan artikel 2 van de</para>
      <para>beschikking ex artikel 46a WAO (oud) van 28 september 1976, Stcrt</para>
      <para>1986, 203, alsmede aan het gelijkluidende artikel 2 van het per 1</para>
      <para>januari 1987 geldende besluit van 23 december 1986, Stcrt 1986,</para>
      <para>250, ex artikel 36 AAW.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 2 van vorenbedoelde besluiten behelst dat in afwijking van</para>
      <para>de hoofdregel op grond waarvan indien zowel recht op een</para>
      <para>AAW-uitkering als een WAO-uitkering bestaat, de AAW-uitkering niet</para>
      <para>wordt uitbetaald, de AAW-uitkering toch (ten dele) toch wordt</para>
      <para>betaald.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het onderhavige geval heeft gedaagde zich op het standpunt</para>
      <para>gesteld dat artikel 3 van vorenbedoelde regelgeving zich tegen</para>
      <para>toepassing van de gunstige bepaling van artikel 2 van die</para>
      <para>regelgeving verzet. Gedaagde meent dat zich bij appellant de</para>
      <para>situatie voordoet als bedoeld in artikel 14, eerste lid onder a,</para>
      <para>van de Algemene dagloonregelen WAO, dat hij anders dan ingevolge</para>
      <para>een regeling tot toepassing van een kortere dan de voor hem normale</para>
      <para>werktijd gemiddeld een geringer dan het normale aantal uren per</para>
      <para>week placht werkzaam te zijn, doch dit niet heeft geleid tot</para>
      <para>vaststelling van een lager WAO-dagloon.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht dit evenwel in het onderhavige geval een te strikte</para>
      <para>uitleg van vorenbedoelde bepaling, gelet op de toelichting op</para>
      <para>bedoelde regelgeving, waaraan de Raad het volgende ontleent:</para>
      <para>"Indien bij de vaststelling van het dagloon ingevolge de</para>
      <para>Dagloonregelen WAO geen rekening is gehouden met omstandigheden als</para>
      <para>bedoeld in artikel 14 en derhalve een dagloon is vastgesteld,</para>
      <para>gebaseerd op een volledige werkweek, is er geen reden aanwezig de</para>
      <para>gunstige regeling op grond van artikel 2 toe te passen. Dit is de</para>
      <para>reden waarom onder die omstandigheden artikel 2 buiten toepassing</para>
      <para>blijft (....)."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De gedingstukken laten zien dat in het onderhavige geval het</para>
      <para>dagloon niet is gebaseerd op een volledige werkweek.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad is derhalve van oordeel dat gedaagde ten onrechte geen</para>
      <para>toepassing heeft gegeven aan vorenbedoeld artikel 2.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit brengt mee dat de aangevallen uitspraak, voor zover deze in</para>
      <para>hoger beroep is aangevallen, geen stand kan houden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de</para>
      <para>Algemene wet bestuursrecht gedaagde te veroordelen in de</para>
      <para>proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden</para>
      <para>begroot op f. 1.420,-- voor verleende rechtsbijstand.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad stelt tot slot vast dat het door appellante in hoger beroep</para>
      <para>gestorte griffierecht door gedaagde dient te worden vergoed.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Beslist wordt als volgt.</para>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten,</para>
      <para>alsmede de bestreden besluiten als in rubriek I vermeld;</para>
      <para>Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in hoger</para>
      <para>beroep tot een bedrag groot f. 1.420,--;</para>
      <para>Bepaalt dat gedaagde aan appellante het gestorte recht ten bedrage</para>
      <para>van f. 160,- vergoedt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr B.J. van der Net als voorzitter en mr R.C.</para>
      <para>Schoemaker en mr G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van</para>
      <para>R.E. Lysen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21</para>
      <para>september 2000.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>(get.) B.J. van der Net.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>(get.) R.E. Lysen.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>AB</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>