<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9112</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T18:09:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB9112</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-11-30</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">98/8319 WSW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=6:9&amp;g=2000-11-30">Algemene wet bestuursrecht 6:9</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 2001, 38</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9112">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9112</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:58:13</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-10-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9112 Centrale Raad van Beroep , 30-11-2000 / 98/8319 WSW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9112:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9112:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>98/8319 WSW</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>A., wonende te B., appellante,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>de Bestuurscommissie van het Werkvoorzieningschap</para>
      <para>Synergon te Winschoten, gedaagde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellante heeft mr E.P. Groot, advocaat te</para>
      <para>Groningen, op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger</para>
      <para>beroep ingesteld tegen de uitspraak van de</para>
      <para>Arrondissementsrechtbank te Groningen van 27 november 1998,</para>
      <para>nr. AWB 97/735 WSW V08, waarnaar hierbij wordt verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Van de zijde van gedaagde is een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <para>Appellantes gemachtigde heeft een nader stuk ingezonden.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is aan de orde gesteld ter zitting van</para>
      <para>14 september 2000, waar partijen - beiden met voorafgaand</para>
      <para>bericht - niet zijn verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad merkt vooreerst op dat ingevolge artikel 17 van de op</para>
      <para>1 januari 1998 in werking getreden Wet Sociale Werkvoorziening</para>
      <para>(Wet van 11 september 1997, Stb. 466) op de behandeling van</para>
      <para>dit geding het recht van toepassing blijft zoals dat voor de</para>
      <para>datum van inwerkingtreding van die wet gold.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 6 maart 1997 heeft gedaagde gehandhaafd zijn</para>
      <para>besluit van 11 december 1996, waarbij het dienstverband met</para>
      <para>appellante met ingang van 20 december 1996 is beëindigd op</para>
      <para>grond van artikel 28, tweede lid, aanhef en onder b, van de</para>
      <para>Wet Sociale Werkvoorziening (WSW).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen dat besluit is door appellantes gemachtigde door middel</para>
      <para>van een op 15 april 1997 gedateerd beroepschrift beroep</para>
      <para>ingesteld, dat blijkens het poststempel op de enveloppe op 16</para>
      <para>april 1997 is verzonden. De rechtbank heeft de ontvangst van</para>
      <para>dit beroepschrift wegens onvoldoende frankering geweigerd,</para>
      <para>waarna het op 21 april 1997 door appellantes gemachtigde</para>
      <para>retour is ontvangen.</para>
      <para>Diezelfde dag heeft deze gemachtigde per fax opnieuw beroep</para>
      <para>ingesteld bij de rechtbank en verzocht het beroep ontvankelijk</para>
      <para>te achten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het</para>
      <para>beroep wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk</para>
      <para>verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad overweegt het volgende.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>In geding is de vraag of de rechtbank, gelet op het</para>
      <para>bepaalde in de artikelen 6:7, 6:8, 6:9 en 6:11 van de Algemene</para>
      <para>wet bestuursrecht (Awb), het beroep terecht niet-ontvankelijk</para>
      <para>heeft verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dienaangaande stelt de Raad vast dat 17 april 1997 de laatste</para>
      <para>dag was van de termijn voor het indienen van een beroepschrift</para>
      <para>tegen het bestreden besluit, zodat het door de rechtbank op 21</para>
      <para>april 1997 per fax ontvangen beroepschrift na afloop van die</para>
      <para>termijn is ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met betrekking tot het op 16 april 1997 per post verzonden</para>
      <para>beroepschrift overweegt de Raad, in navolging van het arrest</para>
      <para>van de Hoge Raad van 8 juli 1996, BNB 1996, 268, dat van de</para>
      <para>indiening van een bezwaar- of beroepschrift per post als</para>
      <para>bedoeld in artikel 6:9 van de Awb sprake is, indien het geheel</para>
      <para>van handelingen is verricht dat noodzakelijk is om een</para>
      <para>poststuk door middel van de postdienst de geadresseerde te</para>
      <para>doen bereiken. Eén van de daartoe noodzakelijke handelingen is</para>
      <para>het zorgdragen voor een voldoende frankering. Gegeven het feit</para>
      <para>dat het onvoldoende gefrankeerde beroepschrift door de</para>
      <para>rechtbank niet is geaccepteerd en de rechtbank tot die</para>
      <para>acceptatie niet verplicht was, moet worden geoordeeld dat pas</para>
      <para>bij fax van 21 april 1997 beroep bij de rechtbank is</para>
      <para>ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad is niet gebleken van omstandigheden welke leiden tot</para>
      <para>het oordeel dat sprake is van een verschoonbare</para>
      <para>termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb.</para>
      <para>Het feit dat het bestreden besluit van 6 maart 1997 geen</para>
      <para>beroepsclausule bevatte merkt de Raad niet als een zodanige</para>
      <para>omstandigheid aan, omdat appellantes gemachtigde dat besluit,</para>
      <para>getuige zijn op 16 april 1997 gedane poging tot verzending van</para>
      <para>het beroepschrift, wel (tijdig) als een appellabel besluit</para>
      <para>heeft herkend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank het beroep terecht</para>
      <para>niet-ontvankelijk heeft verklaard, zodat de aangevallen</para>
      <para>uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel</para>
      <para>8:75 van de Awb.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr</para>
      <para>G.P.A.M. Garvelink-Jonkers en prof. mr A.Q.C. Tak als leden,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr A.W.M. van Bommel als griffier en</para>
      <para>uitgesproken in het openbaar op</para>
      <para>30 november 2000.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>(get.) H.A.A.G. Vermeulen.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>(get.) A.W.M. van Bommel.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>HD</para>
      <para>28.11</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>